Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7392

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
21-004494-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 op twee verschillende data, tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Toewijzing vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004494-19

Uitspraak d.d.: 16 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 13 augustus 2019 met parketnummer 96-130955-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 96-118520-17, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het aan verdachte tenlastegelegde en oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 96-118520-17 geheel toe te wijzen voor de duur van vier weken. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. A. Mulder, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte ter zake van het tweemaal rijden met een ongeldig rijbewijs veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Daarnaast heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 96-118520-17 toegewezen, te weten een gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 15 mei 2019 te [plaats] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [straat 1] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2.
hij op of omstreeks 29 mei 2019 te [plaats] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [straat 2] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bespreking verweer

De raadsvrouw heeft ter zitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde feiten. Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De raadsvrouw heeft ter ondersteuning van dit standpunt ter zitting stukken overlegd, te weten:

  • -

    Een brief van de officier van justitie d.d. 11 maart 2019 inhoudende de mededeling dat het proces-verbaal van vermissing niet langer wordt ingehouden voor de strafzaak maar wel is doorgestuurd naar het CBR;

  • -

    Een brief van het CBR d.d. 28 februari 2019 inhoudende verwijzing naar een psychiater ten behoeve van een rapportage over zijn rijgeschiktheid;

  • -

    Een brief van Rijbewijsbelang d.d. 8 maart 2019 inhoudende een uitnodiging voor een psychiatrische keuring.

De raadsvrouw gaf ter zitting tevens aan dat verdachte een brief heeft ontvangen waarin stond dat hij weer mocht rijden. Deze brief kan verdachte echter niet overleggen.

Het hof overweegt als volgt.

Ter terechtzitting van de politierechter heeft verdachte verklaard dat hij wist dat hij op 16 november 2017 veroordeeld was voor het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs maar dat hij op 15 mei 2019 en 29 mei 2019 in de veronderstelling was dat zijn rijbewijs weer geldig was, omdat hij een keuring had ondergaan.

In de brief van het CBR d.d. 28 februari 2019 wordt verdachte verwezen naar een psychiater ten behoeve van een rapportage over zijn rijgeschiktheid. In deze brief staat aangegeven dat de specialist een termijn van acht weken heeft om het rapport op te stellen. Vervolgens heeft het CBR een termijn van acht weken om een reactie te sturen met daarin een besluit of, indien nodig, verwijzing naar een andere specialist of een rijtest. Verdachte kon aan deze brief dus niet de opvatting ontlenen dat zijn rijbewijs weer geldig was. Dat geldt ook voor de brief van de officier van justitie d.d. 11 maart 2019 waarin weliswaar staat dat het proces-verbaal van vermissing niet langer zal worden ingehouden voor de strafzaak, maar waarin ook duidelijk staat dat verdachte zijn proces-verbaal van vermissing nog niet terug kon krijgen omdat het CBR daar een vordering op had.

De stelling dat verdachte een brief heeft ontvangen waarin stond dat hij weer mocht rijden acht het hof niet geloofwaardig.

Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en dat er geen legitieme reden was voor verdachte om aan te nemen dat zijn rijbewijs op 15 en 29 mei 2019 (weer) geldig was. Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 15 mei 2019 te [plaats] terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [straat 1] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;


2.
hij op 29 mei 2019 te [plaats] terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [straat 2] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 15 en 29 mei 2019 een auto bestuurd terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte heeft daarmee een belangrijke overheidsbeslissing genegeerd en het belang van de verkeersveiligheid veronachtzaamd.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 augustus 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder ook drie keer voor het rijden met een ongeldig verklaard of ingevorderd rijbewijs. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Het hof zal hiermee in strafverzwarende zin rekening houden.

Alles afwegende en in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, zoals ook is opgelegd door de politierechter en is gevorderd door de advocaat-generaal, passend en geboden. In hetgeen de raadsvrouw van verdachte ter zitting van het hof heeft aangevoerd, ziet het hof onvoldoende aanleiding om daarvan af te wijken.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Noord-Nederland van 16 november 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, parketnummer 96-118520-17. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 16 november 2017, parketnummer 96-118520-17, te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Aldus gewezen door

mr. J. Hielkema, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. E. de Witt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van C.A.M. Veenbaas, griffier,

en op 16 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.