Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7491

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
02-10-2020
Zaaknummer
18/00589 t/m 18/00596
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:2573, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Immateriële schadevergoeding. Proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2020-2851
Viditax (FutD), 02-10-2020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 18/00589 tot en met 18/00596

uitspraakdatum: 22 september 2020

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 juni 2018, nummers AWB 17/3088, 17/3091, 17/3094, 17/3096 tot en met 17/3099 en 17/3178, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) voor zeven auto’s (auto 1 tot en met 7), en bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM voor een achtste auto (auto 8).

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren gegrond verklaard. De Inspecteur heeft de voor auto 1 tot en met 7 verschuldigde BPM verminderd en de naheffingsaanslag voor auto 8 vernietigd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep voor auto’s 1 tot en met 6 en auto 8 ongegrond verklaard en het beroep voor auto 7 gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur voor auto 7 vernietigd en de BPM voor auto 7 vastgesteld. Voorts heeft de Rechtbank een vergoeding toegekend wegens geleden immateriële schade, een proceskostenvergoeding toegekend en de Inspecteur gelast het betaalde griffierecht te vergoeden.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het Hof heeft bij tussenuitspraak van 20 maart 2020 de gemachtigde van belanghebbende geweigerd en belanghebbende bij brief van dezelfde datum in de gelegenheid gesteld binnen vier weken een nieuwe gemachtigde aan te stellen. Een afschrift van de tussenuitspraak is aan de brief gehecht. Belanghebbende heeft op deze brief niet gereageerd.

1.6.

Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben binnen de gestelde termijn van twee weken daarop niet gereageerd. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2 Vaststaande feiten

Belanghebbende heeft voor auto 1 tot en met 8 BPM op aangifte voldaan. De Inspecteur heeft voor auto 8 een naheffingsaanslag opgelegd.

3 Geschil

In geschil zijn de immateriële schadevergoeding en de proceskostenvergoeding die de Rechtbank heeft toegekend.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Ten eerste is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere vergoeding wegens immateriële schade dan de Rechtbank heeft toegekend. De Rechtbank heeft over dit geschilpunt het volgende overwogen en beslist:

“7. Uit de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:199, en 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, volgt dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden mede ten grondslag ligt ertoe noopt dat de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaatsvindt. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie, wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade, aldus de Hoge Raad. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In belastingzaken heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Als uitgangspunt wordt een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden.

8. De in dit verband in aanmerking te nemen termijn is aangevangen met de ontvangst van de bezwaarschriften door verweerder op 15 maart 2013 (auto 1), 1 maart 2013 (auto 2), 20 augustus 2014 (auto 3), 23 juni 2014 (auto 4), 24 februari 2014 (auto 5), 30 mei 2013 (auto 6), 17 juli 2014 (auto 7) en 3 april 2014 (auto 8). Verweerder heeft op 15 mei 2017 (auto 1 tot en met 7) en 16 mei 2017 (auto 8) uitspraak op bezwaar gedaan. Aangezien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, is in beginsel sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Aldus wordt in beginsel verondersteld dat eiseres immateriële schade heeft geleden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

9. In zijn hiervoor genoemde arrest van 19 februari 2016 heeft de Hoge Raad overwogen dat in gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, in dit verband dient te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Omdat hiervan in dit geval sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd.

10. Niet in geschil is dat partijen op 16 december 2014 een afspraak hebben gemaakt, waarbij zaken waarin uitsluitend de btw/marge-kwestie aan de orde is worden aangehouden totdat de Hoge Raad arrest heeft gewezen op dit punt. Partijen zijn het niet eens over de uitwerking van deze afspraak. Verweerder is van mening dat de onderhavige zaken onder deze afspraak vallen, omdat zij over de btw/marge-kwestie gaan. Eiseres heeft daartegen aangevoerd dat er ook nevenvorderingen zijn, die door zich daar expliciet op te beroepen, geen nevenvorderingen meer vormen. Om die reden vallen de onderhavige zaken niet onder de afspraak, aldus eiseres.

11. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze stelling van eiseres niet, omdat het voor de hand ligt dat partijen bij het maken van de afspraak tot aanhouding van de zaken beoogd hebben slechts afspraken te maken ten aanzien van het materiële belastinggeschil. Een uitleg die eiseres voorstaat, kan niet als juist worden aanvaard, omdat in iedere zaak een beroep is gedaan op vergoeding van proceskosten en andere (neven)vorderingen. Dit zou meebrengen dat de afspraak in feite een dode letter is geworden. Immers, verweerder kan maar één keer uitspraak op bezwaar doen. Gelet op het voorgaande wordt de redelijke termijn van twee jaar verlengd met de periode tussen de datum van aanhouding van de zaken, zijnde 16 december 2014 en 27 januari 2017. De redelijke termijn wordt in dit geval verlengd met twee jaar en twee maanden (afgerond naar boven), tot totaal 4 jaar en 2 maanden.

12. Hiervan uitgaande is met betrekking tot de zaken van auto 3, auto 4 en auto 7 geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn en is ten aanzien van de zaken van auto 1, auto 2, auto 5, auto 6 en auto 8 wel sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

13. Ter bepaling van de hoogte en verdeling van de schadevergoeding heeft de rechtbank de zaak van eiseres over auto 2 tot uitgangspunt genomen, aangezien in die zaak sprake is van het oudste bezwaarschrift, namelijk van 1 maart 2013. In die zaak is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan één jaar, maar minder dan anderhalf jaar. Gelet hierop heeft eiseres recht op een vergoeding van € 1.500 (3 x € 500).

14. Voor de toerekening van de overschrijding aan de Belastingdienst (bezwaarfase) en de Staat (beroepsfase) geldt het volgende. De beroepsfase heeft minder dan anderhalf jaar geduurd, zodat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan de bezwaarfase.”

4.2.

Het Hof maakt de beslissing van de Rechtbank en de daartoe gebezigde gronden tot de zijne. Het andersluidende standpunt van belanghebbende wordt verworpen.

4.3.

Belanghebbende maakt voorts aanspraak op vergoeding van bovenforfaitaire proceskosten. De Rechtbank heeft ten aanzien van de proceskostenvergoeding als volgt beslist:

“15. Omdat een immateriële schadevergoeding wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder in de zaken met betrekking tot auto 1, auto 2, auto 5, auto 6 en auto 8 te veroordelen in de kosten van eiseres voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, r.o. 3.14.1 en 3.14.2). De rechtbank beschouwt in dit verband deze beroepen van eiseres als samenhangende zaken. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 501 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 0,5).

16. In de zaak met betrekking tot auto 7 vindt de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.500 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.”

4.4.

Het Hof ziet geen bijzondere omstandigheden die tot afwijking van het forfait in het Besluit proceskosten bestuursrecht nopen. De Rechtbank heeft belanghebbende op goede gronden een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend.

4.5.

Het Hof ziet geen aanleiding over beide onderwerpen vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

4.6.

Wel is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden. Het Hof kent aan belanghebbende een schadevergoeding toe van € 500.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

De Rechtbank heeft de kosten voor de behandeling van het bezwaar en het beroep vastgesteld op € 2.001 voor alle beroepen gezamenlijk. Afgezien van het verzoek om vergoeding van de werkelijke proceskosten zijn in hoger beroep daartegen geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan zal uitgaan.

Naar het oordeel van het Hof zijn er geen bijzondere omstandigheden aanwezig die aanleiding geven af te wijken van het in artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) opgenomen tarief.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit vast op € 787,50 (1 punt (hogerberoepschrift)  factor 1,5 wegens samenhang  € 525).

6 Beslissing

Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

– veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming in de door belanghebbende geleden schade tot een bedrag van € 500,

– veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 787,50,

– gelast dat de Minister voor Rechtsbescherming aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 508 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. T. Tanghe en mr. T.H.J. Verhagen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 22 september 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 september 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.