Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7601

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
21-004635-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte op een (motor)scooter vlucht voor een motoragent en probeert tijdens zijn vlucht de motoragent te schoppen.

Het hof overweegt dat verdachte daarmee voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad.

Verdachte is door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden. Het hof acht die straf in beginsel te laag. Het hof zal echter geen hogere straf opleggen door de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof legt daarom dezelfde straf op als door de politierechter is opgelegd.

Anders dan de raadsvrouw is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een schending van de redelijke termijn, mede door de vertraging als gevolg van onderzoekshandelingen op verzoek van de verdachte en de vertraging door de landelijke maatregelen die zijn genomen in het kader van de bestrijding van het Corona-virus.

Anders dan de politierechter zal het hof ook de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde geldboete bevelen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/334
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004635-18

Uitspraak d.d.: 24 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 17 augustus 2018 met parketnummer 05-740569-17 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 05-105389-16, in de strafzaak tegen

[voornamen en achternaam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum, -plaats & -land] ,

wonende aan de [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. M. Hoekzema, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte veroordeeld ter zake van het primair ten laste gelegde feit.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring, een andere kwalificatie en tot een andere beslissing op de vordering tenuitvoerlegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:


Primair

hij op of omstreeks 28 november 2017, in de gemeente Berg en Dal, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om aan een politieambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, althans een persoon genaamd [naam politieagent] , motoragent, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een scooter rijdend met een snelheid van ongeveer 60 tot 90 kilometer per uur althans met hoge snelheid op de weg(en), Krayenhofflaan, Kauwstraat, Tunnelweg, Smetiusstraat, Kannenstraat, Waalkade, Voerweg, Ubbergseweg, N325 en/of Pompweg, meermalen althans eenmaal te schoppen en/of te trappen naar de zich naast hem, verdachte, op een politiemotor rijdende [naam politieagent] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


Subsidiair

hij op of omstreeks 28 november 2017, in de gemeente Berg en Dal, [naam politieagent] , motoragent, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk als bestuurder van een scooter rijdend met een snelheid van ongeveer 60 tot 90 kilometer per uur, althans met hoge snelheid op de weg(en), Krayenhofflaan, Kauwstraat, Tunnelweg, Smetiusstraat, Kannenstraat, Waalkade, Voerweg, Ubbergseweg, N325 en/of Pompweg, meermalen althans eenmaal geschopt en/of getrapt naar de zich naast hem, verdachte, op een politiemotor rijdende [naam politieagent] .

Overweging met betrekking tot het bewijs

Door de raadsvrouw van verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet degene is geweest die op de betreffende (motor)scooter heeft gezeten. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard en dat sprake is van vol opzet.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte primair gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Voor wat betreft het subsidiaire verweer van de raadsvrouw overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 28 november 2017 op de bewuste (motor)scooter reed en dat hij werd achtervolgd door verbalisant [naam politieagent] op zijn politiemotor. Tijdens deze achtervolging heeft verdachte op twee verschillende momenten in twee verschillende en niet in elkaar overlopende straten een schoppende beweging gemaakt in de richting van de motoragent terwijl verdachte en verbalisant op die momenten met een snelheid tussen de zestig en negentig kilometer per uur reden. De motoragent heeft daarop telkens een uitwijkmanoeuvre gemaakt en/of een noodremming gedaan. Het hof leidt hier uit af dat het in ieder geval niet aan verdachte is te danken dat de schoppende beweging de motoragent of zijn motorfiets niet heeft geraakt.

Het hof overweegt dat een motorfiets als een zwakke verkeersdeelnemer kan worden aangemerkt. Bij een val van een motorfiets, rijdend met de hiervoor genoemde snelheid, bestaat er een aanmerkelijke kans dat de bestuurder daarvan door die val of door de aanraking met wegmeubilair die het gevolg kan zijn van de val, op zijn minst zwaar lichamelijk letsel oploopt. Het hof overweegt verder dat een motorfiets een balansvoertuig is. Bij een verstoring van de balans van een motorfiets bestaat de aanmerkelijke kans dat de bestuurder van die motorfiets, al dan niet door (stuur)correcties van zijn motorrijtuig, ten val komt.

Verdachte heeft met zijn handelen geprobeerd om de balans van de motorfiets van de motoragent te verstoren. Verdachte heeft immers meerdere keren willen en wetens een schoppende beweging in de richting van de motoragent gemaakt. Die beweging is er naar het oordeel van het hof naar zijn uiterlijke verschijningsvorm op gericht om de motoragent en/of zijn motorfiets te raken en om die motoragent op die manier uit balans te halen. Het schoppen door verdachte is naar het oordeel van het hof dan ook zo zeer gericht op het ten val brengen van de motoragent, dat verdachte daarmee willen en wetens de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op de koop heeft toegenomen. Het hof acht het primair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Primair

hij op of omstreeks 28 november 2017, in de gemeente Berg en Dal, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om aan een politieambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, althans een persoon genaamd [naam politieagent] , motoragent, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een scooter rijdend met een snelheid van ongeveer 60 tot 90 kilometer per uur althans met hoge snelheid op de weg(en), Krayenhofflaan, Kauwstraat, Tunnelweg, Smetiusstraat, Kannenstraat, Waalkade, Voerweg, Ubbergseweg, N325 en/of Pompweg, meermalen althans eenmaal te schoppen en/of te trappen naar de zich naast hem, verdachte, op een politiemotor rijdende [naam politieagent] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De politierechter in de rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes maanden.

