Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7458

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
200.272.118/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof merkt één van de belanghebbenden niet aan als appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.272.118/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 8024029 en 8024032)

beschikking van 17 september 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: ‘ [verzoeker] ’ of ‘de echtgenoot’,

advocaat: mr. S. Vaupell te Wolvega,

en

[verweerder] ,

kantoorhoudende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: ‘ [verweerder] ’.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [belanghebbende1] ,

wonende te [C] ,

verder te noemen: ‘ [belanghebbende1] ’ of ‘betrokkene’,

2. [belanghebbende2],

wonende te [A] ,

verder te noemen: ‘dochter [belanghebbende2] ’,

3. [belanghebbende3],

wonende te [A] ,

verder te noemen: ‘dochter [belanghebbende3] ’,

4. [belanghebbende4],

wonende te [D] ,

verder te noemen: ‘dochter [belanghebbende4] ’,

5. [belanghebbende5],

wonende te [A] ,

verder te noemen: ‘dochter [belanghebbende5] ’,

6. [belanghebbende6] , vennoot van v.o.f. [E],

kantoorhoudende te [F] ,

verder ook te noemen: ‘ [belanghebbende6] ’ of ‘de bewindvoerder’,

7. [belanghebbende7] , vennoot van v.o.f. [E],

kantoorhoudende te [F] ,

verder ook te noemen: ‘ [belanghebbende7] ’ of ‘de mentor’.

Als informant is aangemerkt:

[G] , procesregisseur [H] bij gemeente Weststellingwerf,

te Wolvega.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de twee afzonderlijke beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 oktober 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 6 januari 2020;

- het verweerschrift van [verweerder] met productie(s);

- een brief van mr. Vaupell van 27 januari 2020 met productie(s);

- een brief van de dochters [belanghebbende3] , [belanghebbende5] en [belanghebbende4] van 10 maart 2020;

- een brief van de bewindvoerder van 13 maart 2020;

- een brief van dochter [belanghebbende5] , ingekomen bij het hof op 14 april 2020;

- een brief van mr. Vaupell van 13 augustus 2020 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 20 augustus 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- [verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat;

- [I] en [J] namens [verweerder] ;

- de bewindvoerder;

- dochter [belanghebbende3] ;

- dochter [belanghebbende5] ;

- [G] , procesregisseur [H] bij gemeente Weststellingwerf.

3 De feiten

3.1

[belanghebbende1] is geboren [in] 1944. Zij is gehuwd met [verzoeker] , die is geboren [in] 1945. [belanghebbende1] heeft vier kinderen, te weten dochter [belanghebbende2] , dochter [belanghebbende3] , dochter [belanghebbende4] en dochter [belanghebbende5] , allen uit een eerder huwelijk. [belanghebbende1] lijdt aan de ziekte van Alzheimer/dementie. [belanghebbende1] is op 30 augustus 2019 met spoed opgenomen in een verpleeghuis, waar zij sindsdien verblijft.

3.2

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 6 september 2019, heeft [verweerder] , middels de contactpersoon [I] (maatschappelijk werker), een verzoek ingediend tot onderbewindstelling en instelling van een mentorschap ten behoeve van [belanghebbende1] met het verzoek tot bewindvoerder te benoemen [belanghebbende6] en tot mentor te benoemen [belanghebbende7] , beiden vennoot van v.o.f. [E] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 9 oktober 2019 (gegeven onder zaaknummer 8024029) heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan [belanghebbende1] wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand. De kantonrechter heeft [belanghebbende6] , vennoot van v.o.f. [E] tot bewindvoerder benoemd.

4.2

Bij de afzonderlijke, eveneens bestreden beschikking van 9 oktober 2019 (gegeven onder zaaknummer 8024032) heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, een mentorschap ingesteld over [belanghebbende1] wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand. De kantonrechter heeft [belanghebbende7] , vennoot van v.o.f. [E] tot mentor benoemd.

