Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7450

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
21-004775-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:3540, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Misdrijven begaan tegen achtjarig zoontje op camping(s) in Winterswijk, waaronder opsluiting in een kist. Hof veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf van vier jaren en zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004775-18

Uitspraak d.d.: 21 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 14 augustus 2018 met parketnummer 05-840798-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1982,

wonende te [woonplaats] (Bondsrepubliek Duitsland), [adres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 5 februari 2019, 29 april 2019, 23 juli 2019, 24 september 2019, 8 juni 2020 en 8 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. In de zaak zijn door het hof eerder tussenarresten gewezen op 19 februari 2019 en op 8 oktober 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen naar voren is gebracht door de verdachte en zijn raadsman, mr. J. de Haan.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen, omdat in hoger beroep de tenlastelegging (en daarmee de grondslag van het onderzoek) is gewijzigd. In het verlengde daarvan komt het hof tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank. Ook zal het hof een andere straf opleggen dan de rechtbank.

De tenlastelegging

Ter terechtzitting van 5 februari 2019 heeft het hof (op vordering van de advocaat-generaal) de tenlastelegging gewijzigd. Deze wijziging behelsde in essentie de uitbreiding van de pleegperiode (ten aanzien van alle drie de feiten) en een nadere feitelijke uitwerking van het onder 3 tenlastegelegde ‘en/of in een situatie gebracht of gehouden die voor de gezondheid van die [slachtoffer] schadelijk was of kon zijn’.

De raadsman heeft ter terechtzitting van 8 september 2020 bepleit dat het hof alsnog zal oordelen dat de desbetreffende vordering tot wijziging van de tenlastelegging ontoelaatbaar is en recht zal doen op basis van de tenlastelegging zoals deze luidde voorafgaand aan de bestreden wijziging.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Het hof stelt voorop dat de tenlastelegging slechts kan worden gewijzigd op vordering van het openbaar ministerie. Het hof kan dus niet op eigen initiatief de tenlastelegging wijzigen. Dit brengt mee dat het hof niet bevoegd is om op eigen initiatief een eerder toegelaten wijziging van de tenlastelegging ongedaan te maken.

In het geval het hof daartoe wel bevoegd zou zijn geweest, zou het hof geen aanleiding hebben gezien de bestreden wijziging van de tenlastelegging ongedaan te maken. Naar het oordeel van het hof is die wijziging in overeenstemming met artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en ook anderszins niet ontoelaatbaar, zoals door de verdediging gesteld.

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 22 juli 2017 te Winterswijk, althans in de gemeente Winterswijk en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, zijn kind, [slachtoffer] , heeft mishandeld door deze meermalen, in elk geval éénmaal vast te binden en/of te knevelen en/of in elk geval de armen, polsen, enkels en/of voeten met behulp van tiewraps vast te snoeren of te binden en/of door die [slachtoffer] meermalen, in elk geval éénmaal te schoppen en/of te trappen en/of opzettelijk de gezondheid van die [slachtoffer] te benadelen, door hem onvoldoende eten en drinken te geven;

2.

hij op meerdere, althans enig tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2017 tot en met 22 juli 2017 te Winterswijk, althans in de gemeente Winterswijk en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk zijn kind, [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer] in een kist op te sluiten en/of opgesloten te houden en/of door die [slachtoffer] vast te binden met tiewraps en/of touw, althans met bindmateriaal om zijn polsen en/of enkels en/of door die [slachtoffer] met tiewraps vast te binden aan het kinderzitje in de auto;

3.

