Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7426

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
21-004840-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eendaadse samenloop van diefstal me bedreiging met geweld en afpersing, terwijl de feiten worden gepleegd door meerdere personen. Daarnaast medeplichtigheid aan poging tot diefstal met geweld en bedreiging, terwijl het feit wordt gepleegd door meerdere personen. Gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk alsmede een taakstraf van 240 uren. Voorts (gedeeltelijke) toewijzing van schadevergoeding, waarbij onder meer immateriële schadevergoeding wordt toegewezen vanwege het op andere wijze in de persoon zijn aangetast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004840-19

Uitspraak d.d.: 18 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland van 10 september 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-079270-19 en 16-036710-19, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

wonende te [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het hem in de zaak met parketnummer 16-079270-19 onder primair tenlastegelegde en het hem in de zaak met parketnummer 16-036710-19 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden en met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal de toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 800,- vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.P. Plasman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De meervoudige kamer van de Rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte in de zaak met parketnummer 16-079270-19 veroordeeld voor de onder primair tenlastegelegde diefstal in vereniging voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en heeft verdachte veroordeeld voor afpersing in vereniging. In de gevoegde zaak met parketnummer 16-036710-19 heeft de rechtbank verdachte veroordeeld voor de tenlastegelegde medeplichtigheid aan een poging tot diefstal in vereniging, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken. De rechtbank heeft verdachte daarvoor opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden en met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toegewezen tot een bedrag van € 800,- met afwijzing van het overige, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] afgewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vanwege proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 16-079270-19:


primair
hij op of omstreeks 8 januari 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, enig(e) geldbedrag(en) en/of een of meerdere pakjes sigaretten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan Shell Tankstation [naam] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- met een bivakmuts over het gezicht het tankstation met versnelde pas binnen te lopen in de richting van voornoemd slachtoffer, terwijl hij, verdachte, zichtbaar een (groot) mes bij zich draagt en/of

- met luide en bedreigende stem tegen voornoemd slachtoffer te zeggen: "Geef me geld, geef me geld!" en/of "Pas op, want ik steek, ik steek" en/of "Geef me geld, doe die la open" en/of - vervolgens over de balie te buigen en een of meerdere biljetten uit de geopende geldlade te pakken en/of

- (vervolgens) een of meerdere pakjes sigaretten van voornoemd slachtoffer aan te nemen en/of uit het schap te pakken;

EN/OF

hij op of omstreeks 8 januari 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van enig(e) geldbedrag(en) en/of een of meerdere pakjes sigaretten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan Shell Tankstation [naam] toebehoorde, door

- met een bivakmuts over het gezicht het tankstation met versnelde pas binnen te lopen in de richting van voornoemd slachtoffer, terwijl hij, verdachte, zichtbaar een (groot) mes bij zich draagt en/of

- met luide en bedreigende stem tegen voornoemd slachtoffer te zeggen: "Geef me geld, geef me geld!" en/of "Pas op, want ik steek, ik steek" en/of "Geef me geld, doe die la open" en/of - vervolgens over de balie te buigen en een of meerdere biljetten uit de geopende geldlade te pakken en/of

- (vervolgens) een of meerdere pakjes sigaretten van voornoemd slachtoffer aan te nemen en/of uit het schap te pakken;


subsidiair
[medeverdachte 1] op of omstreeks 8 januari 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, enig(e) geldbedrag(en) en/of een of meerdere pakjes sigaretten in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan Shell Tankstation [naam] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door

- met een bivakmuts over het gezicht het tankstation met versnelde pas binnen te lopen in de richting van voornoemd slachtoffer, terwijl hij, verdachte, zichtbaar een ( groot) mes bij zich draagt en/of

- met luide en bedreigende stem tegen voornoemd slachtoffer te zeggen: “Geef me geld, geef me geld!” en/of “Pas op, want ik steek, ik steek” en/of “Geef me geld, doe die la open” en/of - vervolgens over de balie te buigen en een of meerdere biljetten uit de geopende geldlade te pakken en/of