4.3

[verzoeker] is met twee grieven in hoger beroep gekomen van beide bestreden beschikkingen. Deze grieven zien op de te benoemen bewindvoerder en mentor en op de procedure in eerste aanleg. [verzoeker] verzoekt het hof de bestreden beschikkingen te vernietigen voor zover daarbij [belanghebbende6] en [belanghebbende7] tot respectievelijk bewindvoerder en mentor zijn benoemd, en, opnieuw rechtdoende, de echtgenoot van [belanghebbende1] te benoemen tot zowel bewindvoerder als mentor van [belanghebbende1] .

Gelet op het verhandelde ter zitting (zie ook hierna onder r.o. 5.2 en 5.3), merkt het hof het hoger beroep aan als alleen te zijn ingesteld door [verzoeker] en zal het hof het hoger beroep aldus lezen dat [verzoeker] het hof verzoekt om alleen de bestreden beschikking van 9 oktober 2019 (zaaknummer 8024032) te vernietigen voor zover [belanghebbende7] tot mentor is benoemd, en, opnieuw rechtdoende, [verzoeker] te benoemen tot mentor van [belanghebbende1] .

4.4

[verweerder] voert verweer en verzoekt het hof (zo leest het hof:) de bestreden beschikkingen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen.

4.5

Dochters [belanghebbende3] en [belanghebbende5] hebben tijdens de zitting aangegeven dat het hun het beste lijkt voor hun moeder dat de professionele bewindvoerder en mentor in functie blijven en dat de bestreden beschikkingen worden bekrachtigd.

5 De motivering van de beslissing

Procedure in eerste aanleg

5.1

[verzoeker] heeft in het beroepschrift aangevoerd dat hij ten onrechte niet door de kantonrechter is gehoord alvorens de bestreden beschikkingen zijn gegeven. Het hof overweegt dat het hoger beroep mede strekt tot herstel van eventuele procedurele gebreken tijdens de procedure in eerste aanleg en dat in ieder geval tijdens de procedure in hoger beroep hoor en wederhoor is toegepast. Deze formele klacht kan daarom bij gebrek aan belang verder onbesproken blijven.

Positie [belanghebbende1] in hoger beroep

5.2

Het beroepschrift is blijkens de aanhef mede namens [belanghebbende1] ingediend. Tijdens de mondelinge behandeling is desgevraagd duidelijk geworden dat mr. Vaupell na de bestreden beschikkingen niet met [belanghebbende1] heeft gesproken over het instellen van hoger beroep. Ook heeft zij niet op andere wijze nagegaan of [belanghebbende1] in hoger beroep wilde gaan tegen de beschikkingen. De ongedateerde bereidverklaring van [verzoeker] om als mentor van [belanghebbende1] op te treden kan niet als een zodanige wilsverklaring van [belanghebbende1] worden aangemerkt. Aangezien het hof ook overigens niet is gebleken dat [belanghebbende1] het onderhavige hoger beroep heeft willen instellen, merkt het hof alleen de echtgenoot aan als verzoeker.

Te benoemen bewindvoerder

5.3

Ter zitting is namens [verzoeker] verklaard dat [verzoeker] niet (meer) tot bewindvoerder wil worden benoemd en dat het hoger beroep derhalve enkel nog ziet op de te benoemen mentor. Het hof zal dan ook [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van 9 oktober 2019 (zaaknummer 8024029). Aan de opmerking van [verzoeker] dat hij het bewind het liefst bij de [K] te [L] zou zien, gaat het hof voorbij nu hij aan deze opmerking geen verzoek heeft verbonden.

Horen betrokkene

5.4

Betrokkene is in hoger beroep niet ter zitting verschenen. Het hof ziet geen aanleiding om betrokkene alsnog in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord, omdat uit de stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam is gebleken dat betrokkene in verband met haar gezondheid (ziekte van Alzheimer/dementie) niet voldoende in staat is om haar mening kenbaar te maken ten aanzien van de geschilpunten die aan het hof zijn voorgelegd of om te begrijpen waar het onderhavige geschil over gaat. De vertegenwoordiger van [verweerder] heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat [belanghebbende1] geen notie meer heeft van de onderhavige kwestie. Geen van de ter zitting verschenen aanwezigen heeft dit weersproken.