hij op meerdere, althans enig tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2017 tot en met 22 juli 2017 te Winterswijk, althans in de gemeente Winterswijk en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een kind, [slachtoffer] , tot wiens onderhoud en/of verzorging hij en/of zijn mededader, zijnde de ouders van die [slachtoffer] , verplicht waren, meermalen, althans éénmaal in een hulpeloze toestand heeft gebracht of gelaten, hebbende hij en/of zijn mededader die [slachtoffer] , die de leeftijd van acht jaar had en aldus geheel hulpbehoevend en afhankelijk was, opzettelijk te weinig eten en/of ongeregeld eten gegeven en/of hebbende hij en/of zijn mededader:

 onvoldoende medische zorg gezocht voor [slachtoffer] terwijl [slachtoffer] ondervoed was en/of

 onvoldoende medische zorg gezocht voor [slachtoffer] terwijl/toen [slachtoffer] fracturen en/of schimmels en/of zweren, althans letsels had en/of

 onvoldoende medische zorg gezocht voor [slachtoffer] terwijl/toen [slachtoffer] (hoge) koorts had en/of

 voor onvoldoende sanitaire voorzieningen gezorgd voor die [slachtoffer] door die [slachtoffer] op te sluiten in een kist en/of vast te binden waardoor [slachtoffer] niet de WC kon bereiken en/of (daardoor) (langdurig) in zijn urine en/of ontlasting zat/lag en/of

 voor onvoldoende hygiëne gezorgd voor [slachtoffer] door de met feces en urine besmeurde [slachtoffer] niet direct, althans onvoldoende schoon te maken en/of die [slachtoffer] niet onverwijld en/of onvoldoende met warm water schoon te (laten) maken en/of

 voor onvoldoende bescherming tegen de kou gezorgd door [slachtoffer] onvoldoende te kleden en/of

 voor onvoldoende beweging gezorgd voor [slachtoffer] door [slachtoffer] meermalen al dan niet langdurig aan verschillende voorwerpen vast te binden (waardoor het skelet en spierweefsel van die jeugdige [slachtoffer] zich niet voldoende kon ontwikkelen).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen, inhoudende de redengevende feiten en omstandigheden waarop de (hierna weer te geven) bewezenverklaring steunt, zullen worden opgenomen in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen.

De verdachte heeft het ten laste gelegde grotendeels bekend en de verdediging heeft ten aanzien van geen van de drie ten laste gelegde feiten een integrale vrijspraak bepleit. Wel heeft de raadsman bepleit dat de verdachte van een aantal onderdelen dient te worden vrijgesproken. Het hof zal deze verweren bespreken, voor zover deze niet zonder meer worden weerlegd door de bewijsmiddelen.

Pleegperiode

De raadsman heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van (alle onderdelen van) het ten laste gelegde, voor zover inhoudend dat de misdrijven zijn begaan in de periode van januari tot en met februari 2017. Hiertoe is aangevoerd dat [slachtoffer] in die periode niet in Nederland was, maar verbleef in Sauerland (Duitsland).

Het hof overweegt hierover het volgende.

In de periode van 1 januari 2017 tot medio maart bezette het gezin een plek op camping [camping 1] in Winterswijk. Hoewel het hof er niet aan twijfelt dat [slachtoffer] in die periode ook een aantal dagen of weken in Sauerland is geweest, leidt het hof uit de volgende omstandigheden af dat [slachtoffer] in januari en februari 2017 ten minste een aantal keren daadwerkelijk op de camping in Winterwijk is geweest:

 Op 10 januari 2017 zond de verdachte het volgende bericht naar de medeverdachte: ‘hij zit, stinkt en verpest de voortent’.1

 Op een van de in beslag genomen telefoons is een foto van [slachtoffer] aangetroffen, welke foto gemaakt is op 22 februari 2017. De verdachte heeft hierover verklaard dat deze foto is gemaakt in de voortent.

Het hof heeft geen enkele reden om aan te nemen dat met ‘de voortent’ een andere plek is bedoeld dan de voortent bij de caravan waarin het gezin op dat moment verbleef op een camping in Winterswijk.

 Op een in beslag genomen foto die is gemaakt op 27 februari 2017 is [slachtoffer] te zien in de buitenlucht met een rode emmer. Verdachte heeft daarover verklaard dat die foto gemaakt zou kunnen zijn op camping [camping 1] .