- (vervolgens) een of meerdere pakjes sigaretten van voornoemd slachtoffer aan te nemen en/of uit het schap te pakken bij en/of

tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 6 tot en met 8 januari 2019 [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- in een WhatsApp gesprek tussen verdachte en [medeverdachte 1] , tegen die [medeverdachte 1] onder meer te zeggen:

- “Je gat die oevvoee gooien toch” en/of - “Je moet grote tas kopen” en/of

- “En die sigaretten ook mee nemen” en/of

– “Alsnhij niet wilt geven Moet je over die toonbank springen” en/of

- “Je koet niet allen doen” en/of “Moet” en/of

- “We moeten scooby fixen en die kenteken er af halen” en/of “Of motor ofsow” en/of “Ik kan motor rijden dus geen stress” en/of

- “Hoe laat wil je die torrie doen” en/of “Want ik moet eerst weg zijn dan pas moet je doen” en/of “Anders word ik getuigen” en/of

- door een voorverkenning te doen en/of op de uitkijk te staan en/of

- (vervolgens) een valse 112-melding te doen;

EN/OF

[medeverdachte 1] op of omstreeks 8 januari 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van enig(e) geldbedrag(en) en/of een of meerdere pakjes sigaretten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde, te weten aan Shell Tankstation [naam] toebehoorde, door

- met een bivakmuts over het gezicht het tankstation met versnelde pas binnen te lopen in de richting van voornoemd slachtoffer en/of daarbij zichtbaar een ( groot) mes bij zich te dragen en/of

- met luide en bedreigende stem tegen voornoemd slachtoffer te zeggen: “Geef me geld, geef me geld!” en/of “Pas op, want ik steek, ik steek” en/of “Geef me geld, doe die la open” en/of - (vervolgens) over de balie te buigen en een of meerdere biljetten uit de geopende geldlade te pakken en/of

- (vervolgens) een of meerdere pakjes sigaretten van voornoemd slachtoffer aan te nemen en/of uit het schap te pakken bij en/of

tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 8 januari 2019 te [plaats] , opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- in een WhatsApp gesprek tussen verdachte en [medeverdachte 1] , tegen die [medeverdachte 1] onder meer te zeggen:

- “Je gat die oevvoee gooien toch” en/of

- “le moet grote tas kopen en/of

- “En die sigaretten ook mee nemen” en/of

- “Alsnhij niet wilt geven Moet je over die toonbank springen” en/of

- “Je koet niet allen doen” en/of `Moet” en/of

- `We moeten scooby fixen en die kenteken er afhalen” en/of “Of motor ofsow” en/of “Ik kan motor rijden dus geen stress” en/of

- “Hoe laat wil je die torrie doen” en/of `Want ik moet eerst weg zijn dan pas moet je doen” en/of “Anders word ik getuigen” en/of

- door een voorverkenning te doen en/of op de uitkijk te staan en/of

- (vervolgens) een valse 112-melding te doen;


Zaak met parketnummer 16-036710-19 (gevoegd):


[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 2 januari 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een portemonnee (met inhoud), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam restaurant] (gevestigd aan de [adres] ) en/of [benadeelde partij 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 1] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of mededader(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- een hoeveelheid eten bij de [naam restaurant] heeft/hebben besteld en/of

- (vervolgens) een hoeveelheid eten van die [benadeelde partij 1] heeft/hebben aangenomen en/of geld heeft/hebben betaald en/of

- (vervolgens) de portemonnee van die [benadeelde partij 1] heeft/hebben vastgepakt en/of naar zich toe heeft/hebben getrokken en/of

- (vervolgens) tegen een bloempot heeft/hebben gedrukt en/of geduwd en/of

- (daarbij) dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Als je je portemonnee niet geeft, ga ik je doodsteken" en/of

- (vervolgens) die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of het gezicht heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of

- (vervolgens) een mes, althans op een mes gelijkend voorwerp in de broekzak heeft/hebben getoond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 2 januari 2019 te [plaats] opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door zijn mobiele telefoon aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ter beschikking te stellen en/of zijn telefoonnummer als contactpersoon bij de maaltijdbestelling bij [naam restaurant] op te (laten) geven en/of voorafgaand en/of na de poging diefstal met geweld contact te onderhouden met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] .

