Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7612

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
200.261.728
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

6:248 lid 1 en 6:101 BW. Verpachter heeft tijdelijk toeslagrechten aan pachter overgedragen. In 2015 vraagt pachter geen betalingsrechten aan. Is pachter schadeplichtig? Nee, verpachter draagt eigen schuld en die stelt het hof op 100%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.261.728

(zaaknummer rechtbank Oost-Brabant 6461044)

arrest van de pachtkamer van 22 september 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R.J.H. van den Dungen.

1 Het verloop van de procedure bij de pachtkamer te ‘s-Hertogenbosch

Nadat de kantonrechter de zaak had verwezen naar de pachtkamer, heeft de pachtkamer op
1 maart 2018 een comparitievonnis gewezen en op 8 november 2018 een tussenvonnis. Nadat partijen aktes hadden genomen, heeft de pachtkamer een eindvonnis gewezen op 25 april 2019. Het hof verwijst naar die vonnissen voor het verloop van de procedure in eerste aanleg.

2 Het verloop van de procedure bij de pachtkamer van het hof

2.1

Dit verloop blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 21 mei 2019,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord, tevens van incidenteel hoger beroep met producties,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep,
- een akte van [geïntimeerde] en een antwoordakte.

2.2

Vervolgens hebben partijen de procesdossiers naar het hof opgestuurd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De beoordeling van het hoger beroep

Samenvatting en beslissing

3.1

[geïntimeerde] heeft als verpachter aan [appellant] als pachter ruim 12 ha grond verpacht. De goedgekeurde geliberaliseerde pachtovereenkomst duurde van 1 januari 2012 tot 31 december 2015. In de pachtovereenkomst is in artikel 18 bepaald dat [geïntimeerde] haar zeven toeslagrechten tijdelijk overdraagt aan [appellant] en dat [appellant] jaarlijks de uitbetaling van de toeslagrechten moet aanvragen. Daarna moet [appellant] de uitbetaalde toeslagrechten doorbetalen aan [geïntimeerde] . In 2015 zijn de betalingsrechten ingevoerd en de toeslagrechten vervallen. [geïntimeerde] heeft voor dat jaar bij RVO aangegeven dat zij betalingsrechten met een private overeenkomst aanvroeg, maar [appellant] heeft dat niet ook gedaan. Over de gepachte gronden heeft [geïntimeerde] toen geen betalingsrechten toegekend gekregen. Zij vindt dat dat te wijten is aan [appellant] en vordert daarom schadevergoeding van hem.

3.2

De pachtkamer heeft de schadevergoeding voor de helft toegewezen en voor de helft voor rekening van [geïntimeerde] gelaten op grond van eigen schuld. Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld. [geïntimeerde] heeft daarbij haar vordering verhoogd tot € 19.043,22, waartegen op zich geen bezwaar bestaat.

3.3

Het hof oordeelt dat [appellant] wel iets had moeten doen, maar dat de verpachter veel meer had moeten doen om de betalingsrechten toegekend en uitbetaald te krijgen. Anders dan de pachtkamer oordeelde, vindt het hof dat de schade niet voor 50%, maar voor 100% voor rekening van [geïntimeerde] moet blijven. Dat betekent dat [appellant] niets aan [geïntimeerde] hoeft te betalen. Hierna legt het hof uit waarom.

Uitleg pachtovereenkomst

3.4

In de pachtovereenkomst bepaalt artikel 18 (toeslagrechten), tweede lid, het volgende:
”De pachter is verplicht om in het betreffende jaar steeds voor 15 Mei voor de (…) toeslagrechten bedrijfstoeslag aan te vragen middels de Gecombineerde opgave van dat jaar. De uit de (…) toeslagrechten te verkrijgen bedrijfstoeslag komt te allen tijde toe aan de verpachter. Aan de verpachter komt de bruto bedrijfstoeslag minus de generieke korting(en) toe. De toepassing van een korting op de uitbetaling van de bedrijfstoeslag als gevolg van het niet op tijd aanvragen van uitbetaling en/of het niet voldoen aan de voorwaarden voor uitbetaling van toeslagrechten en/of het niet voldoen aan de randvoorwaarden van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid, komt voor rekening van de pachter. Het risico dat rechten vergroten, cq verkleinen als gevolg van overheidsingrijpen is voor verpachter.”

3.5

[geïntimeerde] voert aan dat hieruit de verplichting voor [appellant] volgt om bij de opvolger van de toeslagrechten, de betalingsrechten, ook die betalingsrechten aan te vragen en de uitbetaling ervan aan haar door te betalen. [appellant] bestrijdt dat. Het hof overweegt als volgt.

3.6

Beide partijen zijn bekend met de agrarische sector. De overgang van toeslagrechten naar betalingsrechten kon niemand in die sector ontgaan. Voor de toekenning van betalingsrechten waren bepaalde formaliteiten vereist en een tijdige aanvraag. [appellant] heeft daarover informatie ontvangen van RVO. De omvang van de betalingsrechten hing verder samen met de eerder verkregen toeslagrechten. De toeslagrechten zouden per 2015 vervallen. De pachtovereenkomst liep in dat jaar nog door, het was het laatste jaar. Bij deze stand van zaken had het op de weg van [appellant] gelegen om in elk geval in overleg te gaan met [geïntimeerde] . Dan hadden partijen kunnen bespreken of [geïntimeerde] en [appellant] allebei betalingsrechten zouden aanvragen in hun gecombineerde opgaven en hoe ze het zouden doen met de daarbij vereiste ‘private overeenkomst’. [appellant] heeft moeten begrijpen dat ook zijn inbreng als gebruiker van de gepachte grond nodig was om betalingsrechten aan [geïntimeerde] toegekend te krijgen. Op grond van artikel 18 van de pachtovereenkomst en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid1 had [appellant] dus op tijd contact met [geïntimeerde] moeten opnemen om te bespreken wat ze gingen doen in de veranderende omstandigheden. [appellant] heeft echter geen contact met [geïntimeerde] opgenomen; hij heeft helemaal niets gedaan. Daarom is hij toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de pachtovereenkomst.