 Verdachte heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat het gezin in de maanden januari en februari 2017 op camping [camping 1] verbleef maar dat zijn vrouw en kinderen daar tot medio maart niet voortdurend verbleven. Hij heeft daarbij verklaard dat zijn vrouw ook in Sauerland heeft gewoond maar deels ook in Nederland was.

Gelet op het voorgaande ziet het hof in het enkele gegeven dat [slachtoffer] gedurende januari en februari 2017 een bepaalde periode heeft doorgebracht in Sauerland, geen aanleiding om de verdachte ten aanzien van die periode vrij te spreken.

Feit 1 (onvoldoende eten)

De raadsman heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde, voor zover inhoudend dat de gezondheid van [slachtoffer] is benadeeld doordat hem te weinig eten is gegeven. Hiertoe is onder meer aangevoerd dat, aangenomen dat [slachtoffer] onvoldoende voeding kreeg aangeboden, de verdachte hiervan niet op de hoogte was. Overdag was de verdachte immers aan het werk, waardoor hij geen zicht had op de voeding die [slachtoffer] werd aangeboden door de medeverdachte.

Verder heeft de raadsman (in het verband van het onderhavige verweer) bepleit dat de verklaring van [slachtoffer] niet voor het bewijs kan worden gebezigd, omdat de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad [slachtoffer] te (doen) ondervragen. Voor het geval het hof op laatstgenoemd punt tot een ander oordeel komt, heeft de raadsman bepleit dat de verklaring van [slachtoffer] onvoldoende betrouwbaar is om te worden gebruikt als bewijsmiddel.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Tijdens de nacht van 22 juli 2017 is [slachtoffer] ’s nachts aangetroffen in de voortent van de caravan van de buren (op camping [camping 2] ), nadat hij daar eten had gepakt. Volgens de bewoner van die caravan (getuige [getuige] ) was [slachtoffer] op dat moment ‘graatmager’.

Later die dag is [slachtoffer] onderzocht door een forensisch arts van de GGD. Deze constateerde dat [slachtoffer] erg mager oogt en erg klein is voor zijn leeftijd. De geringe lengtegroei en het gebrek aan spierweefsel zou kunnen passen bij een zogenoemde ‘failure to thrive’, wat een bekend symptoom is van verwaarlozing en kindermishandeling, aldus de GGD-arts.

Vervolgens is [slachtoffer] opgenomen in het Wilhelmina Kinderziekenhuis en onderzocht door een forensisch kinderarts van het NFI. Deze constateerde bij [slachtoffer] verschillende kenmerken van ondervoeding, te weten mager-zijn, een bolle buik en lanugobeharing. Ook oogt [slachtoffer] klein voor zijn leeftijd. In de periode van 22 juli 2017 tot en met 18 oktober 2017, waarin [slachtoffer] niet meer bij zijn ouders verblijft, maar achtereenvolgens in het ziekenhuis en een pleeggezin, is [slachtoffer] ruim vijf kilo aangekomen. Deze gewichtstoename zonder medisch ingrijpen duidt erop dat het lage gewicht niet veroorzaakt werd door een medische aandoening. Over foto’s van [slachtoffer] die gemaakt zijn op 27 februari 2017, 8 en 9 mei 2017 en 30 juni 2017 heeft de forensisch kinderarts gerapporteerd dat daarop sprake lijkt van een slechte voedings- en verzorgingstoestand. De meest waarschijnlijke verklaring voor het lage gewicht is onvoldoende aanbod van (volwaardige) voeding, aldus de forensisch kinderarts.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij ’s ochtends alleen maar droog (en soms beschimmeld) brood te eten kreeg en dat hij ’s avonds vaak helemaal niks kreeg.

