Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7494

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
02-10-2020
Zaaknummer
19/01016
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2019:3235, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1104, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afvalstoffenheffing en zuiveringsheffing. Aanmaningskosten. Hof vernietigt rechtbankuitspraak omdat deze niet in het openbaar is uitgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2020-2849
Viditax (FutD), 02-10-2020
V-N Vandaag 2020/2357
NTFR 2020/2974
NLF 2020/2141 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummer 19/01016

uitspraakdatum: 22 september 2020

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 juli 2019, nummer UTR 16/2847, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht te Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Bij beschikking van 30 september 2015 (de eerste beschikking) heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een aanslag in de afvalstoffenheffing en een aanslag in de zuiveringsheffing opgelegd voor het belastingobject [a-straat] 13 te [Z] .

1.2.

Bij beschikking van 9 april 2016 (de tweede beschikking) heeft de heffingsambtenaar belanghebbende aangemaand om de aanslag te voldoen en daarbij aanmaningskosten ter hoogte van € 7 in rekening gebracht.

1.3.

Bij uitspraak op bezwaar van 9 juni 2016 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van een bezwaarschrift tegen de eerste beschikking. Daarbij heeft hij voorts besloten om de aanslag ambtshalve te verminderen.

1.4.

Belanghebbende is tegen die uitspraak en tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op het bezwaar tegen de tweede beschikking in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 1 juni 2017 het beroep gericht tegen de bestreden uitspraak ongegrond verklaard en het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op het bezwaar tegen de tweede beschikking niet-ontvankelijk verklaard.

1.5.

Belanghebbende is tegen evenvermelde uitspraak in verzet gegaan. Bij uitspraak op verzet van 2 juli 2018 heeft de Rechtbank het verzet tegen de uitspraak van 1 juni 2017 ongegrond verklaard voor zover het betrekking had op de uitspraak op bezwaar betreffende de eerste beschikking en gegrond verklaard voor zover het betrekking had op het niet tijdig doen van een uitspraak op het bezwaar tegen de tweede beschikking.

1.6.

Vervolgens heeft de Rechtbank bij uitspraak van 29 augustus 2018 het beroep gegrond verklaard, het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de door de heffingsambtenaar verbeurde dwangsom vastgesteld op € 1.260, de heffingsambtenaar opgedragen binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar bekend te maken, bepaald dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht van € 46 aan belanghebbende te vergoeden en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 501.

1.7.

Belanghebbende heeft op 10 september 2018 schriftelijk aan de Rechtbank gevraagd om alsnog een uitspraak te doen op het ter zitting van 22 mei 2018 gedane verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

1.8.

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 17 juli 2019 de Staat der Nederlanden (Raad voor de rechtspraak) veroordeeld tot betaling aan belanghebbende van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500.

1.9.

Belanghebbende heeft tegen laatstvermelde uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.

1.10.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2020. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 1 juni 2017 is door de Rechtbank behandeld ter zitting van 22 mei 2018. Aldaar heeft de gemachtigde van belanghebbende verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting van het geschil. Bij haar uitspraak van 29 augustus 2018 heeft de Rechtbank niet op dat verzoek beslist.

2.2.

Op 10 september 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde de Rechtbank verzocht een nadere uitspraak te doen, waarbij hij het volgende aanvoerde:

„Op 29 augustus jl. hebt u in deze zaak uitspraak gedaan. Bestudering van deze uitspraak leert dat u vergeten bent hierin ook in te gaan op het verzoek om een immateriële schadevergoeding toe te kennen vanwege overschrijding van de redelijke termijn door uw Rechtbank (gedaan op de zitting waar het verzet is behandeld).”.

2.3.

Vervolgens heeft de Rechtbank het onderzoek heropend en uitspraak gedaan op het verzoek om immateriële schadevergoeding. Zij heeft een zodanige vergoeding toegekend tot een bedrag van € 500, zonder een nadere proceskostenvergoeding toe te kennen.

2.4.

Bij brief van 9 juli 2020 heeft de griffier van de Rechtbank de gemachtigde van belanghebbende ten aanzien van de uitspraak van 17 juli 2019 het volgende laten weten:

„Zoals vandaag telefonisch afgestemd bericht ik u dat de uitspraak die op 19 juli 2019 per aangetekende post naar u verstuurd is niet openbaar is uitgesproken.”.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de omstandigheid dat de uitspraak van 17 juli 2019 niet in het openbaar is gedaan moet leiden tot vernietiging ervan, of de Rechtbank een hoger bedrag aan immateriële schadevergoeding had dienen toe te kennen dan zij heeft gedaan, en of zij bij de bestreden uitspraak een proceskostenvergoeding had moeten toekennen, welke vragen door belanghebbende bevestigend en door de heffingsambtenaar ontkennend worden beantwoord.

