Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7387

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
21-004031-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging van het vonnis met aanvulling van gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004031-18

Uitspraak d.d.: 3 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 3 juli 2018 met parketnummer

96-195919-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die strekt tot vernietiging van het vonnis van de economische politierechter en veroordeling van verdachte tot een geldboete van € 360,-, te vervangen door 7 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. R. van Leusden, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter heeft bij vonnis van 3 juli 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de strafbeschikking vernietigd en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. De economische politierechter heeft daartoe, kort weergegeven, overwogen dat de maximaal toegestane massa met minder dan 5 procent werd overschreden, zodat vervolging van verdachte in strijd is met de Richtlijn voor Strafvordering Wet wegvervoer goederen.

Het hof is van oordeel dat de economische politierechter op juiste wijze heeft beslist.
Het hof zal het vonnis daarom bevestigen met de volgende aanvulling.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep betoogd dat de ontheffing moet worden geacht niet te zijn verleend, nu één van de voorwaarden van die ontheffing, te weten de maximum toegestane massa, niet is nageleefd. Zij heeft ter onderbouwing verwezen naar de destijds geldende Instructie voertuigafmetingen.

Ingevolge artikel 149, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kan ontheffing worden verleend van krachtens de WVW 1994 vastgestelde regels. Niet in geding is dat aan verdachte een ontheffing is verleend van artikel 5.8.17b van de Regeling voertuigen, op grond waarvan de gecombineerde maximummassa van de trekker en de oplegger in plaats van 50.000 kilogram 60.000 kilogram mag bedragen. Op grond van artikel 150, eerste lid, van de WVW 1994 kan een ontheffing onder beperkingen worden verleend en kunnen daaraan voorschriften worden verbonden. De redenering van de advocaat-generaal gaat kennelijk uit van de opvatting dat de aan verdachte verleende ontheffing ten aanzien van de maximummassa tegelijkertijd een beperking van die ontheffing inhoudt. Het hof volgt deze redenering niet. De tekst in de Instructie voertuigafmetingen laat weliswaar de mogelijkheid open dat aan een ontheffing een beperking wordt verbonden ten aanzien van de maximummassa van het voertuig, maar de aan verdachte verleende ontheffing bevat niet een dergelijke beperking.

Het voorgaande leidt tot bevestiging van het vonnis van de economische politierechter met aanvulling van gronden.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden waarop dit berust.

Aldus gewezen door

mr. L.G. Wijma, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. E. de Witt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga, griffier,

en op 3 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.