Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7487

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
21-004437-19
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:3637, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overval Hotel Haarhuis. Overweging over toepassing adolescentenstrafrecht. Gevangenisstraf voor de duur van 720 dagen, waarvan 348 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004437-19

Uitspraak d.d.: 22 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 9 augustus 2019 met parketnummer 05-100203-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van dat wat door verdachte en zijn raadsman, mr. Y. ten Tuijnte, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van 9 augustus 2019 door de meervoudige kamer in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van het voorarrest wegens – kort gezegd – een diefstal met bedreiging met geweld en het voorhanden hebben van een vuurwapen en het gebruiken van dit wapen tijdens de diefstal. Beslist is dat het wapen onttrokken dient te worden aan het verkeer. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn volledig toegewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een gewapende overval op Hotel [hotel] op 25 april 2019.

De volledige tenlastelegging luidt als volgt:

1.
hij op of omstreeks 25 april 2019 te Arnhem , althans in Nederland, een geldbedrag van (ongeveer) 526,75 euro, in elk geval enig geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Hotel [hotel] B.V. heeft weggenomen uit een kassalade en/of kluis van Hotel [hotel] , gelegen aan het [adres] met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer (andere) medewerkers van Hotel [hotel] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

-dreigend met een vuurwapen Hotel [hotel] , gelegen aan het [adres] binnen te gaan en/of

-dreigend tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer (andere) medewerkers van Hotel [hotel] te zeggen: 'geld, ik wil geld', althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

-een vuurwapen op die [slachtoffer 1] en/of op een of meer (andere) medewerkers van Hotel [hotel] te richten en/of

-meermalen, althans eenmaal met het vuurwapen in de lucht te schieten en/of

-dreigend tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer (andere) medewerkers van Hotel [hotel] te zeggen: 'geld, ik wil meer geld' en/of 'kluis, waar is de kluis', althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

-die [slachtoffer 1] , al dan niet onder bedreiging van een vuurwapen, naar de kluis te escorteren en/of

-dreigend aan die [slachtoffer 3] en/of aan een of meer (andere) medewerkers van Hotel [hotel] een vuurwapen te tonen en/of

-een vuurwapen op die [slachtoffer 3] en/of op een of meer (andere) medewerkers van Hotel [hotel] te richten en/of

-(terwijl hij het vuurwapen op die [slachtoffer 3] gericht heeft) dreigend tegen die [slachtoffer 3] te zeggen: 'sneller, sneller' en/of

-die [slachtoffer 3] , al dan niet onder bedreiging van een vuurwapen, de kluis te laten openen;

2.
hij op of omstreeks 25 april 2019 te Arnhem , althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Ekol, type Firat Magnum , kaliber 9mm PAK zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 13 patronen van het kaliber 9mm voorhanden heeft gehad;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Inleiding

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast, die verder ook niet ter discussie staan. Op 25 april 2019 heeft er een gewapende overval plaatsgevonden op Hotel [hotel] , [adres] . Verdachte is die dag met een gaspistool het hotel binnengegaan en heeft daar weggenomen een geldbedrag van € 526,75 afkomstig uit de kassalade en de kluis. De diefstal is voorafgegaan door en vergezeld van bedreiging met geweld.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor dat wat aan hem onder feit 1 en feit 2 ten laste is gelegd. Zij heeft aangevoerd dat ook de gedachtestreepjes inhoudende dat verdachte zijn wapen gericht heeft op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] bewezen verklaard kunnen worden en heeft hierbij gewezen op onder meer de screenshots op de pagina’s 137 en 138 van het politiedossier.

Standpunt verdediging

De raadsman van verdachte heeft – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat op basis van de camerabeelden, het proces-verbaal van bevindingen ter zake van die beelden en de getuigenverklaringen niet bewezen verklaard kan worden dat verdachte het wapen bewust op [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] of andere medewerkers van het hotel heeft gericht. Verdachte heeft ontkend dat hij het wapen op hen heeft gericht en heeft verklaard dat hij dit in ieder geval niet bewust heeft gedaan. Van deze twee onderdelen van de tenlastelegging dient verdachte dan ook vrijgesproken te worden.

Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde ter zake het richten van het wapen op medewerkers van Hotel [hotel] – voor zover het gaat om de medewerkers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] – wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij – met de rechtbank – in het bijzonder als volgt.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij aan de balie werkzaam was, toen een man een plastic tas op de

balie voor haar legde met daarop een pistool. De man zei: "geld, ik wil geld". [slachtoffer 1] denkt dat zij niet snel genoeg reageerde omdat de man toen zijn wapen oppakte en dit ongeveer een seconde lang op haar richtte. Zij zag dat de loop van het wapen recht in haar gezichtsveld zat. Haar verklaring wordt ondersteund van getuige [slachtoffer 2] , die naast [slachtoffer 1] achter de balie aan het werk was. Daarnaast vindt de verklaring van [slachtoffer 1] naar het oordeel van het hof steun in hetgeen te zien is op de screenshots op pagina 137 en 138 van het dossier.

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat collega [slachtoffer 1] naar hem toe kwam lopen met een man achter haar aan. [slachtoffer 3] hoorde de man zeggen: "Ik wil geld, snel, want de politie wordt gebeld."

Vervolgens zag [slachtoffer 3] dat de man ter hoogte van zijn navel een vuurwapen had. Terwijl [slachtoffer 3] de man "sneller" hoorde zeggen, zag hij dat de man het pistool op hem richtte en een pushende beweging naar hem maakte. [slachtoffer 3] dacht dat de man zou gaan schieten als hij de kluis snel niet snel opende.

De verklaring van verdachte dat hij niet meer weet of hij het wapen op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft gericht en dat hij dit anders niet bewust heeft gedaan, kan niet worden aangemerkt als een ontkenning. Het hof volgt de raadsman daarnaast niet in zijn stelling dat de camerabeelden op dit punt geen bevestiging bieden.

Het hof overweegt – met de rechtbank – verder dat het richten van het wapen slechts een van de vele dreigende en gewelddadige handelingen van verdachte is geweest, en dat niet in geschil is dat verdachte alle andere handelingen heeft gepleegd, waaronder het lossen van een schot. Het hof acht de verklaringen van de getuigen (ook) voor wat betreft het richten van het wapen specifiek en concreet, mede nu hun verklaringen ten aanzien van het volledig verloop van de overval op het niveau van de relevante bijzonderheden steun vinden in ander bewijsmateriaal, zoals in het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden en ook verdachtes eigen verklaringen. Er is dus geen enkele grond om de betrouwbaarheid van onderstaande getuigenverklaringen op dit ene onderdeel in twijfel te trekken.

Op grond van bovenstaande getuigenverklaringen acht het hof ook wettig en overtuigend

bewezen dat verdachte het vuurwapen op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft gericht met het oogmerk hen ertoe te bewegen de kassa en de kluis (zo snel mogelijk) voor hem te openen en daarmee de diefstal van het geld gemakkelijk te maken. Het hof acht wettig en overtuigend

bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een overval op Hotel [hotel] , zoals in de bewezenverklaring hieronder nader is uitgewerkt.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op of omstreeks 25 april 2019 te Arnhem , althans in Nederland, een geldbedrag van (ongeveer) 526,75 euro, in elk geval enig geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Hotel [hotel] B.V. heeft weggenomen uit een kassalade en/of kluis van Hotel [hotel] , gelegen aan het [adres] met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer (andere) medewerkers van Hotel [hotel] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

-dreigend met een vuurwapen Hotel [hotel] , gelegen aan het [adres] binnen te gaan en/of

-dreigend tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer (andere) medewerkers van Hotel [hotel] te zeggen: 'geld, ik wil geld', althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

-een vuurwapen op die [slachtoffer 1] en/of op een of meer (andere) medewerkers van Hotel [hotel] te richten en/of

-meermalen, althans eenmaal met het vuurwapen in de lucht te schieten en/of

-dreigend tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer (andere) medewerkers van Hotel [hotel] te zeggen: 'geld, ik wil meer geld' en/of 'kluis, waar is de kluis', althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