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft de veroordeling gevorderd van verdachte in de zaak met parketnummer 16-079270-19 ter zake van diefstal in vereniging voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en afpersing in vereniging. Zij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte op 8 januari 2019 nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn medeverdachte [medeverdachte 1] in het kader van de uitvoering van de door hen voorbereide overval op het Shell Tankstation [naam] . Dit zou blijken uit de inhoud van de verscheidene door de advocaat-generaal voorgehouden stukken.

Daarnaast heeft de advocaat-generaal de veroordeling gevorderd van verdachte in de zaak met parketnummer 16-036710-19 ter zake van medeplichtigheid aan een poging tot diefstal in vereniging, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken. Zij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte op 2 januari 2019 zich welbewust van het plan van zijn medeverdachten om een sushibezorger te overvallen, zijn telefoon heeft uitgeleend aan zijn medeverdachten waardoor hij de gelegenheid en middelen heeft verschaft tot het plegen van het door zijn medeverdachten voorgenomen misdrijf.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft namens verdachte ten aanzien van de zaak met parketnummer 16-079270-19 bepleit dat sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het medeplegen van de primair tenlastegelegde feiten. De rol van verdachte zou blijkens hetgeen door de raadsman ter terechtzitting is aangedragen niet dusdanig groot zijn dat sprake is van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte dat sprake is van medeplegen. De raadsman bepleit in dat kader veroordeling voor het subsidiair tenlastegelegde, namelijk medeplichtigheid aan de voornoemde feiten.

Ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-036710-19 heeft de verdediging aangevoerd dat in het proces-verbaal van het eerste verhoor van verdachte ten onrechte is opgenomen dat verdachte wist van de plannen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Hier had het woordje ‘niet’ aan toegevoegd moeten worden.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Zaak met parketnummer 16-079270-19

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan of helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

Uit WhatsAppgesprekken op de telefoon van verdachte tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte [verdachte] blijkt het volgende. In de chatberichten van 6 januari 2019 schrijft verdachte [medeverdachte 1] dat hij 3 barkie nodig heeft voor donderdag voor eten of zeg maar salaris. Het hof begrijpt uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting van dit hof dat het gaat om 300 euro. Vervolgens antwoordt [verdachte] : “Je gat die oevvoee gooien toch”. De verbalisant die de telefoon onderzocht, merkt op dat verdachte hiermee heeft bedoeld: “je gaat die overval doen, toch?”. Deze conclusie wordt ter terechtzitting van het hof door verdachte bevestigd. Hierop reageert [medeverdachte 1] door te zeggen: “ja dinsdag”. [verdachte] zegt tegen [medeverdachte 1] dat hij een grote tas moet kopen en dan de sigaretten ook moet meenemen en seren (het hof begrijpt: verkopen). Ook heeft verdachte gezegd: “Alsnhij niet wilt geven Moet je over die toonbank springen”, “Je koet niet allen doen Beste met zn 2en”. [medeverdachte 1] vraagt of [verdachte] voor hem kan observeren en vraagt of [verdachte] dinsdag rond zes uur kauwgom wil gaan halen. [verdachte] zegt: “Dat is goedd denk ik”. [verdachte] vraagt aan [medeverdachte 1] wanneer hij die torrie (het hof begrijpt: de overval) wil gaan doen. [medeverdachte 1] zegt rond 6 uur of half 9, rond sluitingstijd. [verdachte] zegt dat hij eerst weg moet zijn, anders is hij getuige. [medeverdachte 1] zegt dat hij iets nodig heeft om te vluchten. [verdachte] zegt: “We moeten scooby fixen en die kenteken er af halen. Of motor ofsow. Ik kan motor rijden dus geen stress. Scooter kan ook maar moet zwaar opgevoerd zijn.” Dan communiceren [verdachte] en [medeverdachte 1] over waar [medeverdachte 1] naartoe zal vluchten. De naam [betrokkene 1] wordt genoemd. [medeverdachte 1] wil [verdachte] de verantwoordelijkheid geven over de sigaretten. [medeverdachte 1] wil een paar pakjes voor zichzelf en de rest mag [verdachte] verkopen. [medeverdachte 1] zegt: “ik heb toch stash” (het hof begrijpt: een voorraad). [verdachte] kan het volgens [medeverdachte 1] verkopen voor 5 euro per pakje. Dan vraagt [verdachte] waar de bivak (het hof begrijpt: bivakmutsen) zijn. Die bivak[mutsen] van [verdachte] zou [betrokkene 1] hebben. Hierop zegt [medeverdachte 1] dat ze gestasht (het hof begrijpt: weggestopt) zijn in de bosjes. Op 8 januari 2019 vraagt [medeverdachte 1] aan [verdachte] of hij zo kan gaan observeren, zeg maar kauwgom halen. [verdachte] zegt dat hij naar [naam] rijdt. [medeverdachte 1] zegt hierop: “Haal die shit voor me die taser”. [verdachte] reageert hierop met “Aiii”.

