Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7367

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
21-000677-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van hennepteelt. Het hof acht op basis van de stukken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet overtuigend bewezen dat verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in de door hem onderverhuurde woning hennep zou worden geteeld. Niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in haar vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000677-17

Uitspraak d.d.: 2 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 30 januari 2017 met parketnummer 18-203271-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 30 januari 2018, 19 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het hem onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde tot een taakstraf voor de duur van 108 uren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal de niet-ontvankelijk verklaring gevorderd van de benadeelde partij Enexis B.V. in de vordering tot schadevergoeding. De vordering van de advocaat-generaal is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. P.T. Huisman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, namelijk het telen van hennep, en voor diefstal van elektriciteit door middel van verbreking. De politierechter heeft verdachte daarvoor een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 31 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 120 uren. Daarnaast heeft de rechter de vordering van de benadeelde partij Enexis B.V. toegewezen tot een hoogte van € 828,80 vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

1. Primair

hij op of omstreeks 4 maart 2015 te [plaats] opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 360, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

1. Subsidiair

Een of meer onbekend gebleven perso(nen) op of omstreeks 4 maart 2015 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk hebben/heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben/heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveel van (in totaal) ongeveer 360, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 4 maart 2015 te [plaats] opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, en/of behulpzaam is geweest door aan één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) voornoemd pand voor de teelt van hennepplanten ter beschikking te stellen;


2.
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot en met 4 maart 2015 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit perceel [adres] heeft weggenomen elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft veroordeling bepleit ter zake van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde, namelijk medeplichtigheid aan het medeplegen van hennepteelt. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft gezien de omstandigheden rond de verhuur van de woning tenminste welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er in de door hem onderverhuurde woning een hennepkwekerij zou worden geëxploiteerd. Daarmee is er sprake van opzet op zowel het gronddelict als de medeplichtigheid daaraan door de woning ter beschikking te stellen.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat hij het eens kan zijn met de eis van de advocaat-generaal. Hij heeft aangevoerd dat er bij zijn cliënt geen sprake was van opzet - het betrof weliswaar de door hem gehuurde woning die hij had onderverhuurd, maar hij had geen enkele weet van de hennepkwekerij zoals die is aangetroffen - maar dat via het voorwaardelijk opzet een bewezenverklaring van de medeplichtigheid, feit 1 subsidiair, kan volgen. Voor de feiten 1 primair en feit 2 dient vrijspraak te volgen. Gelet hierop dient de benadeelde partij-vordering van Enexis te worden afgewezen.

Oordeel van het hof

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de medeplichtigheid bij het medeplegen van hennepteelt door onbekend gebleven derden overweegt het hof dat op basis van de stukken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet overtuigend is bewezen dat verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in de door hem onderverhuurde woning hennep zou worden geteeld. Dit betekent dat het tenlastegelegde niet is bewezen en dat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij Enexis B.V.

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 828,80. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 2 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij Enexis B.V.

Verklaart de benadeelde partij Enexis B.V. niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. L.J. Bosch, voorzitter,

mr. E.M.J. Brink en mr. M. Aksu, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. Janssen, griffier,

en op 2 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.