-die [slachtoffer 1] , al dan niet onder bedreiging van een vuurwapen, naar de kluis te escorteren en/of

-dreigend aan die [slachtoffer 3] en/of aan een of meer (andere) medewerkers van Hotel [hotel] een vuurwapen te tonen en/of

-een vuurwapen op die [slachtoffer 3] en/of op een of meer (andere) medewerkers van Hotel [hotel] te richten en/of

-(terwijl hij het vuurwapen op die [slachtoffer 3] gericht heeft) dreigend tegen die [slachtoffer 3] te zeggen: 'sneller, sneller' en/of

-die [slachtoffer 3] , al dan niet onder bedreiging van een vuurwapen, de kluis te laten openen;

2.
hij op of omstreeks 25 april 2019 te Arnhem , althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Ekol, type Firat Magnum , kaliber 9mm PAK zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 13 patronen van het kaliber 9mm voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is onderzocht in het kader van een Pro Justitia-rapportage. De forensisch psycholoog heeft in zijn rapportage van 24 maart 2020 het volgende geconcludeerd:

“Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een andere

gespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis en een stoornis in het

gebruik van alcohol en een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een licht verstandelijke

beperking.

De combinatie van bovengenoemde stoornissen bij betrokkene heeft elkaar ten tijde van het tenlastegelegde versterkt. Het is dan ook aannemelijk dat betrokkene in verminderde mate in staat was om zijn wil in vrijheid te bepalen ten tijde van het tenlastegelegde onder 1. en 2.”

Het hof neemt deze conclusie over en zal bij de bepaling van de strafmaat rekening houdende met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden en 372 dagen, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het volwassenenstrafrecht toegepast dient te worden.

Standpunt verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte veroordeeld dient te worden op basis van het adolescentenstrafrecht. De persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan nopen hiertoe. Verdachte is gebaat bij een pedagogische aanpak. De rapporteur van Pro Justitia heeft aangegeven dat er geen sprake is van contra-indicaties voor toepassing van het adolescentenstrafrecht. De raadsman heeft verzocht om geen hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Oordeel hof

Met de raadsman is het hof van oordeel dat er gelet op de persoonlijkheid van verdachte indicatoren zijn om over te (kunnen) gaan tot toepassing van het jeugdstrafrecht. Desondanks is het hof van oordeel dat toepassing van het volwassenstrafrecht in dit specifieke geval aangewezen is. Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder als volgt. Het hof heeft kennisgenomen van de verschillende rapportages over verdachte, waaruit onder meer duidelijk wordt dat hij een lichte verstandelijke beperking heeft en dat hij moeite heeft om de risico’s van zijn handelen in te schatten en zijn gedrag te organiseren. Verdachte is daarnaast impulsief. In deze rapportages wordt echter geadviseerd tot toepassing van het volwassenenstrafrecht, nu dit passend is bij het al ingezette resocialisatietraject van verdachte. Het hof volgt deze adviezen en betrekt hierbij de schriftelijke update die het hof ontving van de begeleider van verdachte van de Reclassering, [begeleider] . Hieruit blijkt dat verdachte zich erg goed aan zijn schorsingsvoorwaarden houdt, gemotiveerd is en meewerkt aan alle behandeling en begeleiding. Met andere woorden: verdachte lijkt goed om te kunnen gaan met en te gedijen bij de volwassen aanpak die hem nu geboden wordt. Dit lijkt beter bij hem te passen dan een pedagogische aanpak waarbij zijn gezin betrokken zou moeten worden. Van een gezinssituatie zoals hier beoogd, is echter door het vroegtijdig overlijden van verdachtes moeder en het beperkte contact met zijn vader geen sprake. Het hof acht het in het belang van verdachte en van de maatschappij dat de ingezette lijn doorgezet wordt en zal hem daarom berechten volgens het volwassenstrafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte en ziet hierin omstandigheden om verdachte te veroordelen tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een hotel, waarbij hij een geldbedrag heeft buitgemaakt. De overval vond plaats midden op de dag in het hart van de stad. Daarbij heeft verdachte een vuurwapen (gaspistool) gebruikt en op twee medewerkers gericht. Ook heeft verdachte met het wapen in de lucht geschoten, toen het personeel naar zijn zin niet of niet snel genoeg reageerde op zijn eis om geld. De hotelmedewerkers voelden zich zeer angstig door het handelen van verdachte; sommigen vreesden voor hun leven. Het hof neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij uitsluitend heeft gehandeld uit eigen financieel gewin en geen enkel oog heeft gehad voor de gevolgen van zijn handelen voor de medewerkers. Bovendien dragen overvallen als deze bij aan in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het verboden bezit van een gaspistool met bijbehorende munitie. Gelet op de ernst van de feiten past alleen een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur.

