Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7455

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
200.265.537/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De man moet de vaststellingsovereenkomst met betrekking tot de betaling van de alimentatieachterstand nakomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.265.537/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 163640)

beschikking van 17 september 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J. Oosterhof te Heerenveen,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.C. Koolmees te Groningen.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van de procedure in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 5 juni 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 4 september 2019;

  • -

    het verweerschrift met productie(s);

  • -

    een journaalbericht van mr. Oosterhof van 11 oktober 2019 met productie(s).

2.2

Bij brief van 24 april 2020 heeft het hof partijen bericht dat de op 8 mei 2020 geplande mondelinge behandeling van de zaak niet door kan gaan in verband met het coronavirus. Het hof heeft partijen daarbij de mogelijkheid gegeven te kiezen voor een nieuwe mondeling behandeling van de zaak op een nader te bepalen datum dan wel schriftelijke afdoening van de zaak. Bij journaalberichten van 1 mei 2020 hebben partijen het hof laten weten dat zij kiezen voor schriftelijke afdoening.
2.3 Het hof heeft kennisgenomen van de nadere schriftelijke uitlatingen van partijen, beide ingekomen bij het hof op 2 juni 2020 gevoegd bij journaalberichten van 29 mei 2020. Het hof heeft tevens kennisgenomen van het journaalbericht van mr. Oosterhof van 14 mei 2020 met productie(s) omdat mr. Koolmees daar op heeft gereageerd in haar akte van uitlating.

2.4

Het hof zal nu op de stukken een beschikking geven.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, namelijk [in] 1999 [de minderjarige1] en [in] 2001 [de minderjarige2] .

3.2

Bij beschikking van 3 maart 2010 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 10 maart 2010 als latere vermelding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden.

3.3

In de echtscheidingsbeschikking is de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bepaald op € 1.100,- per kind per maand en is de door de man aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie bepaald op € 5.645,- per maand.

3.4

Partijen hebben - nadat de man in maart 2014 een verzoek om nihilstelling van de partneralimentatie en verlaging van de kinderalimentatie had ingediend - op 5 mei 2015 een vaststellingsovereenkomst ondertekend waarin onder meer het volgende is opgenomen:

"(..) Partijen hebben afspraken gemaakt over de ontstane betalingsachterstand alsmede over de
toekomstige alimentatietermijnen en zijn in dit verband overeengekomen:

A. De man zal met ingang van 1 januari 2014 zijn periodieke betalingsverplichting hervatten.
B. De man zal met ingang van 1 januari 2014 een maandelijkse bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van zijn dochters leveren ad € 1.100,- per kind per maand alsmede in
de kosten van levensonderhoud van de vrouw ad € 1.300,- per maand.

C. De vrouw zal de achterstallige alimentatie (ter grootte van in totaal € 3.500,- per maand) zoals
die is opgebouwd in de periode tussen 1 januari 2014 en datum ondertekening convenant
ineens op haar rekening gestort krijgen.

D. (…)

E. Ten aanzien van de partneralimentatie wensen partijen vast te leggen dat zij overeengekomen
zijn dat de alimentatieverplichting ten aanzien van de vrouw zal eindigen uiterlijk 12 jaar nadat
de eerste termijn is voldaan. Gelet op het feit dat de man de eerste termijn op 01 januari 2010
heeft voldaan eindigt zijn verplichting ten aanzien van de vrouw op 01 januari 2022. Mocht de
vrouw in de tussenliggende periode gaan samenwonen als ware zij gehuwd en de situatie zoals
beschreven in artikel 1:160 BW zich voordoet zal de man direct ontheven zijn van zijn
verplichtingen jegens de vrouw.

F. De huidige alimentatieachterstand bedraagt per 1 januari 2014 € 161.265,-. Partijen zijn ten
aanzien van de achterstand overeengekomen dat de man ter delging van zijn schuld een
bedrag ter grootte van € 56.000,- aan de vrouw zal voldoen en de resterende achterstand door
de vrouw aan de man wordt kwijt gescholden. De man is daarbij niet gehouden wettelijke
rente te voldoen. Op het moment dat de man zich niet zal houden aan de afspraken zoals in
deze vaststellingsovereenkomst vastgelegd zal de overeengekomen

alimentatieachterstand ter grootte van € 105.265,- alsnog opeisbaar zijn, tenzij er sprake is van
gewijzigde omstandigheden die buiten de invloedsfeer van de man liggen.

G. De man zal het bedrag ter delging van zijn alimentatieachterstand aan de vrouw voldoen door
maandelijks een bedrag ad € 2.000,- aan de vrouw over te maken onder de noemer
“achterstallige kinderalimentatie”. De man zal derhalve gedurende 28 maanden deze extra
storting ter grootte van € 2.000,- voldoen.
(..)"

