Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7694

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
Wahv 200.240.880/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rijden door rood. Hoewel de ambtenaar geen zicht had op het verkeerslicht dat voor de betrokkene gold, kon hij in dit geval concluderen dat dit op rood moet hebben gestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.240.880/01

CJIB-nummer

: 202475936

Uitspraak d.d.

: 24 september 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekeurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 oktober 2016 om 16:11 uur op de Radarweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [Y000YY] .

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de ambtenaar in tegenovergestelde richting voor een ander dan het voor de betrokkene bestemde verkeerslicht stond te wachten. Gezien de ambtenaar tegenover de betrokkene stond, aan de andere kant van de (andere) weg, heeft de ambtenaar nooit de kleur van het voor de betrokkene bestemde verkeerslicht kunnen zien. Er is niet gebleken van enig onderzoek naar de werking van de verkeersinstallatie.

3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik stond op hetzelfde fietspad aan de Radarweg te wachten voor het rode verkeerslicht in tegenovergestelde richting van betrokkene. Ik verbalisant heb duidelijk gezien dat op het moment dat de betrokkene overstak het driekleurig verkeerslicht op rood stond en ook al enige tijd.”

5. In een aanvullend proces-verbaal van 3 september 2018 verklaart de ambtenaar – voor zover hier relevant – als volgt:
“Ik stond voor het rode verkeerslicht te wachten op het fietspad dat parellel loopt aan de Radarweg en keek in de richting van de Donauweg. (…) Ik zag een bromfiets aan komen rijden op hetzelfde fietspad maar vanuit de tegenovergestelde richting, tevens zag ik dat het kruisende verkeer op de Basisweg aan het rijden was en vanaf het fietspad had ik tevens zicht op de verkeerslichten voor het kruisende verkeer dat kwam richting Homweg. Ik zag dat de verkeerslichten voor deze voertuigen op groen stonden. Ik zag een voertuig die kwam uit de richting Homweg en wilde afslaan naar de Radarweg in de richting van de Donauweg. (…) Ik zag dat op hetzelfde moment de bromfiets doorreed en de kruising op kwam, deze moest daarbij het afslaande voertuig ontwijken (…). Ik had geen direct zicht op het verkeerslicht aan de overzijde van het fietspad, maar gezien het aan mijn zijde op rood stond en de verkeerslichten voor het kruisende verkeer op groen stonden, lijkt me dat een duidelijke indicatie om aan te nemen dat het verkeerslicht aan de overzijde van hetzelfde fietspad op rood stond. Ook het rijdende kruisende verkeer lijkt mij een duidelijke indicatie.”

6. De ambtenaar heeft verder een foto van Google Maps bijgevoegd waarop hij heeft aangegeven wat zijn positie was, de positie van het voertuig van de betrokkene en die van het afslaande voertuig.

7. Anders dan de gemachtigde kennelijk meent, is voor het opleggen van een sanctie voor het niet stoppen voor een rood verkeerslicht niet vereist dat een ambtenaar rechtstreeks zicht heeft op het verkeerslicht dat voor de betrokkene geldt. Wel moet hetgeen de ambtenaar omtrent zijn waarneming verklaart, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat het rode verkeerslicht is genegeerd.

8. Het hof is van oordeel dat het op basis van de gegevens van de ambtenaar niet anders kan dan dat het voor de betrokkene uitstralende verkeerslicht op rood stond. De ambtenaar stond namelijk aan de andere kant van hetzelfde fietspad als die van de betrokkene en het verkeerslicht waar de ambtenaar zicht op had stond op rood. Daarbij komt dat de ambtenaar heeft gezien dat het verkeerslicht van het kruisende verkeer op groen stond en de betrokkene het afslaande verkeer moest ontwijken. Naar het oordeel van het hof kan daarom worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

9. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard.

10. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval aanleiding voor vergoeding van proceskosten in administratief beroep. De officier van justitie heeft de feitcode immers gewijzigd en daarmee is de betrokkene in administratief beroep in het gelijk gesteld. De kantonrechter heeft dit niet onderkend. De beslissing van de kantonrechter moet in zoverre worden vernietigd. Aan het indienen van het administratief punt moet 1 punt worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen door de officier van justitie moet 1 punt worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof het laatste punt met gebruikmaking van de bevoegdheid van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht halveren. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 393,75 (= 1,5 x € 525,- x 0,5).

11. Nu de betrokkene in hoger beroep niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek om vergoeding van proceskosten in hoger beroep afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding is toegekend voor de fase van het administratief beroep;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 393,75;

bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten in hoger beroep af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.