[zus slachtoffer] , het zusje van [slachtoffer] , heeft verklaard dat als [slachtoffer] gepikt had, hij helemaal niks te eten kreeg.

Op 21 februari 2017 zond de medeverdachte de volgende berichten naar de verdachte: ‘jetzt hat er wieder seine vollgeschissenen sachen überall verteilt .... schön auf den teppich gelegt’ en ‘und wieder kein Abendessen für stinki’.

Uit deze berichten, in samenhang met de verklaringen van [slachtoffer] en [zus slachtoffer] , leidt het hof af dat de verdachte en de medeverdachte [slachtoffer] pleegden te straffen door hem geen avondeten te geven. De verdachte was hiervan op de hoogte en het hof heeft geen enkele reden om aan te nemen dat de verdachte hier niet mee instemde of niet bijdroeg aan de uitvoering hiervan. Deze wijze van straffen past bij andere (strafbare) maatregelen die de verdachte en de medeverdachte namen om het gedrag van [slachtoffer] te beïnvloeden en waarover zij onderling overlegden via (onder meer) telefoonberichtjes.

Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat [slachtoffer] leed aan ondervoeding en dat dit werd veroorzaakt doordat zijn ouders hem onvoldoende eten aanboden. De bevindingen van de artsen betreffende zijn medische gesteldheid passen bij de omstandigheid dat zijn ouders hem straften door hem geen avondeten aan te bieden.

Aangezien op de ouders van een minderjarig kind, in dit geval de verdachte en de medeverdachte, de (wettelijke) plicht rust om te zorgen voor het lichamelijk welzijn van dat kind, is het hof van oordeel dat het opzettelijke nalaten om [slachtoffer] voldoende voedsel aan te bieden, kan worden aangemerkt als opzettelijke benadeling van zijn gezondheid, in de zin van artikel 300, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Verklaring van [slachtoffer]

In reactie op de stelling van de raadsman dat de verklaring van [slachtoffer] niet voor het bewijs kan worden gebruikt, overweegt het hof volgende.

Op 27 juli 2017 is [slachtoffer] door de politie gehoord in een studio in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht. [slachtoffer] heeft toen een voor de verdachte belastende verklaring afgelegd. Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft de raadsman het hof verzocht te beslissen dat [slachtoffer] zal worden gehoord als getuige. Ter terechtzitting van 8 juni 2020 heeft het hof dit verzoek afgewezen, omdat (kort gezegd) het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van [slachtoffer] door het ondergaan van een getuigenverhoor in gevaar zou worden gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang van de verdediging om de getuige te kunnen ondervragen.

Het hof stelt voorop dat, aangezien [slachtoffer] in verband met de onderhavige strafzaak een voor de verdachte belastende verklaring heeft afgelegd, de verdediging het recht heeft op een (behoorlijke en effectieve) mogelijkheid om [slachtoffer] in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De verdediging heeft die mogelijkheid niet gehad, doordat (zoals al overwogen) het hof het desbetreffende getuigenverzoek heeft afgewezen. Echter, de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat er niet aan in de weg dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaring tot het bewijs wordt gebezigd, mits de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring steunt. Voor de beantwoording van de vraag of een bewezenverklaring in beslissende mate op een verklaring steunt, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdediging betwist.

Eerder in dit arrest is weergegeven uit welke bewijsmiddelen het hof afleidt dat de verdachte en de medeverdachte de gezondheid van [slachtoffer] hebben benadeeld door hem onvoldoende eten aan te bieden. Het hof is van oordeel dat daaruit volgt dat het desbetreffende onderdeel van de bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op de verklaring van [slachtoffer] , maar dat die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het hof is dan ook van oordeel dat die verklaring tot het bewijs kan worden gebezigd. Overigens geldt hetzelfde voor de verklaring van [zus slachtoffer] , die de verdediging (ondanks een daartoe strekkend verzoek) evenmin heeft kunnen ondervragen.