3.7

De zinsnede in artikel 18 dat “het risico dat rechten vergroten, cq verkleinen als gevolg van overheidsingrijpen” voor rekening van verpachter komt, heeft [appellant] niet mogen begrijpen in de zin dat hij niets hoefde te doen. Het bedoelde overheidsingrijpen ziet redelijkerwijs ook niet op een stelselwijziging maar op het ingrijpen van de overheid in de regeling van de toeslagrechten of in de omvang of eigendom van de gepachte grond.

Eigen schuld 2

3.8

[geïntimeerde] had op haar beurt net zo goed contact kunnen opnemen met [appellant] . Maar zij heeft dat niet gedaan. Daar komt bij dat een goede gang van zaken die tot toekenning van betalingsrechten zou leiden, vooral in het belang van [geïntimeerde] was. Daarom lag het nog veel meer voor de hand dat zij zich van de medewerking van [appellant] zou verzekeren, dan andersom. Ook speelt mee dat de pachtovereenkomst kortdurend was en in 2015 zou aflopen. Zij moest zich voor de exploitatie van de pachtgronden daarna verzekeren van de bijbehorende rechten. [appellant] had alleen maar ingestemd met de tijdelijke overdracht van toeslagrechten en dat hij die zou verzilveren voor [geïntimeerde] ; hij deed dat niet voor zichzelf.

3.9

Verder vindt het hof dat [geïntimeerde] de schade had moeten beperken, maar ook dat heeft zij niet gedaan. Toen [geïntimeerde] wel, maar [appellant] niet in de gecombineerde opgave had aangegeven betalingsrechten aan te vragen op de gepachte grond, heeft RVO de aanvraag van betalingsrechten afgewezen. [geïntimeerde] heeft daarna niets gedaan. De pachtkamer heeft overwogen dat [geïntimeerde] een bezwaarprocedure had kunnen aanspannen tegen de afwijzende beschikking van RVO. Daarbij vond de pachtkamer een goede kans aanwezig dat het instellen van rechtsmiddelen tegen de beslissing van de RVO kans van slagen had3. In haar hoger beroep heeft [geïntimeerde] dit oordeel niet (voldoende) bestreden. Zij heeft alleen maar aangevoerd dat zij destijds advies had ingewonnen en op basis van dat advies geen bezwaar had ingediend. In de rechtsverhouding met [appellant] moet die keuze voor haar rekening blijven. Het hof moet er dus van uitgaan dat er een goede kans was dat de bezwaarprocedure tot het alsnog toekennen van de betalingsrechten had geleid.

3.10

Deze feiten en omstandigheden, die aan [geïntimeerde] zijn toe te rekenen, wegen bij elkaar voor het hof veel zwaarder dan het feit dat [appellant] ten onrechte geen contact heeft opgenomen met [geïntimeerde] . Ze hebben zozeer bijgedragen tot de schade dat het hof vindt dat [geïntimeerde] zelf de gevolgen moet dragen van het feit dat zij geen betalingsrechten over de gepachte gronden toegekend heeft gekregen. Dat betekent dat het hof de eigen schuld op 100% stelt. Er is geen aanleiding om op basis van de billijkheidscorrectie daarover anders te oordelen.

3.11

Bij deze stand van zaken hoeft het hof niet meer in te gaan op de vragen of [appellant] in verzuim is gebracht en wat de hoogte van de schadevergoeding is. Ook de andere stellingen en verweren van partijen kunnen onbesproken blijven. Ze leiden niet tot een ander oordeel.

Slotsom

3.12

Het hoger beroep van [appellant] slaagt en dat van [geïntimeerde] faalt. Het hof zal de vordering van [geïntimeerde] alsnog helemaal afwijzen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten van [appellant] bij de pachtkamer ‘s-Hertogenbosch stelt het hof vast op € 750 aan salaris advocaat (2,5 punten x tarief € 300) en bij het hof, in beide hoger beroepen, op € 101,06 aan explootkosten, op € 741 aan griffierecht en op € 1.879,50 aan salaris advocaat (1,75 punt x tarief II). Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de vonnissen van de pachtkamer te ‘s-Hertogenbosch (rechtbank Oost-Brabant) van 8 november 2018 en 25 april 2019 en doet opnieuw recht:

wijst de vordering van [geïntimeerde] alsnog helemaal af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraken aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 750 en tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 101,06 voor explootkosten, op € 741 voor griffierecht en op € 1.879,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, H.L. Wattel en D.H. de Witte en de deskundige leden ing. P. Kerkstra en ing. C.R.M. van Wijk-Francissen, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 september 2020.

1 Artikel 6:248 lid 1 BW

2 Artikel 6: 101 BW

3 Onder 4.10 in het vonnis van 8 november 2018 met verwijzing naar CBb 3 maart 2018, ECL1:NL:CBB:2018:105