Op de zitting van dit hof verklaart verdachte dat hij de dag van de overval contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 1] en betrokkene [betrokkene 1] . Op die dag was verdachte tevens werkzaam voor de supermarkt JUMBO en reed hij in een bestelauto rond om boodschappen bij mensen thuis te bezorgen. Met [medeverdachte 1] heeft hij afgesproken dat hij hem onder werktijd in de buurt van de plek van de overval zou brengen, daar zou wachten en vervolgens [medeverdachte 1] ergens in [plaats] zou afzetten. Dit zou rond half 7 zijn geweest, hetgeen bevestigd wordt door de gps-gegevens uit de navigatie van de bestelauto waarin [verdachte] reed. Verdachte verklaart vervolgens dat de overval de eerste keer niet door is gegaan ofwel omdat het te druk was in het tankstation ofwel omdat [medeverdachte 1] wilde dat het buiten donkerder was. Hierop werd de overval uitgesteld. [verdachte] is toen verdergegaan met werken. Enige tijd later heeft [medeverdachte 1] hem laten weten op welk moment hij de overval wel zou gaan plegen. [verdachte] verklaart dat hij vervolgens naar dezelfde plek waar hij de eerste keer stond is teruggereden en daar is gaan wachten. Ook dit komt overeen met de gps-gegevens zoals die zich in het dossier bevinden. Hierop heeft de overval plaatsgevonden zoals deze in de aangifte van aangeefster [benadeelde partij 2] en in het proces-verbaal van uitkijken van de camerabeelden van het Shell tankstation is beschreven. [verdachte] verklaart dat [medeverdachte 1] vervolgens naar zijn auto is gekomen, is ingestapt met een tas waarin vermoedelijk de buit zat en dat zij vervolgens samen zijn weggereden naar het centrum van [plaats] . Hier heeft [verdachte] verdachte [medeverdachte 1] vlak bij het station afgezet. [verdachte] verklaart vervolgens dat hij, [medeverdachte 1] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij elkaar zijn gekomen om te praten over de overval en om de buit te bekijken. Vervolgens heeft verdachte, zoals ook blijkt uit zijn eigen verklaring, naar aanleiding van een bericht van Burgernet in diezelfde avond een valse melding gedaan over de overval op het tankstation in aanwezigheid van medeverdachte [medeverdachte 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . Verdachte heeft de dag erop op het politiebureau naar aanleiding van zijn valse melding bij de politie nogmaals een onjuist signalement verstrekt teneinde de politie op een dwaalspoor te houden.

