Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7544

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
Wahv 200.265.426/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

APV-overtreding. Het parkeerverbod voor campers is geen lex specialis van het parkeerverbod voor grote voertuigen. Het parkeren van campers en 'grote voertuigen' mag in de plaatselijke verordening worden geregeld, nu het RVV 1990 daarover geen bepalingen bevat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.265.426/01

CJIB-nummer

: 220448815

Uitspraak d.d.

: 22 september 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 1 augustus 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd voor: “parkeren van een voertuig langer dan 6 meter/hoger dan 2,4 meter op een plaats waar dit verboden is”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 september 2018 om 21.09 uur op de Archimedesstraat te 's-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

2. In hoger beroep voert de betrokkene aan dat het optreden van de gemeente Den Haag tegen de plaatsing van kampeerauto’s in strijd is met algemene rechtsbeginselen. Het plaatsen op de weg van onder meer kampeerauto’s is door de gemeente Den Haag geregeld in artikel 5:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De betrokkene beschouwt dit als een lex specialis die geldt voor zijn kampeerauto, waardoor de algemene regel “parkeren van grote voertuigen” van artikel 5:8 van de APV niet van toepassing is. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft om die reden dit artikel ook in de model-APV aangepast. De betrokkene verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland waarin is bepaald dat artikel 5:8 van de APV niet van toepassing is op campers. Daarnaast is de betrokkene van mening dat de ondergrens wat betreft grootte (lengte en hoogte) arbitrair is en sprake is van subjectieve criteria om te bepalen wanneer sprake is van hinder en belemmering van zicht. Verder stelt de betrokkene dat de regels met betrekking tot parkeren zijn geregeld in de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en in artikel 24 e.v. van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Op grond van rechtspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden is het niet toegestaan om een parkeerverbod in een gemeentelijke verordening op te nemen die dezelfde strekking heeft als een parkeerverbod uit hoofde van het RVV 1990. Volgens de betrokkene heeft de gemeente dan ook geen verordende bevoegdheid waar het parkeren van kampeerauto’s betreft en dient de beschikking te worden vernietigd.

3. In de APV voor de gemeente Den Haag, zoals die ten tijde van de gedraging gold, zijn - voor zover hier van belang - de volgende bepalingen opgenomen:

4. “ Artikel 5:6 Caravans e.d.

1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd:

a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. (…).”

5. “ Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 07.00 tot 18.00 uur. (…).”

6. Het Uitvoeringsbesluit APV artikel 5:8 (hierna: Uitvoeringsbesluit) luidt als volgt:

''I. a. aan te wijzen als wegen en/of weggedeelten, waar het wegens strijd met het uiterlijk aanzien der gemeente buiten de onder III. genoemde tijden verboden is een voertuig, dat met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren: alle wegen binnen de bebouwde kom;

b. aan te wijzen als wegen en/of weggedeelten, waar het onder I.a. bedoelde verboden niet geldt: (…)

II. er de aandacht op te vestigen, dat het onder Ia. bedoelde verbod voorts niet geldt op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 8.00 uur tot 18.00 uur.''

7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Gedragingsgegevens: motorvoertuig geparkeerd hoger dan 2,40 meter, namelijk 2,54 meter. (…)

Opmerkingen ambtenaar: op bovengenoemde dag, datum en tijdstip was ik op surveillance op de Archimedesstraat. Ik zag toen dat daar een motorvoertuig dat, met inbegrip van de lading, een hoogte van meer dan 2,4 meter had en geparkeerd stond op een door het College aangewezen plaats. Ik zag namelijk dat het motorvoertuig, namelijk een camper geparkeerd stond op de Snelliusstraat. Mij is ambtshalve bekend dat op de Snelliusstraat binnen het aangewezen gebied valt, dat is aangewezen door het College van Burgemeester en Wethouders. Ik zag dat het motorvoertuig hoger was dan 2,40 meter. Ik zag namelijk middels een door de dienst verstrekte rolbandmeter dat het motorvoertuig een hoogte had van 2,54 meter. Ik zag dat het motorvoertuig geparkeerd stond om 21:09 uur en dus in overtreding was. Ik zag onder de voorruit van genoemde motorvoertuig geen ontheffing of vergunning duidelijk zichtbaar vanaf de openbare weg. Ik zag gedurende, geschatte 10 minuten, geen laad- of losactiviteiten rondom het voertuig. Ik zag geen bestuurder of eigenaar in de nabije omgeving van het motorvoertuig om staande te houden. (…) De gedraging vond plaats binnen de bebouwde kom.”

9. Daarnaast bevindt zich een aanvullend proces-verbaal van 16 januari 2019 bij de stukken. Hierin herhaalt de ambtenaar in grote lijnen zijn verklaring zoals in het zaakoverzicht opgenomen, namelijk dat het voertuig hoger was dan 2,40 meter en stond geparkeerd op een door het college aangewezen plaats. De ambtenaar merkt op dat het voertuig stond geparkeerd op de Archimedesstraat ter hoogte van perceel nummer 25 te Den Haag en niet op de Snelliusstraat. De ambtenaar heeft tevens foto’s bijgevoegd die hij ter plaatse heeft gemaakt.

10. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene niet ontkent dat zijn voertuig - dat hoger is dan 2,4 meter - op een vrijdag om 21:09 uur op de Archimedesstraat stond geparkeerd en waar de uitzondering uit artikel I.b. van het Uitvoeringsbesluit zich niet voordoet, staat naar het oordeel van het hof vast dat de gedraging is verricht.

Het hof ziet in de omstandigheid dat in het zaakoverzicht als plaats van de overtreding de Snelliusstraat wordt genoemd, geen aanleiding om aan de waarneming van de ambtenaar te twijfelen. De inleidende beschikking vermeldt in dit verband de Archimedesstraat en dat is waar de ambtenaar blijkens het aanvullend proces-verbaal zijn waarneming heeft gedaan. De vermelding in het zaakoverzicht beschouwt het hof als een kennelijke fout die zich voor herstel leent. De betrokkene is daardoor niet in zijn belangen geschaad.

11. De stelling van de betrokkene dat artikel 5:6 van de APV een lex specialis is ten opzichte van artikel 5:8 van de APV en daarmee sprake is van conflicterende regelgeving, deelt het hof niet. Van belang is dat in artikel 5:8 van de APV regels zijn opgenomen voor alle voertuigen die langer zijn dan 6 meter of hoger dan 2,4 meter. Niet alle in artikel 5:6 van de APV genoemde recreatievoertuigen voldoen aan voornoemde criteria en kunnen daarom niet worden aangemerkt als een groot voertuig in de zin van artikel 5:8 van de APV. Dit betekent dat artikel 5:8 van de APV niet kan worden aangemerkt als de algemene (allesomvattende) bepaling: de lex generalis. Het stond de gemeente dan ook vrij om in artikel 5:6 van de APV nadere regels op te stellen voor recreatievoertuigen. Dat de kampeerauto van de betrokkene - omdat deze hoger is dan 2,4 meter - zowel valt onder de criteria van artikel 5:6 als 5:8 van de APV, maakt dat niet anders.

12. Voor wat betreft de door de betrokkene aangevoerde argumenten dat sprake is van rechtsongelijkheid, wordt als volgt overwogen. Het criterium van rechtsongelijkheid wordt door het hof altijd gezien als een situatie waarbij zonder geldige juridische argumenten bij de sanctieoplegging wordt afgeweken van dienaangaand vastgesteld beleid (bijvoorbeeld Hof Leeuwarden 8 oktober 2003, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326). Dat is in dit geval gesteld noch gebleken. Kennelijk doelt de betrokkene erop dat toepassing van de regeling tot rechtsongelijkheid leidt. Het hof volgt de betrokkene daarin niet. Dat de maatvoering op de betrokkene arbitrair overkomt begrijpt het hof maar op die wijze is gekozen om een groep van voertuigen te kunnen onderscheiden. Niet valt in te zien waarom het de gemeente niet vrij zou staan in het parkeerbeleid groepen voertuigen van elkaar te onderscheiden. Dat onderscheid als zodanig levert geen rechtsongelijkheid op. Als gesteld, niet is gebleken dat de ambtenaar binnen de aldus vastgestelde groep bij de sanctieoplegging ten opzichte van de betrokkene is afgeweken van vastgesteld beleid. Voor zover de betrokkene meent dat hij door de regeling zonder goede reden ten opzichte van andere kampeervoertuigen wordt onderscheiden faalt dat argument reeds doordat in artikel 5:6 van de APV ten aanzien van kleinere kampeervoertuigen een soortgelijke regeling is opgenomen.

De regeling is evenmin arbitrair te noemen ten aanzien van de invulling van het criterium “schadelijk voor het uiterlijk aanzien”. Alhoewel de betrokkene kan worden toegegeven dat een en ander in hoge mate subjectief is, heeft de gemeente nu juist besloten in het Uitvoeringsbesluit op te nemen dat strijd met het uiterlijk aanzien der gemeente geacht wordt aanwezig te zijn bij alle wegen binnen de bebouwde kom. Daarmee is van een subjectief criterium dat bij toepassing tot rechtsongelijkheid kan leiden, geen sprake meer.

Dat de kantonrechter de door de betrokkene in deze zaak aangevoerde argumenten in een eerdere uitspraak kennelijk wel heeft gehonoreerd levert - wat daar overigens ook van zij - evenmin rechtsongelijkheid op.

13. De betrokkene merkt terecht op dat het vaste rechtspraak van dit hof is dat het niet is toegestaan een parkeerverbod in een gemeentelijke verordening op te nemen die dezelfde strekking heeft als een parkeerverbod uit hoofde van het RVV 1990. Dit betekent echter niet dat - anders dan de betrokkene kennelijk meent - gemeentes helemaal geen bepalingen met betrekking tot parkeren in de APV mogen opnemen. Het RVV 1990 bevat bijvoorbeeld geen bepalingen voor het parkeren van recreatievoertuigen en grote voertuigen, zodat het gemeentes vrij staat om het parkeren van dergelijke voertuigen in de APV te regelen.

14. Gezien het voorgaande wordt de beslissing van de kantonrechter bevestigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van Swart als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.