Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7648

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
Wahv 200.240.178/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen de gedraging 'niet de rijbaan gebruiken' en parkeerovertredingen bestaat geen generalis/specialis-verhouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.240.178/01

CJIB-nummer

: 205349211

Uitspraak d.d.

: 23 september 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 7 maart 2018, betreffende

[de betrokkene] V.O.F. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, deze beslissing vernietigd en de feitcode in de inleidende beschikking gewijzigd in R401. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder, na wijziging door de kantonrechter, bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “als bestuurder een voertuig parkeren in een parkeerschijfzone (niet op zodanige parkeerplaats/langs blauwe streep) (feitcode R401)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 11 februari 2017 om 17:08 uur op de Krikkenstraat in Almelo met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

2. Deze gedraging betreft een overtreding van artikel 25, eerste lid, van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) dat luidt:

“Het is verboden in een parkeer-schijfzone te parkeren, behalve op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven of plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep. (…)’’

3. Uit de tekst van artikel 25, eerste lid, van het RVV 1990 volgt derhalve dat het parkeren bij een blauwe streep of op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven, uitzonderingen zijn op het verbod om in een parkeerschijfzone te parkeren. Hieruit volgt dat binnen een parkeerschijfzone onder andere niet buiten de daarvoor aangewezen parkeervakken geparkeerd mag worden.

4. De gemachtigde voert aan dat de verweten gedraging te zeer gewijzigd is, nu de kantonrechter de feitcode heeft gewijzigd. Bovendien zou de wijziging niet juist zijn. In het onderhavige geval is er volgens de gemachtigde sprake van de lex specialis “niet de rijbaan gebruiken”. De gemachtigde stelt dat feitcode R315B gebruikt had moeten worden. Voor het nogmaals wijzigen van de feitcode is het echter te laat. Daarnaast blijkt uit het aanvullend proces-verbaal en ook overigens uit het dossier niet dat de bebording ten tijde van de gedraging aanwezig was, zodat niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

6. In het aanvullend proces-verbaal van 19 oktober 2017 verklaart de ambtenaar onder meer het volgende op ambtsbelofte:

“De Krikkenstraat ligt binnen een parkeerschijfzone. De zone, ook wel aangeduid als “blauwe zone’’, wordt aangegeven middels borden E10, van de bijlage I, RVV 1990, waarbij het woord “zone’’ is aangebracht zonder aanduiding van een gebied. Deze borden zijn geplaatst door het daartoe bevoegde gezag, langs alle wegen die naar dit gebied leiden. Binnen voornoemde parkeerschijfzone is het verboden te parkeren met uitzondering in aangegeven parkeervakken of langs een blauwe streep. Betrokkene had zijn motorvoertuig geparkeerd buiten de aangegeven vakken, niet langs een in deze zone aangebrachte blauwe streep, hetgeen hier echter niet van toepassing was, daar in de Krikkenstraat bewust geen blauwe belijning is aangebracht om het parkeren van motorvoertuigen tegen de gaan. (…)”

7. Bij het aanvullend proces-verbaal zijn enkele foto’s gesloten. Te zien is dat het voertuig van de betrokkene deels op het trottoir en deels op de rijbaan staat. Verder heeft de ambtenaar een foto van het E10-bord overgelegd.

8. Gelet op de stukken in het dossier, staat dan ook vast dat artikel 25, eerste lid, van het RVV 1990 is overtreden. Het voertuig stond buiten de parkeervakken geparkeerd en stond, gelet op de verklaring van de ambtenaar, evenmin langs een blauwe streep geparkeerd. Dat uit het aanvullend proces-verbaal niet blijkt dat ten tijde van de gedraging bebording aanwezig was, volgt het hof niet. De ambtenaar verklaart immers dat de parkeerschijfzone is aangegeven middels borden E10 en dat deze borden langs alle wegen staan die naar dit gebied leiden. De gemachtigde heeft ook niet aangegeven welke route de betrokkene heeft gereden en (inherent daaraan) bij welke toegangsweg geen bord E10 stond. Het hof twijfelt dan ook niet aan de juistheid van de bebording. Dat de onder 1. vermelde gedraging is verricht, staat dan ook vast.

9. Ten aanzien van de stelling van de gemachtigde dat de feitcode R315 een lex specialis is ten opzichte van feitcode R401, merkt het hof het volgende op. Het hof stelt in de eerste plaats voorop dat de ambtenaar een discretionaire bevoegdheid heeft om te kiezen tussen gedragingen. Tussen de feiten als omschreven onder feitcode R401 en feitcode R315B is, anders dan de gemachtigde meent, geen sprake van een lex specialis situatie, waarin één van de twee feitcodes een speciale feitcode is ten opzichte van een andere algemene feitcode. Het hof wijst in dit verband erop dat artikel 10 van het RVV 1990 is opgenomen in de paragraaf “Plaats op de weg’’ en artikel 25 van het RVV 1990 in de paragraaf "Parkeren" en dat de bepalingen in die paragrafen verschillende strekkingen hebben. Derhalve faalt het verweer.

10. Voor zover hij stelt dat de kantonrechter niet tot wijziging van de feitcode mocht overgaan, wijst het hof erop dat het volgens vaste rechtspraak geoorloofd is om de feitcode te wijzigen indien een betrokkene daardoor niet in zijn verdedigingsbelangen wordt geschaad. Gesteld noch gebleken is dat de betrokkene door voornoemde wijziging in zijn verdedigingsbelang is geschaad.

Proceskosten

11. De gemachtigde voert verder, tot slot, nog aan dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend.

12. Bij arrest van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft het hof - kort gezegd - overwogen dat voor een vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte kosten aanleiding is wanneer de betrokkene in het gelijk wordt gesteld. Dat is in de regel het geval als de inleidende beschikking, waarbij de sanctie is opgelegd, wordt vernietigd of - en daar wijkt dit arrest af van eerder genoemd arrest van 1 mei 2019 - als de inleidende beschikking wordt gewijzigd op het punt van de hoogte van het bedrag van de sanctie, de omschrijving van de gedraging of de feitcode.

13. Gelet op voornoemd arrest van 28 april 2020 is er in dit geval aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de in de procedure bij de kantonrechter gemaakte kosten. Dit betekent dat de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van de afwijzing van proceskosten niet in stand kan blijven. Het hof zal, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, bepalen dat aan de betrokkene een proceskostenvergoeding wordt toegekend voor de behandeling van het beroep bij de kantonrechter en de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 262,50

(= 1 x € 525,- x 0.5).

14. Nu de betrokkene niet in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, zoals bedoeld in het arrest van 28 april 2020, komen de proceskosten gemaakt in hoger beroep niet voor vergoeding in aanmerking.

15. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding is toegekend;

bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene in de procedure bij de kantonrechter, ter hoogte van in totaal € 262,50;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten in hoger beroep af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.