Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7715

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
Wahv 200.241.983/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bebording aanwezig? Gegevens van twee jaar vóór en drie maanden ná de constatering tonen onvoldoende aan dat op de dag van de constatering deugdelijke bebording aanwezig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.241.983/01

CJIB-nummer

: 207767029

Uitspraak d.d.

: 25 september 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Noord-Holland van 29 juni 2018, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd

van € 197,- voor: “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom,

met 22 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 mei 2017 om 20:39 uur op de Heilooër Tolweg in Alkmaar met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .

2. De gemachtigde van de betrokkene betwist de plaatsing van de juiste bebording. De kantonrechter heeft geoordeeld, hetgeen in het verweerschrift van de advocaat-generaal wordt onderschreven, dat de plaatsing van de bebording niet expliciet door de gemachtigde is betwist, zodat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de mededeling van de ambtenaar in het zaakoverzicht dat de toegestane snelheid ter plaatse 70 km/uur bedraagt. Ten onrechte, aldus de gemachtigde.

3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde reeds in zijn aan de officier van justitie gerichte motivering in het kader van het administratief beroepschrift van 20 juli 2017 stelt dat de betrokkene de plaatsing van de juiste bebording betwist, terwijl de aanwezigheid van die bebording cruciaal is om de gedraging vast te kunnen stellen. Uit het verslag met betrekking tot het horen van de gemachtigde op 10 november 2017 door (een vertegenwoordiger van) de officier van justitie blijkt dat de gemachtigde herhaalt dat de plaatsing van de juiste bebording expliciet wordt betwist. Dit betekent dat de gemachtigde, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld en de advocaat-generaal heeft onderschreven, de aanwezigheid ter plaatse van deugdelijke bebording heeft betwist op een wijze die weerlegging behoeft.

4. Het is vaste rechtspraak van het hof dat een betwisting van de aanwezigheid van

(deugdelijke) bebording bij snelheidsovertredingen waarbij de gedraging op geautomatiseerde wijze is vastgesteld door apparatuur die in een vaste flitspaal is gemonteerd (vgl. het arrest van het hof van 25 september 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:8537), slechts kan worden weerlegd aan de hand van stukken, zoals een proces-verbaal of schouwrapporten, die aannemelijk maken dat ten tijde van de constatering wél deugdelijke bebording aanwezig was.

5. Voor zover hier van belang heeft de kantonrechter in dat verband (ten overvloede) overwogen dat de ter plaatse geldende toegestane snelheid uit het op de foto met betrekking tot de vastgestelde gedraging aanwezige bord A1 blijkt. De advocaat-generaal heeft hier aan toegevoegd dat de aanwezigheid van het bord A1 ten tijde van het vaststellen van de gedraging ook uit de in het zaakoverzicht opgenomen feitcode kan blijken. Daarnaast heeft de advocaat-generaal bij verweerschrift twee via Google Maps verkregen foto’s bij de gedingstukken gevoegd. Deze foto’s, respectievelijk van juli 2015 en september 2017, leveren, aldus de advocaat-generaal, geen aanknopingspunten op om te veronderstellen dat er wijzigingen hebben plaatsgevonden met betrekking tot de plaatsing van het bord A1, dan wel dat het bord verwijderd is geweest, in de periode voor en na het constateren van de gedraging. Het in het kader van het administratief beroep ingebrachte schouwrapport van 8 juli 2015 levert daartoe evenmin een aanknopingspunt op, aldus de advocaat-generaal.

6. Het hof is van oordeel dat het dossier niet de voor de vaststelling van de gedraging noodzakelijke informatie bevat omtrent de aanwezigheid van deugdelijke bebording ten tijde van het vaststellen van de gedraging. Op de zich in het dossier bevindende foto van de gedraging, waarop het voertuig van de betrokkene is te zien, is weliswaar een bord A1 zichtbaar, maar dit bevindt zich op een plaats welke is gelegen ná de locatie waar de gedraging is vastgesteld. De door de advocaat-generaal via Google Maps verkregen foto’s zijn in dit verband ook niet afdoende. Weliswaar blijkt uit deze foto’s de aanwezigheid van een bord A1 ter plaatse, doch deze foto’s zien op de situatie bijna twee jaren vóór en tenminste drie maanden ná de gedraging. Dat is niet afdoende om te kunnen oordelen dat er sprake was van deugdelijke bebording ten tijde van het vaststellen van de gedraging. Het schouwrapport van 8 juli 2015 maakt dat niet anders. Bij gebreke van afdoende informatie is

naar het oordeel van het hof niet met voldoende zekerheid komen vast te staan dat de maximum-snelheid ten tijde van de gedraging behoorlijk was aangegeven. Dit betekent dat onvoldoende is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof zal de inleidende beschikking daarom vernietigen. Het tot zekerheid gestelde bedrag moet worden gerestitueerd.

7. Nu de betrokkene in het gelijk wordt gesteld, komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Aan de (als nadere toelichting op het beroep te beschouwen) reactie op de door de advocaat-generaal overgelegde informatie, moet een halve punt worden toegekend. Aan het telefonisch horen in administratief beroep dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht het voor het horen door de officier van justitie toegekende hele punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1050,- (= 4 x € 525,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1050,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.