Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7416

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
21-002721-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bevestiging vonnis: voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet gestelde strafbare feiten), opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002721-19

Uitspraak d.d.: 17 september 2020

VERSTEK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 13 mei 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-240347-18 en 16-038435-19, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 13 mei 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het:

  • -

    in de zaak met parketnummer 16-240347-18 tenlastegelegde (voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet gestelde strafbare feiten);

  • -

    in de zaak met parketnummer 16-038435-19

- onder 1 ten laste gelegde (opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod);

- onder 2 ten laste gelegde (diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking);

- onder 3 ten laste gelegde (opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod),

veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis bevestigen met verbetering van het volgende:

In de strafmotivering is opgenomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van '1,7 kilo henneptoppen'. Het hof beschouwt dit als een kennelijke verschrijving en leest dit verbeterd als '1,17 kilo henneptoppen'. Door de verbeterde lezing is de verdachte niet in zijn verdediging geschaad.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. M.C. Fuhler, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. R.R.H. Laurens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,

en op 17 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.