Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:771

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-01-2020
Datum publicatie
18-02-2020
Zaaknummer
200.250.833
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzegging van verzekering; zorgplicht oude en nieuwe assurantietussenpersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.250.833

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, sector kanton, NL17-14638)

arrest van 28 januari 2020

in de zaak van

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Veerkracht Asbest B.V.,
gevestigd te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Veerkracht Sloop B.V.,
gevestigd te Utrecht,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk: Veerkracht,

advocaat: mr. M.W. Kox,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Boval Assurantiën B.V.,

gevestigd te Badhoevedorp,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Boval,

advocaat: mr. W. van Dijk.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 januari 2019 hier over. Naar aanleiding daarvan heeft op 27 maart 2019 een comparitie van partijen plaatsgevonden.

1.2

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord.

1.3

Het hof heeft vervolgens arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in r.o. 2.1 t/m 2.6 van het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 6 juni 2018.

3. De beoordeling

3.1

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

Veerkracht heeft via assurantietussenpersoon Boval diverse verzekeringen afgesloten. Op enig moment heeft Veerkracht besloten een nieuwe assurantietussenpersoon (de heer [A] , hierna: [A] ) in te schakelen en de verzekeringen voor zijn bedrijf via [A] bij andere verzekeraars onder te brengen. [A] heeft de via Boval lopende verzekeringen medio 2016 schriftelijk opgezegd, op een zgn. inkomenspakketverzekering na. Dit pakket bevatte onder andere een verzuimverzekering (hierna: de Verzekering). De heer [B] van Veerkracht (hierna: [B] ) heeft in december 2016 mondeling met de heer [C] van Boval (hierna: [C] ) besproken dat Veerkracht niet akkoord ging met een voorstel van Boval voor verlenging van de Verzekering. Daarbij heeft [B] (volgens het emailbericht van [C] van 7 maart 2017) gezegd dat hij inmiddels een andere partij opdracht had gegeven een en ander in gang te zetten. Boval heeft naast deze mondelinge mededeling geen schriftelijke opzegging van de Verzekering ontvangen. Omdat de Verzekering niet is op gezegd, is deze ook na 1 januari 2017 blijven doorlopen, naast een door Veerkracht via [A] per 1 januari 2017 gesloten verzekering elders, zodat vanaf dat moment sprake was van een samenloop van verzekeringen.

Boval heeft met betrekking tot de Verzekering op 3 januari 2017 voor de periode 1 januari-1 april 2017 een factuur gestuurd voor een bedrag van € 13.754,15, die Veerkracht niet heeft betaald. Op 7 maart 2017 heeft [B] [C] gevraagd het niet verlengen van de Verzekering ook aan de administratie van Boval en de ondersteuning van de Arbodienst door te geven, omdat Veerkracht nog facturen en aanmaningen voor de Verzekering ontving. [B] heeft in zijn mailbericht gerefereerd aan het feit dat [C] en hij het niet verlengen van de Verzekering in december mondeling hadden besproken, waarbij hij schrijft ervan uitgegaan te zijn dat [C] een en ander intern kort zou sluiten. Bij mail van diezelfde dag heeft [C] geantwoord dat het niet voortzetten van de Verzekering inderdaad door hen in december mondeling besproken is, maar dat [C] ervan was uitgegaan dat de door Veerkracht ingeschakelde nieuwe partij voor een schriftelijke opzegging van de Verzekering zou zorgen. Op 23 maart 2017 heeft Boval een volgende factuur gestuurd, voor de periode 1 april-1 juli 2017.

In deze procedure heeft Boval betaling van haar facturen (tot een bedrag van maximaal € 25.000) gevorderd. De kantonrechter heeft de vordering van Boval toegewezen. Daartegen heeft Veerkracht in hoger beroep een aantal bezwaren naar voren gebracht. Naar het oordeel van het hof is een deel van die bezwaren terecht aangevoerd. Hierna wordt uitgelegd hoe het hof tot dit oordeel komt.