Voorafgaand aan de overval heeft verdachte, zo blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting van dit hof en uit de stukken in het dossier, veelvuldig telefonisch contact met [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] , alsook met [betrokkene 2] over de overval. Ook verklaart verdachte dat zij elkaar, [medeverdachte 1] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en hij zelf, vrijwel dagelijks zagen en zij allen van tevoren op de hoogte waren van de op handen zijnde overval. Tijdens de overval belt verdachte gedurende 11 minuten met [betrokkene 1] die aanvankelijk een vluchtplaats zou bieden. [verdachte] verklaart bij dit hof dat hij dit op dat moment deed om contact te onderhouden met [betrokkene 1] over het daadwerkelijke verloop van de overval. Vervolgens verklaart verdachte dat hij na de overval ook contact heeft gehad met [betrokkene 1] of [betrokkene 2] met wie hij heeft afgesproken om elkaar in het centrum van [plaats] te ontmoeten.

Het hof concludeert dat uit de voornoemde feiten en omstandigheden te destilleren valt dat verdachte op verschillende belangrijke momenten voorafgaand en tijdens het feit betrokken is geweest bij de uitvoering van de overval op het tankstation en op die momenten dicht in de buurt van de plek waar de overval uiteindelijk heeft plaatsgevonden, is gaan wachten tot de overval was gepleegd. Verdachte heeft zich op geen enkel moment op een daartoe geëigend moment teruggetrokken. Sterker nog: verdachte is na de eerste gelegenheid om de overval uit te voeren weggegaan, omdat de overval op dat moment niet gepleegd werd en is later, na overleg met zijn medeverdachten, teruggekomen om alsnog zorg te dragen voor de vlucht van de medeverdachte in de bedrijfsauto waarin hij onder werktijd reed.

Voorafgaand hieraan heeft hij in direct contact met zijn medeverdachte [medeverdachte 1] invloed uitgeoefend op de manier waarop de overval door [medeverdachte 1] kon worden uitgevoerd. Hij heeft [medeverdachte 1] daarbij verschillende tips gegeven over hoe hij de overval moest voorbereiden, hoe hij deze moest uitvoeren en hoe zij de vlucht konden organiseren. Daarnaast is via WhatsApp overleg gepleegd over hoe hij de buit met [medeverdachte 1] zou verdelen. Ook verdachte zou hierin een aandeel hebben. Verdachte heeft aldus in belangrijke mate een aanvullende rol in de overval gehad. De stelling van verdachte dat hij uiteindelijk niet feitelijk heeft meegedeeld in de buit, maakt dit niet anders.

Verder heeft verdachte voorafgaand aan, gedurende en na de overval contact gehad met medeverdachte [medeverdachte 1] en met betrokkenen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Hij heeft aldus een bemiddelende rol gespeeld in het doorgeven van informatie over het verloop van de overval en de afhandeling daarvan. Dit alles maakt dat verdachte een belangrijke rol had in zowel de voorbereiding als de uitvoering van de overval op het tankstation. Hij heeft daarbij samengewerkt met medeverdachte [medeverdachte 1] en de overige betrokkenen.

Ten overvloede overweegt het hof dat hoewel de valse melding naar aanleiding van het bericht van Burgernet - zoals verdachte stelt - niet in het oorspronkelijke plan betrokken was, maar pas na het feit opkwam, de nauwe en bewuste samenwerking niettemin bevestigt. Het feit dat verdachte, zoals hij bij dit hof heeft verklaard, in aanwezigheid van de medeverdachte en de eerder genoemde betrokkenen de valse melding heeft gedaan, benadrukt immers het gezamenlijk handelen van verdachte en zijn medeverdachten.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering in de zin dat verdachte zelf niet aanwezig is geweest in het tankstation ten tijde van de overval, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen. Het hof verwerpt het verweer.

Zaak met parketnummer 16-036710-19

Ter zake van de tenlastegelegde medeplichtigheid aan een poging tot diefstal in vereniging met geweld van sushibezorger [benadeelde partij 1] overweegt het hof het volgende.

