Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7549

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
Wahv 200.272.487/01 en 200.272.490/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet tegen dwangbevelen ongegrond. De beschikkingen en aanmaningen zijn verzonden naar het adres waarop de betrokkene in het handelsregister stond ingeschreven. Verhogingen treden van rechtswege in; de minister heeft daarin geen beleidsvrijheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2021/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.272.487/01 en 200.272.490/01

CJIB-nummer

: 216714808 en 215336394

Uitspraak d.d.

: 22 september 2020

Beschikking op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 28 november 2019, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .

De beschikking van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen op 18 oktober 2018 en 15 november 2018 uitgevaardigde dwangbevelen gegrond verklaard en die dwangbevelen en opgelegde verhogingen vernietigd.

Het verloop van de procedure

De Minister voor Rechtsbescherming (hierna: de Minister) heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter.

De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De Minister is in de gelegenheid gesteld op het verweerschrift te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De betrokkene heeft in het verzet tegen de dwangbevelen aangevoerd geen inleidende beschikkingen te hebben ontvangen. De kantonrechter heeft het verzet gegrond verklaard en de dwangbevelen vernietigd omdat - kort samengevat - het onder omstandigheden voor de hand ligt dat het CJIB zich inspant om via persoonlijke, althans op de situatie toegesneden communicatie uitleg te geven aan de betrokkene. Uit het dossier blijkt slechts de verzending van de standaard aanmaningen. Gelet op het geringe verwijt dat aan de betrokkene kan worden gemaakt, het achterwege blijven van op de concrete situatie toegesneden communicatie van het CJIB en de buitenproportionele gevolgen van de standaard incassoprocedure, is de kantonrechter van oordeel dat het gebruik van de bevoegdheid van de Minister tot het uitvaardigen van de aanmaningen met verhoging en een dwangbevel in dit geval niet proportioneel en kennelijk onredelijk is geweest.

2. De Minister voert in hoger beroep aan dat zowel het opleggen van verhogingen, als de hoogte daarvan, wettelijk is bepaald. Het CJIB heeft dan ook geen beleidsvrijheid om daar van af te wijken. Daarom kan niet gesteld worden dat het CJIB handelt in strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of beginsel van proportionaliteit. Gezien de grote hoeveelheid boetes die het CJIB jaarlijks verwerkt is het een onmogelijke opgave om een burger bij elke verhoging persoonlijk te benaderen. Daarnaast is het CJIB dagelijks bereikbaar voor vragen via een informatiecentrum met gekwalificeerde medewerkers. Ook kan via social media of per brief contact worden gezocht met het CJIB. Gegevens hierover zijn te vinden op de beschikking die wordt gestuurd en op de website van het CJIB. De Minister kan zich dan ook niet vinden in het oordeel van de kantonrechter dat het CJIB, gelet op de financiële gevolgen, meer moeite moet doen om de betrokkene te bereiken of bereikbaar te zijn voor overleg

3. De betrokkene voert aan de beschikkingen nooit te hebben ontvangen. De beschikkingen zijn gestuurd naar [B] , [a-straat 1] , een adres dat een verzamelgebouw betreft. Daar is geen portier aanwezig of iets anders waarmee geregeld wordt dat de post goed wordt verspreid. Uit het commentaar tegen het verzet blijkt dat de eerste aanmaning onbestelbaar retour was gekomen, waaruit kan worden opgemaakt dat het kantooradres was gewijzigd. Toch heeft het CJIB ervoor gekozen ook de dwangbevelen naar [a-straat 1] toe te sturen. Het CJIB of de deurwaarder hadden ook kunnen onderzoeken of de dwangbevelen betekend konden worden, dan was duidelijk geworden dat het bedrijf niet meer aan voornoemd adres was gevestigd.

4. Een dwangbevel als bedoeld in artikel 26 van de Wahv kan eerst rechtsgeldig worden uitgevaardigd nadat de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd tot verhaal waarvan het dwangbevel moet dienen, onherroepelijk is geworden.

5. In een geval als het onderhavige, waarin de betrokkene het verweer voert de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd niet te hebben ontvangen, is voor de beantwoording van de vraag of de beschikking onherroepelijk is, beslissend of op grond van een in het kader van de procedure van artikel 26 van de Wahv verricht onderzoek, zo nodig aan de hand van door de officier van justitie te verstrekken gegevens, door de kantonrechter wordt vastgesteld dat het verweer van de betrokkene als onjuist moet worden verworpen, omdat blijkt dat deze de beschikking wel heeft ontvangen, dan wel deze niet heeft ontvangen ten gevolge van een hem toe te rekenen omstandigheid.