3.5

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 23 oktober 2018 en zoals nadien aangevuld op 23 november 2018, heeft de man zakelijk weergegeven verzocht:
primair:

I. wijziging van de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen partneralimentatie en nihilstelling daarvan met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, dan wel met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum;

subsidiair:

II. wijziging van de in de echtscheidingsbeschikking vastgestelde partneralimentatie over
de periode van 3 maart 2010 tot 5 mei 2015 in die zin dat de door partijen gemaakte
afspraken in de vaststellingsovereenkomst gelden en dat de partneralimentatie met
ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, dan wel met ingang van
een door de rechtbank te bepalen datum, op nihil wordt gesteld.

3.6

De vrouw heeft op 19 december 2018 een verweerschrift ingediend waarin zij heeft geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van de man (onder I. en II.). Zij heeft uiteindelijk de navolgende zelfstandige verzoeken gedaan, zakelijk weergegeven:
III. de vaststellingsovereenkomst van 5 mei 2015 in de beschikking op te nemen en de
man te veroordelen tot naleving ervan;

IV. te bepalen dat de man op grond van die vaststellingsovereenkomst € 105.265,- aan de
vrouw dient te voldoen binnen één maand na het geven van de beschikking;

V. voor recht te verklaren dat de achterstallige partneralimentatie (van 1 januari 2014 tot
9 april 2019) € 2.774,- bedraagt en te bepalen dat de man dit bedrag binnen één maand
na het wijzen van de beschikking aan de vrouw dient te voldoen;

VI. de af te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad alsmede uitvoerbaar bij

lijfsdwang te verklaren.

3.7

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank als volgt beslist:

"De rechtbank:

5.1

wijst de verzoeken van de man af;

5.2

bepaalt dat de aangehechte en door partijen op 5 mei 2015 ondertekende
vaststellingsovereenkomst deel uitmaakt van de beschikking;

5.3

veroordeelt de man tot naleving van de aangehechte vaststellingsovereenkomst;

5.4

bepaalt dat de man een bedrag van € 105.265,- aan de vrouw dient te voldoen binnen
één maand na de datum van deze beschikking;

5.5

verklaart voor recht dat de achterstallige partneralimentatie over de periode van 1 januari
2014 tot 9 april 2019 een bedrag van € 2.774,- bedraagt;

5.6

bepaalt dat de man de in de rechtsoverweging 5.5 genoemde achterstallige
partneralimentatie van € 2.774,- binnen één maand na het wijzen van de beschikking
aan de vrouw dient te voldoen;

5.7

verklaart de onderdelen 5.3 en 5.6 van deze beschikking uitvoerbaar bij lijfsdwang, met
inachtneming van hetgeen onder 4.10 is overwogen;

5.8

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.9

wijst het meer of anders verzochte af."

4 Het geschil

4.1

Het geschil in hoger beroep betreft de voormelde beslissingen van de rechtbank onder 5.4 en 5.5 in het dictum van de bestreden beschikking.

4.2

De man is daarvan met twee grieven in hoger beroep gekomen, waarbij de eerste grief betrekking heeft op 5.4 en de tweede grief op 5.5. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het die beslissingen betreft en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de desbetreffende zelfstandige verzoeken van de vrouw af te wijzen.

4.3

De vrouw verzoekt het hof om het verzoek van de man in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover aan het hoger beroep onderworpen.

5 De overwegingen voor de beslissing

Inleidende opmerkingen
5.1 De man is in zijn akte van uitlating allereerst ingegaan op mogelijke samenwoning van de vrouw en haar nieuwe partner. Waar de man zelf aangeeft dat dit niet voorligt aan het hof zal het hof aan deze opmerkingen van de man voorbijgaan.

De veroordeling tot betaling van € 105.265,- (grief 1)

5.2

Deze beslissing van de rechtbank onder 5.4 in het dictum van de bestreden beschikking is gebaseerd op het oordeel dat de man zijn verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst van 5 mei 2015 niet volledig is nagekomen, waardoor het bedrag van € 105.265,- op grond van artikel 5 onder F van de vaststellingsovereenkomst opeisbaar is geworden. De rechtbank heeft in dit verband vastgesteld dat de man in oktober 2018 is gestopt met het betalen van de maandelijkse partneralimentatie en dat er daarnaast op 28 maart 2019 nog een betalingsachterstand over 2014 was ter hoogte van € 13.000,-. Ten tijde van de zitting betrof dit nog een achterstand van € 2.774,-.