Gelet op de inhoud van het dossier en de verklaring van verdachte zoals hij die bij de rechtbank ten aanzien van dit feit heeft afgelegd, ziet het hof aanleiding om verdachte te houden aan zijn verklaring zoals deze in het proces-verbaal van het eerste verhoor bij de politie is vastgelegd. Het hof volgt verdachte derhalve niet in zijn verklaring ter zitting in hoger beroep dat sprake zou zijn van een omissie in dit proces-verbaal.

De verklaring van verdachte bij de politie houdt in dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het plan hadden om sushi te gaan bestellen bij [naam restaurant] en om dan de bezorger te overvallen. Zij hebben met verdachtes telefoon gebeld naar [naam restaurant] . Verdachte wist wat zij van plan waren. Bij de rechtbank heeft verdachte verklaard dat hij in de shisha lounge weliswaar heeft gehoord dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een overval zouden plegen, maar dat hij dat niet geloofde en zich dat niet meer realiseerde toen hij zijn telefoon op enig moment aan hen uitleende. Het hof leidt uit de voorgeschiedenis van de overval, waarbij verdachte zijn telefoon aan de latere overvallers uitleende, het feit dat verdachte zich – samen met [betrokkene 2] – tijdens de overval in de buurt ophield en het gegeven dat verdachte zich na de overval weer bij de overvallers voegde af dat verdachte zich wel degelijk bewust is geweest van het voornemen van zijn vrienden om de overval te plegen en derhalve ook in volle wetenschap – en dus met opzet – zijn telefoon heeft afgestaan om de overval te faciliteren.

Hiermee heeft verdachte zowel opzet gehad op het gronddelict, de poging tot diefstal in vereniging met geweld, als op het verschaffen van de gelegenheid en middelen tot het plegen van het misdrijf.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-079270-19 primair en in de zaak met parketnummer 16-036710-19 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 16-079270-19:


primair
hij op 8 januari 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, enig geldbedrag en meerdere pakjes sigaretten die geheel aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorden, te weten aan Shell Tankstation [naam] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan door en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door:

- met een bivakmuts over het gezicht het tankstation met versnelde pas binnen te lopen in de richting van voornoemd slachtoffer, terwijl hij, verdachte, zichtbaar een (groot) mes bij zich draagt en

- met luide en bedreigende stem tegen voornoemd slachtoffer te zeggen: "Geef me geld, geef me geld!" en "Pas op, want ik steek, ik steek" en "Geef me geld, doe die la open" en

- vervolgens over de balie te buigen en meerdere biljetten uit de geopende geldlade te pakken en

- (vervolgens) meerdere pakjes sigaretten uit het schap te pakken;

EN

hij op 8 januari 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere pakjes sigaretten die geheel aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorde, te weten aan Shell Tankstation [naam] , door:

- met een bivakmuts over het gezicht het tankstation met versnelde pas binnen te lopen in de richting van voornoemd slachtoffer, terwijl hij, verdachte, zichtbaar een (groot) mes bij zich draagt en

- met luide en bedreigende stem tegen voornoemd slachtoffer te zeggen: "Geef me geld, geef me geld!" en "Pas op, want ik steek, ik steek" en "Geef me geld, doe die la open" en

- (vervolgens) meerdere pakjes sigaretten van voornoemd slachtoffer aan te nemen.