6. In beginsel is het aan de officier van justitie om aannemelijk te maken dat aan één van de voorwaarden is voldaan, maar van een betrokkene mag worden verwacht dat hij niet volstaat met de enkele ontkenning dat hij de beschikking heeft ontvangen, doch voor zover in zijn vermogen ligt, nadere gegevens verschaft ter staving van dat verweer.

7. Uit het zaakoverzicht in de zaak met CJIB-nummer 216714808 blijkt dat een inleidende beschikking met dagtekening 21 mei 2018 is verstuurd naar het adres [B] , [a-straat 1] . Naar dit adres is ook een eerste aanmaning met dagtekening 3 augustus 2018 gestuurd. Die is als onbestelbaar retour ontvangen, waarna een adresverificatie is uitgevoerd. De inning is daarna vervolgd, waarbij een tweede aanmaning is verstuurd met dagtekening 20 september 2018. Er is geen betaling ontvangen.

8. Uit het zaakoverzicht in de zaak met CJIB-nummer 23075038 blijkt dat een inleidende beschikking met dagtekening 28 maart 2018 is verstuurd naar het adres [B] , [a-straat 1] . Naar dit adres is ook een eerste aanmaning met dagtekening 12 juni 2018 gestuurd. Daarna is een tweede aanmaning verstuurd met dagtekening 31 juli 2018. Die is als onbestelbaar retour ontvangen, waarna een adresverificatie is uitgevoerd. De inning is daarna vervolgd. Er is geen betaling ontvangen.

9. Verder blijkt uit de gegevens die de Minister heeft verstrekt dat de poststukken zijn verstuurd naar het adres waarop de betrokkene van 7 februari 2017 tot 28 november 2018 stond ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel, het hiervoor genoemde adres [a-straat 1] in [B] . Omdat betaling uitbleef, zijn op 15 november 2018 en 18 oktober 2018 dwangbevelen uitgevaardigd.

10. In het arrest van 23 december 2009 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020) heeft het hof vastgesteld dat het verzendproces van het CJIB zo is ingericht, dat de kans op fouten vrijwel is uitgesloten. Daarom mag op basis van het zaakoverzicht worden aangenomen dat de beschikkingen en de aanmaningen daadwerkelijk zijn verstuurd.

11. Het ligt - gegeven het hierboven vermelde uitgangspunt - vervolgens op de weg van de betrokkene om de ontvangst van de inleidende beschikking op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. De betrokkene is daar niet in geslaagd. De enkele ontkenning van de ontvangst door de betrokkene is daartoe onvoldoende. Uit het feit dat een aanschrijving onbestelbaar retour is gekomen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat het bedrijf ergens anders gevestigd was. Het CJIB heeft een adresverificatie uitgevoerd en volgens de gegevens in het register van de Kamer van Koophandel is pas op 28 november 2018 een ander adres geregistreerd. Het ligt op de weg van de betrokkene om (tijdig) het juiste adres door te geven aan de Kamer van Koophandel en de RDW. Dit heeft de betrokkene kennelijk niet gedaan. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de inleidende beschikkingen op de juiste wijze bekend zijn gemaakt en dat de administratieve sancties onherroepelijk zijn geworden. Omdat betaling uitbleef zijn van rechtswege verhogingen verschuldigd.

12. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat het uitvaardigen van de dwangbevelen niet proportioneel en kennelijk onredelijk is geweest. Aan de betrokkene zijn in beide zaken drie poststukken verstuurd, waarin de betrokkene wordt gewaarschuwd voor de gevolgen van het niet tijdig voldoen van aan de betalingsverplichting. In de aanschrijvingen staat vermeld hoe de betrokkene contact kan opnemen met het CJIB. Dat de betrokkene de aanschrijvingen niet zou hebben ontvangen omdat de post op het adres mogelijk niet goed wordt verspreid, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor rekening van de betrokkene komen. Het ligt op de weg van de betrokkene om een voorziening te treffen om de post goed te kunnen ontvangen. Omdat zowel de oplegging als de hoogte van de verhogingen wettelijk zijn bepaald, stond het de Minister niet vrij om daar van af te wijken. Onder deze omstandigheden is niet gebleken dat het uitvaardigen van de dwangbevelen onredelijk is geweest.

13. Gelet op het voorgaande zal het hof de beschikking van de kantonrechter vernietigen en de verzetten ongegrond verklaren.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter;

verklaart de verzetten ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.