5.3

Voormeld oordeel van de rechtbank houdt in hoger beroep stand reeds omdat de man heeft erkend dat hij zijn verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst niet geheel is nagekomen. Vast staat in elk geval dat de man per oktober 2018 gedurende een aantal maanden is gestopt met betaling van de afgesproken partneralimentatie. Daardoor is de in de vaststellingsovereenkomst van 2015 kwijtgescholden alimentatieachterstand (opnieuw) opeisbaar geworden en kon op basis van artikel 6:38 BW direct nakoming worden verzocht. Verzuim was daarvoor niet vereist. Dat de man op een gegeven moment alsnog die verschuldigde achterstand volledig heeft betaald staat aan de opeisbaarheid niet in de weg. Het hof vindt, mede gelet op de betwisting door de vrouw, in het door de man aangevoerde onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de in artikel 5 onder F van de vaststellingsovereenkomst neergelegde uitzondering zich voordoet ("tenzij er sprake is van gewijzigde omstandigheden die buiten de invloedsfeer van de man liggen").

5.4

De man heeft aangevoerd dat partijen zijn afgeweken van de voormelde vaststellingsovereenkomst onder F doordat zij in onderhandeling zijn gegaan over de
(wijze van) betaling van de achterstand van € 13.000,- over 2014 zodat de vrouw zich niet meer mag beroepen op de bepaling onder F. Het hof overweegt hierover dat de niet-nakoming niet alleen de betaling van die € 13.000,- betrof maar ook de reguliere maandelijkse alimentatiebijdragen. Gelet op de betwisting door de vrouw heeft de man overigens onvoldoende onderbouwd dat partijen zijn overeengekomen om tijdens onderhandelingen over achterstallige betalingen van de man de bepaling onder F in de vaststellingsovereenkomst buiten werking te stellen.

5.5

Het hof verwerpt het beroep van de man op de redelijkheid en billijkheid. De man heeft daartoe gesteld dat de tijdelijke tekortkoming zodanig gering was dat deze op basis van de redelijkheid en billijkheid niet kan leiden tot een veroordeling tot betaling van een bedrag van € 105.265,-. Het hof merkt dit aan als een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de vrouw in 2015, doordat de man herhaaldelijk zijn verplichtingen niet nakwam, met de man in overleg is gegaan met betrekking tot de alimentatie. Zij is daarbij bereid geweest afstand te doen van een aanzienlijk deel van de achterstallige alimentatie onder de voorwaarde dat de man zich vanaf dan aan de afspraken zou houden. Dee man heeft zich desondanks niet aan de afspraken gehouden en in elk geval betaling van vier maanden partneralimentatie, zijnde in totaal € 5.200,-, eigener beweging achterwege gelaten. In het licht van de wanbetaling in het verleden, die op enig moment heeft geresulteerd in een betalingsachterstand van € 161.265,-, waarvan de vrouw een aanzienlijk deel heeft willen kwijtschelden, kan de man er zich in redelijkheid niet op beroepen dat het hier een geringe tekortkoming betrof. Voor zover de man zich nog op het standpunt heeft willen stellen dat bij hem sprake was van betalingsonmacht, overweegt het hof dat de man dat op geen enkele manier heeft onderbouwd. Zo beschikt het hof niet over (recente) inkomensgegevens van de man en heeft de man ook zijn vermogenspositie niet inzichtelijk gemaakt. Hetgeen de man heeft aangevoerd met betrekking tot het gedrag van de vrouw leidt evenmin tot de conclusie dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aan de hier bedoelde verplichting kan worden gehouden.

De verklaring voor recht dat de achterstallige partneralimentatie over de periode van
1 januari 2014 tot 9 april 2019 een bedrag van € 2.774,- bedraagt (grief 2)
5.6 Met zijn tweede grief betoogt de man dat hij niet gehouden is het bedrag van € 2.774,- aan de vrouw te voldoen maar aan de kinderen gelet op nadere afspraken die dateren van na de vaststellingsovereenkomst.

5.7

De vrouw heeft ermee ingestemd dat de man het (eventueel) nog openstaande bedrag aan de kinderen voldoet. Het hof zal daarom de hier bedoelde beslissing van de rechtbank onder 5.5 in het dictum van de bestreden beschikking vernietigen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen als hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 5 juni 2019 voor zover het de beslissing onder 5.5 in het dictum van die beschikking betreft en bekrachtigt die beschikking voor het overige voor zover aan dit hoger beroep onderworpen;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, J.G. Idsardi en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. A.J.Th. Harkema als griffier en is op 17 september 2020 in het openbaar uitgesproken.