3.2

Voor zover Veerkracht in hoger beroep het verweer voert dat zij de verzekering schriftelijk en op tijd heeft opgezegd, verwerpt het hof dat verweer. Dit verweer is onvoldoende gemotiveerd gebleven, met name gelet op de stelling van Boval dat zij geen opzegging heeft ontvangen en de mededeling van [B] op de comparitie dat hij de opzegging heeft ondertekend, maar deze bij [A] op kantoor is blijven liggen vanwege het overlijden van een medewerker. Zonder nadere uitleg, die Veerkracht niet heeft gegeven, moet er dus vanuit worden gegaan dat de Verzekering niet tijdig schriftelijk is opgezegd, zodat deze ook vanaf januari 2017 is blijven doorlopen.

3.3

Ook het verweer van Veerkracht dat Boval voor schriftelijke opzegging van de verzekeringsovereenkomst had moeten zorgen nadat [B] in december mondeling met [C] had besproken dat hij de Verzekering niet wilde voortzetten, wordt verworpen. [C] heeft geschreven dat [B] bij die gelegenheid tegen hem heeft gezegd dat hij inmiddels een andere assurantietussenpersoon had ingeschakeld. In principe mocht [C] er daarom in december 2016 vanuit gaan dat Veerkracht werd bijgestaan door een nieuwe, ter zake deskundige, assurantietussenpersoon. Veerkracht heeft niet gemotiveerd betwist dat, zoals [C] heeft geschreven in zijn mail van 7 maart 2017, normaal gesproken zo’n nieuwe partij de tijdige opzegging van de oude verzekering regelt. Het had op de weg van Veerkracht gelegen om uit te leggen -in het bijzonder gelet op de erkenning dat [A] die opzegging kennelijk ook op zich genomen had, maar de opzegging door omstandigheden op zijn kantoor was blijven liggen- waarom Veerkracht desondanks mocht verwachten dat Boval voor schriftelijke opzegging van de Verzekering zou zorgen. Het kennelijk onbedoeld niet versturen van de schriftelijke opzegging komt in de verhouding tussen Veerkracht en Boval voor rekening van Veerkracht, omdat dit een fout betreft van [A] , die door Veerkracht was ingeschakeld.

3.4

Veerkracht heeft zich verder (subsidiair) op het standpunt gesteld dat uit het mailbericht van 7 maart 2017 van [B] aan [C] (overgelegd als bijlage 1 bij brief van 20 april 2018) duidelijk kan worden afgeleid dat Veerkracht de Verzekering op dat moment in elk geval wilde opzeggen Dit verweer slaagt. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking.

3.5

Vooropgesteld moet worden dat Boval als assurantietussenpersoon op grond van artikel 7:401 BW tegenover haar opdrachtgever verplicht is om bij haar werkzaamheden de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon verwacht mag worden. Het is haar taak te waken voor de belangen van de verzekeringsnemers bij de tot haar portefeuille behorende verzekeringen (zie o.a. HR 10 januari 2003, NJ 2003, 375).

3.6

Boval heeft onvoldoende aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat de omstandigheid dat Veerkracht inmiddels door [A] werd bijgestaan haar geheel heeft ontslagen van haar verplichting om te waken voor de belangen van Veerkracht met betrekking tot de Verzekering. Weliswaar mocht Boval in december 2016 nog verwachten dat de nieuwe assurantietussenpersoon op tijd voor opzegging van de Verzekering zou zorgdragen (zie r.o. 3.3). Die verwachting was echter niet meer gerechtvaardigd op het moment dat was gebleken dat de nieuwe assurantietussenpersoon dit had verzuimd en na ontvangst van het emailbericht van [B] van 7 maart 2017, op grond waarvan het ontstane misverstand in ieder geval moet zijn opgehelderd. In dat emailbericht heeft [B] namens Veerkracht Boval immers uitdrukkelijk en schriftelijk verzocht om de in december 2016 mondeling al besproken wens de Verzekering niet te verlengen aan de administratie van Boval en de Arbo door te geven.

