Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7396

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
21-005594-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens bezit van een (niet-grote) hoeveelheid hennep en hennepplanten tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 54 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 27 dagen hechtenis, met een proeftijd van een jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005594-17

Uitspraak d.d.: 16 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 6 oktober 2017 met parketnummer 16-106597-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het aan verdachte tenlastegelegde en oplegging van een taakstraf voor de duur van 54 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 27 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. H.A. Rispens, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte ten aanzien van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 15 november 2016 tot en met 14 juni 2017 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 218,2 gram hennep en/of ongeveer 44 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 15 november 2016 tot en met 14 juni 2017 te [plaats] ,

opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 218,2 gram hennep en ongeveer 15 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een (niet-grote) hoeveelheid hennep en hennepplanten. Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat het eigenlijk een uit de hand gelopen hobby was en dat hij de door hem geteelde hennep zelf gebruikte maar deze ook deelde met mensen die bij hem over de vloer kwamen. Aldus heeft verdachte door zijn handelen een bijdrage geleverd aan de illegale teelt van hennep met alle kwalijke gevolgen van dien. Het ongecontroleerde gebruik van hennep is schadelijk voor de volksgezondheid en de illegale teelt gaat veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, die de veiligheid en integriteit van de samenleving aantasten.

Het hof overweegt dat verdachte zijn volledige verantwoordelijkheid voor dit handelen erkent. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij, nadat de politie hennep in zijn huurwoning had ontdekt, zijn woning is kwijtgeraakt en twee jaren op straat heeft geleefd. Inmiddels lijkt verdachte zijn leven weer op de rit te hebben en verklaart hij geen drugs meer te gebruiken.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 3 augustus 2020 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet. Nu deze veroordeling meer dan vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden ziet het hof in dit geval geen aanleiding om hier in het kader van de strafoplegging ten nadele van de verdachte rekening mee te houden.

Het hof is van oordeel dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden en dat dit matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, zal het hof aan verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf opleggen voor de duur van 54 uren met een proeftijd van 1 jaar. Deze voorwaardelijke straf dient tevens als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden zich nogmaals schuldig te maken aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 27 (zevenentwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. E. de Witt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van C.A.M. Veenbaas, griffier,

en op 16 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.