Als uitgangspunt hanteert het hof normaal gesproken de rechterlijke oriëntatiepunten zoals deze gelden terzake van een overval waarbij gedreigd is met een wapen. Gelet op deze oriëntatiepunten is een straf zoals opgelegd door de rechtbank passend. Echter, zoals het hof al heeft overwogen, zou het in dit geval verdedigbaar zijn geweest om, gelet op de persoon van verdachte, het adolescentenstrafrecht toe te passen. In dat geval zou een strafmaatkader van toepassing zijn dat erg afwijkt – in het voordeel van de verdachte – van het volwassenkader. De redenen waarom niet gekozen is voor toepassing van het adolescentenstrafrecht zijn niet aan verdachte te wijten. Gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval zal het hof dan ook ten gunste van verdachte afwijken van de rechterlijke oriëntatiepunten.

Bij de bepaling van de strafmaat houdt het hof voorts rekening met het feit dat verdachte – blijkens het meest recente Uittreksel Justitiële Documentatie – niet eerder voor een soortgelijk feit veroordeeld is.

Het hof houdt daarnaast rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 720 dagen, waarvan 348 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals deze ook zijn opgelegd in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte, passend en geboden is. Dit betekent dat – als verdachte zich houdt aan de algemene en bijzondere voorwaarden – hij niet terug naar de gevangenis hoeft. Verdachte kan op deze manier de kans die hem geboden is en die hij al met beide handen aangegrepen lijkt te hebben, verder benutten.

Het hof zal, vanwege de op te leggen straf, het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.063,55, bestaande uit € 1.000,- immateriële schade en € 63,55 materiële schade wegens loonderving. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geadviseerd om de vordering in zijn geheel toe te wijzen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft de vordering niet betwist en aangegeven dat verdachte de vergoeding wil betalen.

Oordeel hof

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zijn geheel zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat daarvoor een wettelijke grondslag te vinden in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de met stukken onderbouwde stellingen van de benadeelde partij vloeit voort dat het handelen van de verdachte bij haar tot het ontstaan van naar objectieve maatstaven vastgesteld geestelijk letsel heeft geleid (PTSS), wat valt te kwalificeren als een aantasting in de persoon. Het gevorderde bedrag is gelet op de aard en ernst van zowel het feit als de gevolgen billijk, mede gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen. De gevorderde materiële schadevergoeding is, als onbetwist, eveneens toewijsbaar.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Gelet op de persoon van verdachte en de bijzondere omstandigheden zoals deze zijn overwogen onder de strafmaatoverweging - meer in het bijzonder de afweging om wel of geen jeugdstrafrecht toe te passen - zal het hof hier de gijzeling voor ten hoogste één dag aan koppelen.

De ingangsdatum van de wettelijke rente zal worden bepaald op 25 april 2019 voor de immateriële en (op basis van een schatting van het moment van intreden van die schade) op 1 juni 2019 voor de materiële schadevergoeding.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.372,38, bestaande uit materiële schade ter zake de inzet van extra personeel en beveiliging. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geadviseerd om de vordering in zijn geheel toe te wijzen.