Voor zover [C] het mailbericht van 7 maart 2017 van [B] al niet had moeten begrijpen als schriftelijke opzegging van de verzekering, had het op de weg van [C] gelegen om uitdrukkelijk in zijn antwoordmail te schrijven dat ook na de mail van 7 maart 2017 nog een nadere schriftelijke mededeling noodzakelijk was om in ieder geval alsnog voor opzegging van de verzekering te zorgen en wat die mededeling precies moest inhouden. Het hof vindt daarvoor onvoldoende dat [C] heeft geschreven: ‘Tot op heden hebben wij echter geen opzegging mogen ontvangen’. Een redelijk handelend en redelijk bekwaam tussenpersoon dient zich er in een dergelijke situatie van te verzekeren dat niet wederom een misverstand ontstaat. Het lag ook op de weg van [C] om hiernaar nog eens specifiek navraag te doen in de periode na 7 maart, toen hij niet (alsnog) de door hem bedoelde nadere schriftelijke opzegging van [B] of [A] had ontvangen.

[C] heeft in zijn mailbericht niet aangegeven dat Veerkracht van hem niets meer kon verwachten om het probleem met betrekking tot de samenloop van verzekeringen op te lossen. In tegendeel, aan het slot van de mail schrijft [C] : ‘Om e.e.a. op te kunnen lossen voor je, ontvang ik graag een kopie van de nieuwe polis, zodat ik daarmee in ieder geval aan kan tonen dat er een nieuwe polis gesloten is en jij dus ook de intentie had om de polis bij ons op te zeggen’.

Nu [C] op de hoogte was van het kennelijke verzuim van [A] , [B] inmiddels mondeling en schriftelijk de wens had geuit de Verzekering niet voort te zetten en [C] in zijn mail had aangegeven welke informatie hij nodig had om te proberen het probleem voor het verleden op te lossen, behoefde Veerkracht niet te verwachten dat de verzekering ook na deze mail van [C] nog zou doorlopen en dus ook voor de toekomst nog problemen zouden ontstaan. Door geen enkele nadere actie te ondernemen op dit punt heeft Boval niet gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon.

Een en ander leidt tot de conclusie dat van opzegging door Veerkracht per 7 maart 2017 moet worden uitgegaan. Het doorlopen van de Verzekering moet (na het verstrijken van de geldende opzegtermijn) vanaf 8 april voor rekening van Boval blijven.

3.7

Ten overvloede merkt het hof op dat dit oordeel wordt ondersteund door de stelling van Veerkracht dat de heer [C] op 28 maart per mail aan Veerkracht heeft bevestigd dat er via Boval nu niets meer liep en dat hun samenwerking hierbij stopte. De betreffende mail ontbreekt in het dossier, maar Boval heeft de gestelde inhoud daarvan niet betwist.

3.8

Boval heeft onvoldoende onderbouwd dat de Verzekering niet elke maand, maar slechts na twaalf maanden opzegbaar was. De mededeling dat het verzuimverzekeringspakket bij verschillende verzekeraars was ondergebracht en de polisvoorwaarden van een van hen, Felison Assuradeuren, geen maandelijkse opzeggingsmogelijkheid kende, is niet voldoende om aan te nemen dat de Verzekering niet maandelijks kon worden opgezegd. Uit artikel 9.1 van de Algemene Voorwaarden, (door Boval overgelegd als Bijlage 2 voorafgaand aan de comparitie bij de kantonrechter), waarnaar Boval ter onderbouwing van deze stelling verwijst, volgt die conclusie niet.