Zaak met parketnummer 16-036710-19 (gevoegd):


[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 2 januari 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een portemonnee met inhoud dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam restaurant] (gevestigd aan de [adres] ) en/of [benadeelde partij 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 1] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken,

- een hoeveelheid eten bij de [naam restaurant] hebben besteld en

- (vervolgens) een hoeveelheid eten van die [benadeelde partij 1] hebben aangenomen en geld hebben betaald en

- (vervolgens) de portemonnee van die [benadeelde partij 1] hebben vastgepakt en naar zich toe hebben getrokken en

- (vervolgens) tegen een bloempot hebben gedrukt en

- (daarbij) dreigend de woorden hebben toegevoegd: "Als je je portemonnee niet geeft, ga ik je doodsteken" en

- (vervolgens) die [benadeelde partij 1] meermalen tegen het hoofd hebben gestompt en

- (vervolgens) een mes, althans op een mes gelijkend voorwerp, in de broekzak hebben getoond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid en tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 2 januari 2019 te [plaats] opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, door zijn mobiele telefoon aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ter beschikking te stellen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 16-079270-19 primair bewezenverklaarde levert op:

De eendaadse samenloop van

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het in de zaak met parketnummer 16-036710-19 bewezenverklaarde levert op:

Medeplichtigheid aan/tot poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

Verdachte is medeplichtig aan een poging tot straatroof van een sushibezorger. Hij heeft de daders de gelegenheid tot het plegen van het feit geboden en middelen verschaft door zijn telefoon uit te lenen waarmee een bestelling bij [naam restaurant] is doorgegeven om eten af te laten leveren op een bepaald adres. Vervolgens hebben de daders met geweld en bedreiging met geweld geprobeerd om de portemonnee van de bezorger te stelen.

Voorts heeft verdachte zich zes dagen later samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan het medeplegen van een overval op een tankstation. Bij deze overval is een medewerkster bedreigd met een groot mes en zijn geld en pakjes sigaretten weggenomen. Verdachte heeft voorafgaand aan, tijdens en na de overval overleg gehad en tips gegeven voor het voorbereiden en uitvoeren van de overval. Tijdens de overval zelf, en eveneens op een eerder moment in dat verband, was verdachte in de buurt van het tankstation. Daarnaast heeft hij verdachte in de buurt van de plaats delict gebrachte en zorggedragen voor de ontsnapping van zijn medeverdachte door deze na de overval in de auto van zijn werkgever en onder werktijd te vervoeren. Verdachte zou meedelen in de buit en hij heeft na de overval een vals signalement van de dader opgegeven bij de meldkamer van de politie. Verdachte heeft zich met het bovenstaande schuldig gemaakt aan ernstige feiten. Hij heeft met zijn handelen teweeg gebracht dat anderen in grote angst hebben verkeerd. Uit het dossier, waaronder de aangiften valt af te leiden dat de feiten grote impact hebben gehad. Feiten als de onderhavige schokken de rechtsorde en brengen gevoelens van onveiligheid met zich mee, zowel bij de aangevers als bij de maatschappij. Slachtoffers van dit soort feiten hebben vaak nog lange tijd last van de gevolgen. Het hof rekent dit verdachte aan.

Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 augustus 2020. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder en ook niet sindsdien in aanraking met justitie is geweest. Voorts houdt het hof rekening met een verdachte betreffende reclasseringsrapportage van Reclassering Nederland van 21 augustus 2019. De reclassering heeft geadviseerd om bij een (deels) voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarden een meldplicht en het hebben van een zinvolle dagbesteding op te leggen. Daarnaast houdt het hof rekening met een voortgangsrapportage van Reclassering Nederland van 24 augustus 2020. Hieruit volgt dat verdachte een weg heeft ingeslagen die positiever is dan die ten tijde van de terechtzitting in eerste aanleg. De reclassering constateert aan de andere kant dat verdachte zichzelf nog verder moet ontwikkelen als persoon.

Het hof heeft verder rekening gehouden met de persoon van verdachte zoals uit de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof houdt vooral rekening met het feit dat verdachte een andere weg in lijkt te zijn geslagen en daarbij steun vindt in het contact met de reclassering en het verbreken van het contact met zijn voorheen negatieve sociale netwerk.

Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is naar het oordeel van het hof de oplegging van een vrijheidsstraf onontkoombaar. Het hof acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Het hof overweegt dat verdachte met de oplegging van de kortere onvoorwaardelijke gevangenisstraf eerder de kans krijgt om de nieuwe positieve weg die hij is ingeslagen voort te zetten. Om evenwel ook recht te doen aan de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, legt het hof aan verdachte daarnaast een taakstraf voor de duur van 240 uren op. Op deze manier kan verdachte na zijn detentie deelnemen aan de samenleving onder toezicht van de reclassering. Het hof ziet daarnaast naar aanleiding van de reclasseringsrapportage en de voortgangsrapportage redenen om het reeds ingezette toezicht voort te zetten alsmede om de bijzondere voorwaarde in de zin van een verplichte zinvolle dagbesteding opnieuw op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 800,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 16-079270-19 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

Ook in hoger beroep staat vast dat de verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partij, welk onrechtmatig handelen hem toegerekend kan worden. Immers, bewezen is verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging met bedreiging van geweld, als bedoeld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), als ook aan afpersing in vereniging met bedreiging van geweld, als bedoeld in artikel 317 Sr. De verdachte is derhalve verplicht de door de benadeelde partij geleden schade, die zij dientengevolge heeft geleden, te vergoeden. De door de benadeelde partij geleden schade is naar het oordeel van het hof het rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit, als bedoeld in artikel 361 lid 2 aanhef en sub b van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. Artikel 6:106 BW geeft hiervoor een nadere regeling. Het eerste lid luidt, voor zover hier relevant:

‘1. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.’

De grondslag voor de toekenning van immateriële schadevergoeding is aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in art. 6:106, eerste lid, aanhef en onder b BW. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt het hof dat sprake is geweest van een gewapende overval. De benadeelde partij was als medewerkster in het tankstation aanwezig. Zoals blijkt uit haar verklaring opgenomen in het schade onderbouwingsformulier heeft de bedreiging met het mes haar erg aangegrepen, want ze voelt zich tot op heden vooral in de avonduren onveilig en alerter op de werkvloer. Zij voelt zich in haar veiligheid en persoonlijke integriteit aangetast. De gewapende overval vormde daarmee een ernstige inbreuk op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van het hof ook sprake van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ van de benadeelde partij zoals bedoeld in art. 6:106, eerste lid, aanhef en onder b BW. In een dergelijk geval is niet vereist dat geestelijk letsel (in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld) is aangetoond.

Met betrekking tot de hoogte van het smartengeld overweegt het hof het volgende. Voor toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding is voldoende dat feiten worden gesteld en komt vast te staan waaruit in het algemeen het geleden zijn van de schade kan worden afgeleid (vgl. HR 9 december 2011, ECLI:HR:2011:BR5211). Bij de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden. De begroting is voorts voorbehouden aan de feitenrechter die niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast (vgl. HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8358). De benadeelde partij heeft concreet en gemotiveerd aangevoerd dat de gebeurtenis een grote impact heeft gehad op haar persoonlijk leven en op de wijze waarop zij nadien en tot op heden haar functie heeft uitgeoefend. Gelet op die concrete onderbouwing en bij gebreke van enige gemotiveerde betwisting van die omstandigheden en van het gevorderde bedrag zijdens de verdediging, leent de vordering zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 800,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.334,45. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 800,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen. Het verzoek om schadevergoeding is inhoudelijk niet bestreden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 16-036710-19 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 48, 55, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-079270-19 primair en in de zaak met parketnummer 16-036710-19 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-079270-19 primair en in de zaak met parketnummer 16-036710-19 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij Reclassering Nederland ( [adres] ), zolang en zo frequent de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal houden aan de voorwaarde dat hij een zinvolle dagbesteding heeft en behoudt.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-079270-19 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 800,00 (achthonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-079270-19 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 800,00 (achthonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 januari 2019.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-036710-19 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 800,00 (achthonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-036710-19 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 800,00 (achthonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 januari 2019.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. E.M.J. Brink en mr. P.T. Heblij, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. Janssen, griffier,

en op 18 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. P.T. Heblij is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.