Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7773

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
200.280.499
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 288 lid 1, aanhef en onder b en c Fw.

Artikel 288 lid 3 Fw.

Afwijzing verzoek om toepassing WSNP.

CJIB-boetes. Voorwaardelijk sepot.

Toelating op grond van de hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.280.499

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/499433)

arrest van 28 september 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant, hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. L.T.M. Keet.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 2 juli 2020 is het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.

Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 9 juli 2020 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 2 juli 2020. [appellant] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en het verzoek tot toelating tot de schuldsanering alsnog toe te wijzen.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met producties 1 en 2, de brief van 31 augustus 2020 met producties 3 tot en met 7 van mr. Keet en de op 2 en 3 september 2020 van mr. Keet ontvangen producties 8 en 9.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 september 2020. Hierbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Keet. Na deze zitting heeft het hof op 23 september 2020 een faxbericht met één bijlage van mr. Keet ontvangen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellant] is alleenstaand. Hij heeft een dochter, die bij zijn ex-vriendin woont. Van 2005 tot 2011 is hij zelfstandig rijinstructeur geweest.
Vanaf 2012 werd [appellant] met enkele ingrijpende tegenslagen geconfronteerd. Naar hij heeft verklaard, overleden zijn beste vriend en enkele familieleden, eindigde de relatie met zijn vriendin en kwam hij door de economische crisis in grote financiële problemen. Als gevolg hiervan heeft hij geruime tijd gekampt met alcohol-, drugs- en gokverslaving en is hij jarenlang (2012 tot 2016) dakloos geweest.
Sinds 2018 werkt [appellant] parttime in de schoonmaak ( [B] ). De daarmee verkregen inkomsten worden in mindering gebracht op de uitkering ingevolge de Participatiewet die hij ontvangt. In april 2019 kreeg [appellant] een huurwoning toegewezen. In die tijd heeft hij zich aangemeld bij de gemeente voor schuldhulpverlening en werd hem een schuldhulpmaatje toegewezen. Hierna is hij aangemeld bij de Voedselbank en is hij voor het (verder) onder controle brengen van zijn schuldenlast doorverwezen naar de Kredietbank Nederland, waar medio september 2019 in verband met een aanvraag schuldregeling een intake heeft plaatsgevonden. Sinds oktober 2019 wordt [appellant] begeleid door een budgetcoach. Zijn leefgeld bedraagt € 50 per week.
Medio juli 2020 heeft [appellant] de opleiding tot rijinstructeur met goed gevolg afgerond.

3.2

Uit het tot de gedingstukken in hoger beroep behorende uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkt dat [appellant] onder meer is veroordeeld wegens:
- rijden onder invloed op 3 maart 2016 door de politierechter d.d. 5 november 2018 tot
betaling van een geldboete van € 330 subsidiair zes dagen hechtenis (onherroepelijk);
- rijden onder invloed op 3 augustus 2017 door de politierechter d.d. 18 augustus 2017 tot
betaling van een geldboete van € 550, subsidiair 11 dagen hechtenis (niet onherroepelijk).
Ook is [appellant] blijkens genoemd uittreksel op 18 maart 2019 gedagvaard voor wiet/hennepproductie op 7 maart 2019. Volgens [appellant] is hij op die datum samen met zijn neef in een busje met (onder andere) kisten en lampen aangehouden, toen hij daarmee in opdracht van een kennis op weg was naar een vuilstortplaats. Van zijn betrokkenheid bij een wietplantage was volgens hem helemaal geen sprake. Mr. Keet heeft bij faxbericht van
23 september 2020 een brief van de officier van justitie overgelegd met een zogenaamd voorwaardelijk sepot, waarin deze aan [appellant] meedeelt dat hij voor dit feit niet zal worden vervolgd onder de voorwaarde dat hij zich tijdens de proeftijd van twee jaar niet aan enig strafbaar feit schuldig zal maken dan wel zich op andere wijze zal misdragen.
3.3 [appellant] heeft ruim € 82.000 aan schulden, waaronder een schuld aan BBS Baarn-Bunschoten-Soest van € 4.629,51 (in juli 2019 verstrekte leenbijstand voor kosten van inrichting van de woning van [appellant] ) en een schuld aan het CJIB van in totaal € 1.940 (geldboetevonnis van € 687 en drie WAHV-boetes van in totaal € 1.253).

