Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7364

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
21-005207-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van culpoze brandstichting, niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding. Het hof concludeert dat gelet op de uiteenlopende verklaringen over de situatie ter plaatse en het verloop van de brand alsmede het ontbreken van een technische deskundigenrapportage niet meer vastgesteld kan worden waar de brand is begonnen en wat het verloop van de brand is geweest. Evenmin kan vastgesteld worden waar de brandhaard zich bevond en hoe de situatie op de plaats van de brandhaard is geweest.

Gelet op het bovenstaande is het voor het Hof niet mogelijk om met een voor het bewijs toereikende mate van waarschijnlijkheid een causaal verband aan te nemen tussen het gedrag van de verdachte en het ontstaan van de brand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005207-17

Uitspraak d.d.: 2 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 14 september 2017 met parketnummer 18-730114-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 4 oktober 2019, 8 mei 2020, 19 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het hem tenlastegelegde tot een taakstraf voor de duur van 54 uren. Voorts heeft de advocaat-generaal de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 336,84 vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. Tot slot heeft de advocaat-generaal de toewijzing gevorderd van het verzoek van mevrouw [getuige 1] tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een hoogte van € 300,- vermeerderd met de wettelijke rente. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. G.J.P.M. Grijmans, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van het aan zijn schuld te wijten ontstaan van brand, terwijl daarvoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat en heeft verdachte daarvoor een geldboete ter hoogte van € 1.000,- opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot een hoogte van € 336,84 vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2014 t/m 1 januari 2015 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam, in de achtertuin van de woning [adres 1] te [plaats] , een of meer stukken hout in brand heeft gestoken en/of heeft verbrand, in elk geval open vuur heeft gemaakt en/of onderhouden, (mede) ten gevolge waarvan het aan verdachtes en/of zijn medeverdachtes schuld te wijten is geweest dat een (deel van een) naburige schutting en/of een polyester (afdek)golfplaat en/of een daar in de (achter)tuin van de woning [adres 2] te [plaats] opgeslagen hoeveelheid hout, geheel of deels toebehorende aan [benadeelde partij] , geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval dat er brand is ontstaan, en daardoor gemeen gevaar voor de woning [adres 2] te [plaats] en/of een of meerdere andere naburige woning(en) en/of een of meerdere naburige schuur/schuren, althans belendende perceel/percelen, en/of voor naburig/belendend opgeslagen bouwmateriaal en/of ander(e) hout(blokken), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, ontstond of is ontstaan.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daartoe in het bijzonder het volgende. Ten aanzien van het tenlastegelegde (medeplegen van) aan zijn schuld te wijten ontstaan van brand, terwijl daarvoor gemeen gevaar voor goederen ontstond, dient in de eerste plaats causaal verband te bestaan tussen het gedrag van de verdachte en (het ontstaan van) de brand. In de tweede plaats dient er causaal verband te bestaan tussen de in de tenlastelegging beschreven gedragingen in het geheel en het gevolg in de zin van gemeen gevaar voor goederen. Het hof dient daartoe feiten en omstandigheden vast te stellen omtrent de oorzaak van de brand en de eventueel verwijtbare rol van verdachte daarbij.

Het hof komt tot de conclusie dat het op grond van de stukken in het dossier, in het bijzonder de uiteenlopende verklaringen, niet (meer) mogelijk is om eenduidige feiten vast te stellen ten aanzien van de oorzaak van de brand, hoe de situatie ter plaatse was met name ten aanzien van de brandhaard en het verloop van de brand. Het hof komt tot deze conclusie gelet op de (grote) verschillen in de afgelegde verklaringen.

Verdachte [medeverdachte 1] verklaart bij de politie dat hij meerdere keren hout in de vuurton heeft gegooid, dat hij vonken in de lucht heeft zien gaan, dat de vuurton op een gegeven moment voor de jaarwisseling is uitgegaan en dat na de jaarwisseling brand werd ontdekt bij aangever en zijn echtgenote.

Verdachte [verdachte] verklaart bij de politie dat de ton in het zand op ongeveer vier à vijf meter van de buren stond, hij hout op het vuur heeft gegooid en zij gestopt zijn met het branden van hout in de ton tussen 22:00 uur en 23:00 uur. Omstreeks 24:00 uur werd er vuurwerk voor de woning van verdachte [medeverdachte 2] afgestoken. Nadat zij naar binnen gingen, kwam er iemand uit de tuin die schreeuwde dat er brand was. [verdachte] zag rook uit een schuur of houtopslag komen en zag op datzelfde moment ook vlammen boven het muurtje van de houtstek uitkomen. Een aantal mensen heeft de vlammen op dit muurtje geblust. Hierna heeft de brandweer de houtstek nageblust.

