Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7700

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
21-004818-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen. De benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004818-18

Uitspraak d.d.: 21 september 2020

VERSTEK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 21 augustus 2018 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-047301-18 en 16-051425-18,

16-066016-18, 16-074713-18, 16-104158-18, 16-135069-18, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van verdachte van het tenlastegelegde onder parketnummer 16-074713-18 en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met aftrek van het voorarrest ter zake van de overige tenlastegelegde feiten. Daarnaast is gevorderd de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 21 augustus 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met aftrek van het voorarrest.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen, behalve voor zover het de beslissing ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen betreft. Ten aanzien daarvan komt het hof deels tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Vorderingen van de benadeelde partijen

[benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.290,74. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard met veroordeling van verdachte in de kosten van de benadeelde partij, te weten de taxatiekosten begroot op € 90,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en het bedrag van haar oorspronkelijke vordering met € 1.000,- verlaagd.

[benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.268,44. Ter zitting van de politierechter heeft de benadeelde partij verklaard dat de schade door de verzekering is vergoed, maar dat hij hiermee alsnog is benadeeld met een bedrag van € 600,- vanwege het teruggaan van vier jaren in schadevrije jaren. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is ten aanzien van beide vorderingen van oordeel dat onvoldoende duidelijk dan wel onderbouwd is welke kosten van het in eerste aanleg gevorderde bedrag in hoger beroep nog aan de orde zijn, zodat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partijen kunnen daarom thans in hun vorderingen niet worden ontvangen en kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. L.J. Bosch, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. R.R.H. Laurens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Verstraaten, griffier,

en op 21 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. R.R.H. Laurens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.