Gelet op de mate waarin deze verklaring steun vindt in ander bewijsmateriaal, ziet het hof in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] .

Feit 2 (vrijheidsberoving)

De raadsman heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde, voor zover inhoudend dat dit is begaan vóór 27 maart 2017. De verdachte heeft bekend dat [slachtoffer] werd vastgebonden met tiewraps en dat hij werd opgesloten in een kist in de voortent, maar er is onvoldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat dit al vóór 27 maart 2017 gebeurde, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Op 15 maart 2017 zond de verdachte het volgende bericht naar de medeverdachte: ‘Hij wordt vanavond schoongemaakt en wordt dan vastgebonden in de caravan’.2 Het hof heeft geen reden om eraan te twijfelen dat later op die dag de daad bij het woord is gevoegd, gelet op de regelmaat waarmee dit gebeurde.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij in de kist sliep sinds ze op de camping zijn. Het is voor het hof evenwel niet zonder meer duidelijk of [slachtoffer] hiermee (ook) camping [camping 1] (waar het gezin vóór maart 2017 verbleef) heeft bedoeld, of dat zijn verklaring alleen betrekking heeft op camping [camping 2] , waar het gezin vanaf maart 2017 verbleef.

Verder stelt het hof vast dat verdachte consequent heeft verklaard [slachtoffer] voor het eerst te hebben vastgebonden op camping [camping 2] .

Op grond van wettige bewijsmiddelen is het hof dan ook van oordeel dat bewezen dient te worden dat [slachtoffer] vanaf 15 maart 2017 wederrechtelijk van zijn vrijheid werd beroofd zoals tenlastegelegd onder feit 2.

Het hof stelt daarmee ook vast dat op grond van wettige bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] eerder dan 15 maart 2017 heeft vastgebonden of opgesloten. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken voor zover feit 2 betrekking heeft op de periode van 1 januari 2017 tot en met 14 maart 2017.

Feit 3 (verwaarlozing)

De raadsman heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde, voor zover inhoudend dat dit is begaan vóór 1 juni 2017.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Het hof stelt voorop dat van ‘een hulpeloze toestand’ (in de zin van artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht) sprake is als de toestand in kwestie gevaar oplevert voor de gezondheid van de betrokkene en degene niet in staat is zichzelf te redden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte en de medeverdachte met betrekking tot [slachtoffer] op verschillende wijzen een dergelijke situatie hebben gecreëerd en/of laten voortbestaan, ondanks dat het als ouders van de minderjarige [slachtoffer] aan hen was om [slachtoffer] te hulp te komen. Zo hebben zij hem in een toestand van ondervoeding gebracht door hem onvoldoende (gezond) eten aan te bieden en hebben zij hem vastgebonden en in een kist opgesloten, waardoor hem als jong kind zijn bewegingsvrijheid werd ontnomen en hij geen toegang had tot sanitaire voorzieningen. Verder hebben zij nagelaten in te grijpen toen [slachtoffer] leed aan ondervoeding of last had van schimmels en zweren. Aangezien een aantal van deze problemen al speelden aan het begin van de tenlastegelegde pleegperiode, ziet het hof geen aanleiding de pleegperiode in de bewezenverklaring te beperken. Het verweer wordt dan ook verworpen.

WhatsApp-berichten

Het hof gebruikt voor het bewijs onder meer een aantal WhatsApp-berichten die de verdachte en de medeverdachte naar elkaar hebben gezonden. Net als de rechtbank neemt het hof hierbij het volgende in aanmerking.