3.4

De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuld-saneringsregeling afgewezen. Aan deze beslissing is het volgende ten grondslag gelegd.

In de afgelopen vijf jaar heeft [appellant] meermaals auto gereden onder invloed van alcohol, waardoor schulden zijn ontstaan (onder meer de CJIB-boetes). Daarnaast kan hij veroordeeld worden voor hennepproductie. Wanneer dit tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling zou gebeuren, zou dat een belemmering zijn voor het nakomen van de verplichtingen door [appellant] . Bij een hechtenis of een taakstraf kan immers de sollicitatieverplichting niet worden nagekomen en door oplegging van boetes kunnen nieuwe schulden ontstaan. Daarnaast is gelet op het verslavingsverleden van [appellant] niet duidelijk geworden in hoeverre de verslavingen onder controle zijn. Volgens de verklaring van [appellant] is zijn leefsituatie sinds drie jaar weer stabiel, maar gelet op de volgens het strafblad van [appellant] nog in 2016, 2017 en 2019 met de verslavingen verband houdende plaatsgevonden strafbare feiten, is onvoldoende aannemelijk geworden dat [appellant] in staat is de verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling na te komen, aldus de rechtbank.

3.5

Het hof is van oordeel dat het omstreeks 2016/2017 (dus binnen de vijfjaarstermijn) laten ontstaan en onbetaald laten van een aanzienlijke - naar haar aard als niet te goeder trouw aan te merken - CJIB-schuld, bestaande uit een geldboetevonnis wegens rijden onder invloed en uit drie verkeersboetes wegens onder andere rijden zonder gordel, in beginsel al voldoende is om [appellant] niet toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.6

[appellant] heeft aangevoerd dat hij zijn leven weer op de rit heeft, dat sprake is van een keer ten goede en dat hij in staat is de verplichtingen van de schuldsanering naar behoren na te komen. Het hof begrijpt dat hiermee (ook) een beroep wordt gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw en overweegt als volgt.
Gebleken is dat [appellant] zich op bewonderenswaardige wijze uit een diep dal heeft gewerkt en dat hij zich met de mogelijkheden die hij op dit moment heeft naar behoren inspant om zijn perspectief op de arbeidsmarkt verder te verbeteren. Omdat hij in juli 2020 is geslaagd voor het examen rijinstructeur (waardoor hij zijn lesbevoegdheid weer kan uitoefenen), heeft [appellant] zijn kansen op beter betaald en fulltime werk vergroot. Ook spreekt voor hem dat hij de nodige hulp heeft ingeroepen voor met name zijn financiële problemen, dat hij sinds april 2019 een zelfstandige woning heeft waarin hij wekelijks omgang met zijn dochter heeft en dat hij, afgaande op de crediteurenlijst, al enige tijd geen nieuwe consumptieve schulden heeft laten ontstaan, hoewel hij lange tijd dakloos was.
Onder deze omstandigheden kan worden aangenomen dat [appellant] in voldoende mate de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen en dat hij voldoende greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in het verleden in financiële problemen hebben gebracht.

Daarnaast heeft het hof, anders dan de rechtbank, er ook voldoende vertrouwen in dat [appellant] aan zijn verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling zal kunnen voldoen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat op grond van de stukken en hetgeen hierover door [appellant] op de zitting naar voren is gebracht, onvoldoende aanwijzingen bestaan voor een actueel of recent verslavingsprobleem bij [appellant] .
Tot slot is door het voorwaardelijk sepot (nagezonden stuk van mr. Keet op 23 september 2020) een mogelijke veroordeling van [appellant] wegens overtreding van de Opiumwet van de baan, ervan uitgaande dat [appellant] zich aan de gestelde voorwaarde houdt (wat gezien het voorgaande voldoende aannemelijk is), zodat ook dit geen belemmering is om [appellant] tot de schuldsaneringsregeling toe te laten.

3.7

Het hoger beroep slaagt. Het hof zal beslissen als hierna te melden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 2 juli 2020 en, opnieuw recht doende:

verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [appellant] .

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Engberts, D.M.I. de Waele en J.G.B. Pikkemaat, en is op 28 september 2020 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.