Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7382

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
21-001322-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van mishandeling en de onder 2 tenlastegelegde eenvoudige belediging van een ambtenaar in functie tot een taakstraf voor de duur van 80 uren. Afwijzing van een deel van de vordering van de benadeelde partij, omdat deze kosten geen schade zijn ten gevolge van het bewezenverklaarde. Niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in het overige deel van haar vordering, omdat het niet eenvoudig is vast te stellen wat het aandeel van de benadeelde partij is geweest in het geheel. Hoofdelijke veroordeling van verdachte in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001322-18

Uitspraak d.d.: 2 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 16 februari 2018 met parketnummer 18-222166-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het hem onder feiten 1 en 2 tenlastegelegde tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 400,- vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.C.N. Cats, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van mishandeling van aangever [benadeelde partij] op 5 november 2017 en voor belediging van een ambtenaar in functie op diezelfde dag. De politierechter heeft verdachte daarvoor een taakstraf voor de duur van 160 uren opgelegd, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot een hoogte van € 484,- vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 5 november 2017 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [benadeelde partij] heeft mishandeld door [benadeelde partij] voornoemd meermalen, althans éénmaal, met de vuist, althans met de hand(en) en/of met een boormachine, op het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan;


2.
hij op of omstreeks 5 november 2017 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant] , medewerker van de Politie Noord-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "teringlijer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 5 november 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander [benadeelde partij] heeft mishandeld door [benadeelde partij] voornoemd meermalen met de vuist en met een boormachine, op het hoofd te slaan.


2.
hij op 5 november 2017 te [plaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant] , medewerker van de Politie Noord-Nederland, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "teringlijer".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 5 november 2017 samen met zijn medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan het medeplegen van mishandeling van aangever [benadeelde partij] . Verdachte heeft met zijn vuist en met een accuboormachine meermalen ingeslagen op het hoofd van aangever. Aangever heeft ten gevolge daarvan pijn en letsel opgelopen, zoals blijkt uit de aangifte en de foto’s in het dossier. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van een politieagent die ter plaatse kwam na afloop van de mishandeling. Hij heeft hem opzettelijk beledigend het woord “teringlijer” toegeroepen. Door zo te handelen heeft verdachte de eer en goede naam van de verbalisant aangetast en getoond geen respect te hebben voor het gezag en het ambt van de politieagent.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 juli 2020. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld is voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof heeft tevens in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze door hem en zijn raadsvrouw ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat – gelet op de aard en de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan – de oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren passend en geboden is. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met het tijdsverloop. Voor een andere, mildere strafmodaliteit, komt verdachte, gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet in aanmerking.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.084,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 484,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte tot een bedrag van € 84,00 rechtstreeks schade heeft geleden. Dit gevorderde bedrag van € 84,00 ziet namelijk op een ziekenhuisdaggeldvergoeding in de periode van 18 oktober 2017 tot en met 20 oktober 2017, te weten een periode van weken vóórafgaand aan het bewezenverklaarde feit. Verdachte is niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden afgewezen.

Het hof is voor het overige van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Op 5 november 2017 heeft een mishandeling plaatsgevonden waarbij zowel verdachte, de medeverdachte als de benadeelde partij een aandeel hebben gehad, terwijl niet eenvoudig is vast te stellen wat het aandeel van de benadeelde partij is geweest in het geheel. De mate van eigen schuld is derhalve niet eenvoudig te bepalen, terwijl de mate van eigen schuld invloed kan hebben op de hoogte van de immateriële schade, zoals de benadeelde partij deze stelt te hebben geleden. Een onderzoek naar de vaststelling van dit aandeel zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in zijn vordering niet worden ontvangen en kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ondanks dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering, zal het hof verdachte wel – hoofdelijk – veroordelen tot betaling van de door de benadeelde partij gevorderde proceskosten. In dit geval heeft de benadeelde partij in redelijkheid kosten gemaakt in de vorm van reiskosten van en naar de terechtzitting in eerste aanleg.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 47, 57, 266, 267 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 84,00 (vierentachtig euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, waarbij de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

11,40 (elf euro en veertig cent).

Aldus gewezen door

mr. M. Aksu, voorzitter,

mr. L.J. Bosch en mr. E.M.J. Brink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. Janssen, griffier,

en op 2 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.