Uit de uitdraaien van de gesprekken die door de politie zijn gemaakt, lijkt het alsof de berichten die door de medeverdachte zijn verzonden, afkomstig zijn van ene ‘ [naam] ’. Het onderzoek heeft niet uitgewezen waar deze naam vandaan komt. Het is derhalve niet duidelijk of dit een naam is die door de medeverdachte werd gebruikt, of dat deze naam om een — onbekend gebleven — technische reden aan het desbetreffende telefoonnummer is gekoppeld. Het hof twijfelt er echter niet aan dat de berichten die vanaf de telefoon van de medeverdachte naar de verdachte zijn gestuurd, afkomstig zijn van de medeverdachte. Dit blijkt onder meer uit de berichten die vanaf deze telefoon en het desbetreffende nummer zijn gestuurd naar de moeder van medeverdachte. Ook hier geeft de uitdraai aan dat ‘ [naam] ’ de afzender is, terwijl uit de inhoud en context van de berichten – in een aantal van die berichten worden de kinderen van de medeverdachte bij naam genoemd – ontegenzeggelijk blijkt dat de berichten door de medeverdachte zijn verstuurd.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 22 juli 2017 te Winterswijk, althans in de gemeente Winterswijk en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, zijn kind, [slachtoffer] , heeft mishandeld door deze meermalen, in elk geval éénmaal vast te binden en/of te knevelen en/of in elk geval de armen, polsen, enkels en/of voeten met behulp van tiewraps vast te snoeren of te binden en/of door die [slachtoffer] meermalen, in elk geval éénmaal te schoppen en/of te trappen en/of opzettelijk de gezondheid van die [slachtoffer] te benadelen, door hem onvoldoende eten en drinken te geven;

2.

hij op meerdere, althans enig tijdstip(pen) in de periode van 15 maart 2017 tot en met 22 juli 2017 te Winterswijk, althans in de gemeente Winterswijk en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk zijn kind, [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer] in een kist op te sluiten en/of opgesloten te houden en/of door die [slachtoffer] vast te binden met tiewraps en/of touw, althans met bindmateriaal om zijn polsen en/of enkels en/of door die [slachtoffer] met tiewraps vast te binden aan het kinderzitje in de auto;

3.

hij op meerdere, althans enig tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2017 tot en met 22 juli 2017 te Winterswijk, althans in de gemeente Winterswijk en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een kind, [slachtoffer] , tot wiens onderhoud en/of verzorging hij en/of zijn mededader, zijnde de ouders van die [slachtoffer] , verplicht waren, meermalen, althans éénmaal in een hulpeloze toestand heeft gebracht of gelaten, hebbende hij en/of zijn mededader die [slachtoffer] , die de leeftijd van acht jaar had en aldus geheel hulpbehoevend en afhankelijk was, opzettelijk te weinig eten en/of ongeregeld eten gegeven en/of hebbende hij en/of zijn mededader:

 onvoldoende medische zorg gezocht voor [slachtoffer] terwijl [slachtoffer] ondervoed was en/of

 onvoldoende medische zorg gezocht voor [slachtoffer] terwijl/toen [slachtoffer] fracturen en/of schimmels en/of zweren, althans letsels had en/of

onvoldoende medische zorg gezocht voor [slachtoffer] terwijl/toen [slachtoffer] (hoge) koorts had en/of

 voor onvoldoende sanitaire voorzieningen gezorgd voor die [slachtoffer] door die [slachtoffer] op te sluiten in een kist en/of vast te binden waardoor [slachtoffer] niet de WC kon bereiken en/of (daardoor) (langdurig) in zijn urine en/of ontlasting zat/lag en/of

 voor onvoldoende hygiëne gezorgd voor [slachtoffer] door de met feces en urine besmeurde [slachtoffer] niet direct, althans onvoldoende schoon te maken en/of die [slachtoffer] niet onverwijld en/of onvoldoende met warm water schoon te (laten) maken en/of

 voor onvoldoende bescherming tegen de kou gezorgd door [slachtoffer] onvoldoende te kleden en/of

 voor onvoldoende beweging gezorgd voor [slachtoffer] door [slachtoffer] meermalen al dan niet langdurig aan verschillende voorwerpen vast te binden (waardoor het skelet en spierweefsel van die jeugdige [slachtoffer] zich niet voldoende kon ontwikkelen).