Voor zover het opzeggen daadwerkelijk voor enig gedeelte niet mogelijk was, had het bovendien op de weg van Boval gelegen om concreet aan te voeren voor welk specifieke gedeelte van de Verzekering dat gold. Dat heeft zij niet gedaan. Het vaststaande feit dat de Verzekering vervolgens per 1 juli 2017 alsnog geheel is beëindigd lijkt overigens ook het standpunt van Boval niet te ondersteunen. Het lag op de weg van Boval om haar betoog nader en voldoende concreet te onderbouwen. Omdat verdere toelichting ontbreekt gaat het hof er van uit dat de Verzekering maandelijks opzegbaar was.

3.9

Boval heeft nog aangevoerd dat als al een opzegtermijn van een maand gold, de verzekering in ieder geval nog gedurende de maand april zou voortduren. Het had op de weg van Boval gelegen om concreet aan te geven waaruit volgt dat in dit concrete geval de opzegtermijn van een maand bijna twee maanden zou duren. Nu Boval heeft nagelaten om duidelijk te maken waaruit dit volgt, gaat het hof van de juistheid van deze stelling niet uit.

3.10

De stelling van Boval dat het op de weg van Veerkracht lag om premierestitutie te vragen bij de nieuwe verzekeraar, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu ook deze stelling onvoldoende is onderbouwd. Zo ontbreekt de toelichting van de kant van Boval dat de nieuwe verzekeraar daartoe verplicht of bereid zou zijn, maar de oude niet. Voor zover Boval dit bedoelt te baseren op een chronologisch beginsel, op grond waarvan alleen de eerste verzekeraar risico heeft gelopen, is onvoldoende onderbouwd waarom dat in dit geval van toepassing is. Uit de wettelijke regeling volgt dit niet, nu art.7:961 BW de verzekerde de keuze geeft welke verzekeraar hij wenst aan te spreken voor zijn schade. Bij gebrek aan een nadere onderbouwing gaat het hof dan ook aan deze stelling van Boval voorbij.

3.11

De grief van Veerkracht tegen toewijzing van de wettelijke handelsrente mist doel. Een aanspraak van een verzekeraar jegens een verzekeringnemer wegens te late betaling van verzekeringspremie betreft een vordering waarop artikel 6:119a BW mede betrekking heeft.

3.12

Veerkracht heeft ook een grief gericht tegen toewijzing van de buitengerechtelijke kosten. Volgens Veerkracht heeft de kantonrechter deze ten onrechte berekend op basis van de veronderstelling dat Veerkracht over de periode van 1 januari 2017 t/m 1 juli 2017 verzekeringspremies verschuldigd is. Gelet op het hierboven al gegeven oordeel dat van opzegging per 7 maart 2017 moet worden uitgegaan, slaagt de grief voor zover de buitengerechtelijke kosten zijn berekend over het gevorderde totaalbedrag. Op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bedragen de buitengerechtelijke incassokosten over het toegewezen deel van de vordering € 913,35.

4 Slotsom

4.1

De grieven slagen deels. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Het hof zal Veerkracht veroordelen tot betaling van een bedrag van € 13.835,55 (€ 13.754,15 + (7/91 x 13.754,15=) 81,40), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 13.754,15 vanaf 2 februari 2017 en over € 81,40 vanaf 22 april 2017. Voorts zal Veerkracht worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 913,35 aan buitengerechtelijke incassokosten.

4.2

Het hof ziet in de uitkomst van het hoger beroep aanleiding de proceskostenveroordeling zowel in eerste aanleg als van het hoger te compenseren zodanig dat ieder de eigen proceskosten betaalt.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 6 juni 2018 en, opnieuw recht doende:

veroordeelt Veerkracht hoofdelijk tot betaling aan Boval van € 13.835,55, te vermeerderen met wettelijke handelsrente over € 13.754,15 vanaf 2 februari 2017 en over € 81,40 vanaf 22 april 2017, alsmede tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 913,35;

compenseert de proceskosten, zowel voor wat betreft de procedure in eerste aanleg als voor wat betreft de procedure in hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.B. Beekhoven van den Boezem, I. Brand en A. Ernes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2020.