Standpunt verdediging

De raadsman van verdachte heeft de vordering gemotiveerd betwist. Hij heeft – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de gevorderde schade in een te ver verwijderd verband staat van het door verdachte gepleegde feit en er geen sprake is van een rechtstreeks verband. Het hotel heeft zelf de keuze gemaakt om de kosten te maken. Er is geen sprake van herstelschade en een rechtspersoon kan geen psychische schade hebben. De extra diensten zijn onvoldoend onderbouwd.

De vordering dient in zijn geheel niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Oordeel hof

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing onder overlegging van stukken aangevoerd dat zij door de door verdachte gepleegde overval tijdelijk extra personeel en beveiliging in heeft moeten zetten om – zo begrijpt het hof – ervoor te zorgen dat de werkzaamheden in het hotel door konden gaan en het aanwezige personeel zich veilig genoeg voelde om hun werk te kunnen (blijven) doen. In het kader van de normale bedrijfsvoering van een hotel acht het hof het niet onredelijk deze kosten te maken. Naar het oordeel van het hof is er sprake van rechtstreekse schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub a BW, namelijk kosten ter voorkoming of beperking van verdere schade, die zou ontstaan door (verdere) uitval van personeel. Gelet op het beperkt aantal dagen waarvoor het extra personeel en de beveiliging is ingezet, acht het hof de omvang van de gevorderde kosten voldoende onderbouwd en redelijk van hoogte, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de door hem in dit verband aangehaalde jurisprudentie een casus betreft die niet vergelijkbaar is met de onderhavige zaak.

Verdachte is tot vergoeding van de schade ter hoogte van € 3.372,38 gehouden, zodat de vordering in haar geheel zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover per 28 mei 2019, de (geschatte) datum waarop de schade is ingetreden.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Gelet op de persoon van verdachte en de bijzondere omstandigheden zoals deze zijn overwogen onder de strafmaatoverweging - meer in het bijzonder de afweging om wel of geen jeugdstrafrecht toe te passen - zal het hof hier de gijzeling voor ten hoogste één dag aan koppelen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 720 (zevenhonderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 348 (driehonderdachtenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat

  • -

    de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

  • -

    of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

  • -

    of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen,

dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd:

  • -

    dat verdachte zich binnen drie werkdagen na het wijzen van het arrest bij Reclassering Nederland telefonisch via [telefoonnummer] meldt en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht;

  • -

    dat verdachte zich (verder) laat behandelen door [kliniek] of een andere forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

  • -

    dat verdachte verblijft bij Stichting [stichting] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de Reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

  • -

    dat verdachte meewerkt aan praktische begeleiding gericht op zaken zoals de financiën, dagbesteding, sociale vaardigheden en algemene dagelijkse levensverrichtingen, gedurende de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

  • -

    dat verdachte meewerkt aan het monitoren van zijn alcoholgebruik, gedurende de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

het onder verdachte in beslag genomen gaspistool Ekol, type Firat Magnum, met bijbehorende munitie (13 stuks, G1977592, zie (PL0600-2019180255-1977163), voor zover dit nog niet heeft plaatsgevonden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.063,55 (duizend drieënzestig euro en vijfenvijftig cent) bestaande uit € 63,55 (drieënzestig euro en vijfenvijftig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf:

- 25 april 2019 over het bedrag van € 1.000,00 en

- 1 juni 2019 over het bedrag van € 63,55,

steeds tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.063,55 (duizend drieënzestig euro en vijfenvijftig cent) bestaande uit € 63,55 (drieënzestig euro en vijfenvijftig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf:

- 25 april 2019 over het bedrag van € 1.000,00 en

- 1 juni 2019 over het bedrag van € 63,55,

steeds tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

16 juli 2019

en van de immateriële schade op

25 april 2019.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.372,38 (drieduizend driehonderdtweeënzeventig euro en achtendertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.372,38 (drieduizend driehonderdtweeënzeventig euro en achtendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 28 mei 2019.

Aldus gewezen door

mr. C.M.E. Lagarde, voorzitter,

mr. M. Keppels en mr. O.O. van der Lee, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.H. Diepeveen, griffier,

en op 22 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.