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengen of laten, meermalen gepleegd.

Voor zover het onder 1 bewezenverklaarde betrekking heeft op het vastbinden van (de armen, polsen, enkels en/of voeten van) [slachtoffer] met behulp van tiewraps in de periode van 15 maart 2017 tot en met 22 juli 2017, is sprake van eendaadse samenloop (als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht) met het onder 2 bewezenverklaarde, voor zover betrekking hebbende op het vastbinden van [slachtoffer] met tiewraps.

Ook is sprake van eendaadse samenloop van het onder 1 bewezenverklaarde met het onder 3 bewezenverklaarde, voor zover inhoudende dat [slachtoffer] te weinig eten is gegeven.

Deze feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

De raadsman heeft bepleit dat het hof geen zwaardere straf zal opleggen dan de rechtbank. In dat verband heeft hij verzocht in het voordeel van verdachte rekening te houden met de gang van zaken bij de door het hof toegestane wijziging van de tenlastelegging. Als reden voor strafmatiging (ten opzichte van de eis van de advocaat-generaal) heeft de raadsman verder aangevoerd dat het bewezenverklaarde niet is voortgekomen uit kwade intenties, maar uit onmacht en doorgeslagen loyaliteit naar zijn toenmalige partner (de medeverdachte). Verder is aangevoerd dat de verdachte vanaf het begin van het strafrechtelijk onderzoek zijn bijdrage aan het bewezenverklaarde heeft erkend en zich inmiddels inzet om te bewerkstelligen dat [slachtoffer] en de andere kinderen tot ontplooiing kunnen komen in het pleeggezin.

Het hof ziet geen aanleiding om bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte rekening te houden met de gang van zaken bij de wijziging tenlastelegging. Hoewel het de voorkeur had verdiend dat ook in eerste aanleg recht was gedaan op de tenlastelegging zoals die thans in hoger beroep voorligt, kan dat enkele feit geen reden zijn om tot enige strafmatiging te komen.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede op basis van de persoon van de verdachte. Hierbij is onder meer gelet op:

  • -

    het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 11 augustus 2020;

  • -

    een voorlichtingsrapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, gedateerd 4 mei 2018.

De verdachte heeft samen met zijn toenmalige partner (de medeverdachte) ernstige misdrijven begaan tegen hun op dat moment achtjarige zoontje [slachtoffer] . Deze misdrijven vonden plaats op campings in de gemeente Winterswijk, waar het gezin in een caravan verbleef nadat de verdachten met hun drie kinderen Duitsland waren ontvlucht, omdat de medeverdachte in Duitsland nog een gevangenisstraf had openstaan voor een soortgelijk eerder begaan misdrijf tegen de oudste zoon van de medeverdachte. Tijdens het verblijf op die campings is [slachtoffer] regelmatig ’s nachts opgesloten in een kist in de voortent van de caravan. Doordat die kist werd afgesloten, had [slachtoffer] dan geen toegang tot sanitaire voorzieningen. Hierdoor kwam het voor dat hij zijn behoefte deed in die kist, waarna hij vervolgens in zijn eigen urine en ontlasting lag. Wanneer [slachtoffer] in die kist lag, werden zijn polsen en enkels vastgebonden met tiewraps. Ook aan het kinderzitje in de gezinsauto waren tiewraps bevestigd, waarmee [slachtoffer] werd vastgebonden wanneer hij in de auto zat. Naast deze vormen van vrijheidsberoving hebben de verdachte en de medeverdachte zich ten opzichte van [slachtoffer] schuldig gemaakt aan mishandeling en verwaarlozing, onder meer door hem onvoldoende eten aan te bieden.