De raadsvrouw van verdachte heeft in het kader van de strafoplegging aangevoerd dat verdachte zijn leven op de rit probeert te krijgen, dat hij recent uit detentie is gekomen en dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een motoragent. De motoragent achtervolgde verdachte omdat hij geen helm droeg en verdachtes (motor)scooter niet was voorzien van een kentekenplaat. Verdachte heeft geprobeerd zich aan deze achtervolging te onttrekken. Daarbij heeft hij ernstig laakbaar verkeersgedrag getoond waaronder het rijden door rood verkeerslicht, het rijden over het trottoir en het rijden tegen de rijrichting. Tijdens die achtervolging heeft hij geprobeerd de motoragent te schoppen met het kennelijke doel om zijn achtervolger van hem af te schudden. Dat is een zeer ernstig feit waarmee verdachte heeft aangetoond zich niet te bekommeren om de veiligheid van de motoragent in het bijzonder, noch om de veiligheid van andere verkeersdeelnemers of om de verkeersregels. Het hof acht daarvoor in beginsel een gevangenisstraf van hogere duur dan door de politierechter is opgelegd passend en geboden. Daarnaast acht het hof de door de politierechter opgelegde bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes maanden passend en geboden.

Het hof heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 11 augustus 2020 waaruit blijkt dat verdachte regelmatig in aanraking is gekomen met politie en justitie ter zake van geweld tegen politieambtenaren. Het hof merkt echter op dat daaruit ook blijkt dat hij in de afgelopen twee jaren niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen voor nieuwe (soortgelijke) delicten. Wel is verdachte nog in beeld gekomen voor enkele verkeersdelicten. Dat alles pleit niet zonder meer voor strafmatiging.

Door de raadsvrouw van verdachte is aangevoerd dat hij in april 2020 uit detentie is gekomen na een veroordeling tot een gevangenisstraf van zesendertig maanden door het gerechtshof in Amsterdam en dat hij zijn leven op dit moment op de rit probeert te krijgen en te houden. Daartoe heeft zij erop gewezen dat hij op dit moment een woning en een uitkering heeft en dat hij bezig is om aan het werk te komen. Het hof stelt vast dat de documentatie van verdachte dit punt lijkt te onderschrijven maar merkt daartoe ook op dat het hof door de afwezigheid van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, zich geen oordeel kan vormen over deze positieve kentering in de situatie van verdachte. De situatie blijft naar het oordeel van het hof dan ook een zorgelijke maar het hof zal verdachte daarin vooralsnog het voordeel van de twijfel geven. Het hof zal derhalve strafmatigend meewegen dat verdachte iets van zijn leven probeert te maken.

Dat alles brengt het hof ertoe geen hogere straf op te leggen dan door de politierechter aan verdachte is opgelegd. Anders dan de advocaat-generaal acht het hof de straf die door de politierechter is opgelegd noodzakelijk om de ernst van het feit te benadrukken. Dat dient er mede toe om verdachte ervan te doordringen zich van dergelijk gedrag te onthouden. Het hof zal verdachte dan ook veroordelen tot dezelfde straf als de politierechter aan verdachte heeft opgelegd.

Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn in strafzaken. Het hof moet weliswaar vaststellen dat er bij het wijzen van dit arrest op 24 september 2020 meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het hoger beroep op 17 augustus 2018. In beginsel rechtvaardigt dat de constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken met een duur van ruim één maand. Het hof overweegt daartoe evenwel dat de vertraging in de behandeling van het hoger beroep voor het grootste deel het gevolg is geweest van de door en namens verdachte verzochte nadere onderzoekshandelingen. Na afloop daarvan in de maand juli van het jaar 2019 is de zaak gepland voor een inhoudelijke behandeling op 23 maart 2020. Die inhoudelijke behandeling heeft, door de landelijke maatregelen die zijn genomen in het kader van de bestrijding van het Corona-virus, geen doorgang kunnen vinden. Deze maatregelen hebben het plannen en behandelen van strafzaken in aanzienlijke mate beperkt. Het hof is daarom van oordeel dat deze situatie een zodanig uitzonderlijk bijzondere en onvoorzienbare omstandigheid betreft, dat de vertraging die daarvan het gevolg is niet in zijn geheel in het voordeel van verdachte kan of moet worden gerekend.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 19 augustus 2016 opgelegde voorwaardelijke geldboete, parketnummer 05-105389-16. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De politierechter heeft de vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen omdat het in dit geval om een andersoortig feit gaat dan waarvoor de voorwaardelijke geldboete is opgelegd.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging kan worden afgewezen.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich aangesloten bij het standpunt van de advocaat-generaal.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. In beginsel heeft dan te gelden dat de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf kan worden gelast. Anders dan de politierechter ziet het hof niet in waarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke geldboete niet zou moeten worden gelast. Het hof is van oordeel dat onderhavig feit geen zodanig ander feit betreft dan de wederspannigheid, waarvoor de voorwaardelijke straf is opgelegd, dat toewijzing om die reden achterwege zou moeten blijven. In dit geval heeft verdachte immers geprobeerd aan de politie te ontkomen, waarbij hij heeft gepoogd de verbalisant zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het hof zal daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde geldboete gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 45, 63, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, onder parketnummer 05-105389-16, te weten van: een geldboete van € 500,- (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. A. van Maanen, voorzitter,

mr. M.J. Vos en mr. R.R.H. Laurens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Maaren, griffier,

en op 24 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.