Te benoemen mentor

5.5

Op grond van 1:452 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek volgt de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Ingevolge het vierde lid van voornoemd artikel wordt, tenzij lid 3 is toegepast, indien de betrokkene is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levenspartner heeft, bij voorkeur de echtgenoot, geregistreerd partner, dan wel een andere levensgezel tot mentor benoemd. Is het voorgaande niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd.

5.6

Ter beoordeling aan het hof ligt de vraag voor wie tot mentor van [belanghebbende1] moet worden benoemd: de echtgenoot van [belanghebbende1] of een professionele mentor.

5.7

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof, evenals de kantonrechter, van oordeel dat niet de echtgenoot maar [belanghebbende7] tot mentor moet worden benoemd. Het hof verwijst voor de onderbouwing van dat oordeel naar de overwegingen van de kantonrechter in de bestreden beschikking (zaaknummer 8024032) en maakt die overwegingen - na eigen onderzoek - tot de zijne. Het hof voegt hier het volgende aan toe.

5.8

Zoals hiervoor reeds overwogen, staat voor het hof voldoende vast dat [belanghebbende1] niet meer in staat is om zelf haar uitdrukkelijke voorkeur kenbaar te maken voor de te benoemen mentor. Op grond van de overwegingen van de kantonrechter en de navolgende onderbouwing zal onbesproken blijven of [belanghebbende1] reeds in een eerder stadium haar uitdrukkelijke voorkeur voor haar echtgenoot als mentor heeft aangegeven.

5.9

Voor het uitvoeren van de taak als mentor is het van belang dat de mentor goed met de betrokken personen en instanties kan communiceren en overleggen en tot een constructieve samenwerking kan komen. Het is het hof duidelijk geworden dat de echtgenoot dat (momenteel) onvoldoende kan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de echtgenoot regelmatig zeer dreigende taal en beschuldigingen uit richting de betrokken personen en instanties. De echtgenoot heeft ter zitting ook erkend dat hij heel agressief wordt wanneer er in zijn beleving onwaarheden worden verteld. Mede door deze wijze van communiceren komt de echtgenoot niet tot een adequate samenwerking met de verschillende betrokken personen en instanties. Hierdoor wordt de echtgenoot door het hof onvoldoende in staat geacht om de wil van [belanghebbende1] te vertolken en haar niet-vermogensrechtelijke belangen adequaat te behartigen.

5.10

Daarnaast blijkt uit de stukken, en dit is door de betreffende personen ook ter zitting erkend, dat de verstandhouding en communicatie tussen de echtgenoot en zijn stiefdochters (de dochters van [belanghebbende1] ) ernstig is verstoord. Dochters [belanghebbende3] en [belanghebbende5] hebben ter zitting verklaard dat zij mede daarom willen dat niet de echtgenoot van [belanghebbende1] tot mentor wordt benoemd, maar dat de benoeming van [belanghebbende7] tot mentor in stand wordt gelaten.

5.11

Op grond van het hiervoor overwogene ziet het hof aanleiding om af te wijken van voornoemd wettelijk uitgangspunt dat bij voorkeur de echtgenoot tot mentor wordt benoemd. Het hof acht het aangewezen en in het belang van [belanghebbende1] dat een professional tot mentor wordt benoemd, die als onafhankelijke partij in staat is te communiceren met alle betrokken partijen en informatie (over de zorgontwikkelingen en het welzijn van [belanghebbende1] ) op neutrale wijze met een ieder kan delen en kan ontvangen. Nu het hof ook overigens niet is gebleken van bezwaren tegen de huidige mentor, zal het hof de benoeming van [belanghebbende7] tot mentor in stand laten.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof als volgt beslissen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep ten aanzien van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 oktober 2019 (zaaknummer 8024029);

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 oktober 2019 (zaaknummer 8024032), voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, G.M. van der Meer en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 17 september 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.