3.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat een extra bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 1.000 had moeten worden toegekend omdat volgens haar na heropening niet binnen een jaar uitspraak is gedaan. Voorts stelt zij dat het verzoek om heropening een proceshandeling is die moet leiden tot een extra proceskostenveroordeling volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij die proceshandeling wordt gewaardeerd op 0,5 punt en voorts de berekening van de Rechtbank in de uitspraak van 29 augustus 2018 wordt gehanteerd.

3.3.

De heffingsambtenaar heeft ter zitting verweer gevoerd en geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Op de bestreden uitspraak is artikel 8:78 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing. Dat artikel luidt: „De uitspraak geschiedt in het openbaar.”. In de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, blz. 118) is vermeld dat de openbaarheid van de uitspraak een fundamenteel beginsel is dat ook volgt uit het volkenrecht. Daarbij wordt erop gewezen dat niet is vereist dat uitspraken in het openbaar worden uitgesproken. Andere wijzen van openbaarmaking zijn ook toelaatbaar, wanneer een ieder toegang kan verkrijgen tot de volledige tekst van de uitspraak.

4.2.

Vaststaat dat de onderhavige uitspraak niet in het openbaar is uitgesproken. Indien rechterlijke uitspraken anderszins openbaar worden gemaakt, pleegt dat te geschieden door publicatie op de internetsite www.rechtspraak.nl. Dat is in het onderhavige geval niet gebeurd. De Rechtbank heeft de uitspraak uitsluitend per post naar partijen is verstuurd. Het uitsluitend verzenden per post naar partijen kan niet worden aangemerkt als een afdoende wijze van openbaarmaking als hiervoor bedoeld. Daarom is ter zake van de aangevallen uitspraak niet aan artikel 8:78 van de Awb voldaan. Daaraan dient als rechtsgevolg te worden verbonden dat de uitspraak wordt vernietigd. Overeenkomstig het verzoek van belanghebbende zal het Hof de zaak niet terugwijzen naar de Rechtbank, doch zelf in de zaak voorzien.

4.3.

Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In het onderhavige geval is de termijn aangevangen met het indienen van het bezwaarschrift op 20 mei 2016.

4.4.

De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat partijen verdeeld houdt (de hoofdzaak). Deze termijn loopt derhalve niet door indien de rechter bij zijn uitspraak in de hoofdzaak het onderzoek met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb heropent om een nadere uitspraak te doen over het recht op vergoeding van immateriële schade wegens de duur van het proces. Dit is niet anders in een geval als het onderhavige, waarin de rechter heeft verzuimd op een zodanig ter zitting gedaan verzoek te beslissen en vervolgens op verzoek van belanghebbende het onderzoek heropent om dienaangaande een nadere uitspraak te doen. Wel heeft ook in dergelijke procedures over vergoeding van immateriële schade te gelden dat de rechter binnen een redelijke termijn uitspraak behoort te doen.

4.5.

Indien de rechter het onderzoek bij zijn uitspraak in de hoofdzaak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb heropent om een nadere uitspraak te doen over het recht op vergoeding van immateriële schade wegens de duur van het proces, heeft als uitgangspunt te gelden dat hij uitspraak daarover moet doen binnen een jaar na de uitspraak in de hoofdzaak.

4.6.

De Rechtbank heeft in overeenstemming met het voorgaande een termijn van berechting in aanmerking genomen van 20 mei 2016 tot en met 29 augustus 2018, en aldus terecht een overschrijding van de redelijke termijn met minder dan een half jaar geconstateerd. De stelling van belanghebbende dat de uitspraak op het verzoek niet is gedaan binnen een jaar nadat de Rechtbank op de hoofdzaak had beslist, vindt geen steun in de feiten. Dit brengt mee dat voor een hogere vergoeding dan het door de Rechtbank toegekende bedrag van € 500 geen plaats is.

4.7.

Nu belanghebbende ter zitting van de Rechtbank om toekenning van een immateriële schadevergoeding had verzocht en de Rechtbank bij haar uitspraak van 29 augustus 2018 heeft verzuimd op dat verzoek te beslissen, was belanghebbende genoodzaakt een nadere proceshandeling te verrichten om alsnog de gevraagde beslissing te krijgen. Het Hof acht termen aanwezig die proceshandeling te honoreren overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht en te waarderen op 0,5 punt als bedoeld in de bijlage bij dat Besluit, zoals door belanghebbende verzocht. Dit leidt tot een extra proceskostenvergoeding in beroep van 0,5 x 0,5 x € 525 = € 131,25, afgerond € 132.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

5.1.

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.

5.2.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.050 (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 525).

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– laat de rechtsgevolgen van die uitspraak in stand,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de nadere proceskosten van belanghebbende in beroep tot een bedrag van € 132 en in de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van € 1.050 en

– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in verband met het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 128 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. R.F.C. Spek, en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 22 september 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 september 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.