Het schrijnende gebrek aan bekommernis om het welzijn van hun (op dat moment) achtjarige zoontje komt niet alleen tot uitdrukking in de manier waarop verdachte en medeverdachte met hem omgingen, maar ook uit de harteloze wijze waarop ze over hem spraken in de berichtjes die ze naar elkaar zonden. Voor het geval het inderdaad zo is dat [slachtoffer] probleemgedrag vertoonde gedurende het verblijf op de camping, merkt het hof op dat dit niet verrassend is in het licht van de wijze waarop hij door zijn ouders is bejegend. Dit gedrag lijkt in dat geval veeleer een gevolg van de bewezenverklaarde misdrijven dan de aanleiding daarvoor.

Op ouders van een minderjarig kind rust de (wettelijke) plicht om het kind te verzorgen en op te voeden, wat inhoudt dat de ouders verantwoordelijkheid dragen voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind. De verdachte en de medeverdachte zijn hierin op flagrante wijze tekortgeschoten. Volgens psycholoog drs. Laurijssen-Timmers heeft dit bij [slachtoffer] geleid tot een posttraumatische stressstoornis en een sterke scheefgroei in zijn ontwikkeling. Ook zijn zusje [zus slachtoffer] is door het bewezenverklaarde beschadigd. Als het bewezenverklaarde inderdaad ingegeven is geweest door onmacht, zoals de verdachte heeft gesteld, had hij met het oog op de belangen van zijn kinderen hulp moeten inschakelen. In plaats daarvan lijken de verdachte en de medeverdachte in hun wens om de medeverdachte uit handen van de Duitse justitiële autoriteiten te laten blijven, de belangen van hun kinderen, [slachtoffer] in het bijzonder, volledig uit het oog te zijn verloren. Zij waren zich wel degelijk bewust van de strafwaardigheid van hun omgang met [slachtoffer] , want als grootouders van [slachtoffer] de camping bezochten, werd de kist waarin [slachtoffer] werd opgesloten verstopt in de bestelwagen van de verdachte.

Waar het hof in strafverzwarende zin rekening mee houdt, is dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde al een gevangenisstraf van 2,5 jaar had uitgezeten in een eerdere (Duitse) strafzaak naar aanleiding van misdrijven begaan tegen een ander minderjarig kind. Die eerdere strafzaak betrof de zoon van de medeverdachte ( [zoon medeverdachte] ), van wie de verdachte niet de vader is, maar die destijds wel deelt uitmaakte van het gezin van de verdachte en de medeverdachte. De misdrijven die tegen [slachtoffer] zijn begaan, vertonen opvallende overeenkomsten met de misdrijven die de verdachte en de medeverdachte hebben begaan tegen [zoon medeverdachte] . Het hof vindt het bijzonder kwalijk dat de verdachte, ondanks de langdurige detentieperiode, na zijn vrijlating in oktober 2015 ruim een jaar later opnieuw op een vergelijkbare wijze zeer ernstig in de fout is gegaan.

Alles overziende is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat met de straf zoals opgelegd door de rechtbank onvoldoende recht wordt gedaan aan de ernst van het bewezenverklaarde. Ook speelt daarbij een rol dat het hof bij de straftoemeting uitgaat van een ruimere pleegperiode dan de rechtbank. Concluderend zal het hof de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden.

De voorlopige hechtenis van verdachte is eerder door het hof geschorst tot de uitspraak van dit arrest. Dit brengt mee dat, zonder nieuw bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis, de uitspraak van het arrest tot gevolg heeft dat de voorlopige hechtenis herleeft. Gelet op al het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding voor een nieuw bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 55, 57, 255, 282, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. A. van Maanen, voorzitter,

mr. A.H. Garos en mr. R.M. Maanicus, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. van der Geld, griffier,

en op 21 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Garos en mr. Maanicus zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 De weergegeven tekst is een vertaling van het oorspronkelijk Duitstalige bericht.

2 De weergegeven tekst is een vertaling van het oorspronkelijk Duitstalige bericht.