Verdachte [medeverdachte 2] verklaart bij de politie dat het hout in de ton is aangestoken rond 21:00 uur, het hout op was rond 23:00 uur en het vuur in de ton rond die tijd uit was en dat de brand bij de buren is ontdekt rond 00:27 uur. Hierop zijn zij gaan blussen. Op het moment dat de brandweer kwam, was het vuur al uit. Onderin het hout (het hof begrijpt: van de houtstek bij de buren) gloeide het echter nog. De brandweer heeft enige tijd bluswerkzaamheden uitgevoerd met betrekking tot de houtstek. Ter terechtzitting van dit hof verklaart [medeverdachte 2] dat er zeker sprake was van vliegvuur, maar dat er bij elk vuur sprake is van vliegvuur. Die bewuste avond heeft het vliegvuur – zo stelt verdachte [medeverdachte 2] – geen risico veroorzaakt voor zaken eromheen. Was dat wel zo, dan hadden hij en zijn vrienden ook niet bij de ton kunnen staan. [medeverdachte 2] geeft aan dit te verklaren vanuit zijn beroepsmatige kennis en kunde omtrent brand.

Daarnaast verklaart getuige [getuige 2] , brandmeester, bij de politie dat hij omstreeks 00:36 uur ter plaatse kwam. Hij nam waar dat er op het perceel van [medeverdachte 2] vrij veel personen aanwezig waren welke de brand grotendeels geblust hadden, althans dit zeiden zij. [getuige 2] nam ter plaatse het volgende waar: tussen de percelen van [medeverdachte 2] en [benadeelde partij] staat een afscheidingsmuur die tot ongeveer 1,60 meter bestaat uit dichte steen met daarbovenop open sierstenen van 30 bij 30 cm. Door de openingen in de siersteen in de afscheidingsmuur tussen het perceel van [medeverdachte 2] en aangever [benadeelde partij] zag hij dat er nog vuur was in het daarachter gelegen hout (het hof begrijpt: van de houtstek). De vuurgloed was op ongeveer 1,50 meter hoogte. Hierop hebben zij getracht te blussen, het afdakje boven de houtstek opengebroken, de houtstek uit elkaar gehaald en de houtblokken op het perceel van [medeverdachte 2] geblust. Verder neemt hij waar dat de boeidelen (het hof begrijpt: de dakrandafwerking) van de achterzijde van het stenen schuurtje in de tuin van [benadeelde partij] en de zijkant van het balkon van [benadeelde partij] zwart geblakerd was. Dit duidt op aantasting door vuur, hetgeen kennelijk op tijd is geblust (het hof begrijpt: door anderen dan de brandweerlieden). [getuige 2] verklaart verder dat hij de ton, toen hij ter plaatse was, niet heeft gezien, omdat hij was gericht op de brand en zijn manschappen. Over de mogelijke oorzaak van de brand verklaart hij dat er een reële kans is, getuige noemt later 90%, dat het vliegvuur (het hof begrijpt: door de lucht vliegende vonken) via de openingen in de sierstenen in het hout terecht gekomen is. Het ontstaan van de brand door vuurwerk of een vuurpijl acht [getuige 2] minder aannemelijk. Later voegt hij eraan toe dat in zijn optiek de warmteoverdracht van de hoge vuurbelasting in de ton mede oorzaak van het ontstaan van de brand is geweest. Hierdoor is de afscheidingsmuur opgewarmd en is het opgedroogde hout waarschijnlijk nog droger geworden en vermoedelijk door middel van overdracht van vliegvuur vlam gaan vatten.

Bij de raadsheer-commissaris van dit hof verklaart [getuige 2] dat hij de ton wel zag staan op het perceel van [medeverdachte 2] op ongeveer 2,5 meter vanaf de afscheidingsmuur. Op het moment dat hij op het perceel van [medeverdachte 2] aankwam, zat er nog hout in de ton en brandde het hout in de ton nog. Hij weet niet of de ton is verplaatst. Aan het einde van het verhoor verklaart hij dat er smeulende dingen om de ton lagen. Het vuur in de ton was al 'een tijd' uit, maar de rand van de ton was nog roodgloeiend: “[J]e zag een rode gloed aan de buitenkant van de ton”. Hij verklaart dat hij niet meer weet of de vuurhaard recht achter de siertegels zat. Hij heeft geen vlammen gezien in de houtstek. Op het moment dat ze de houtstek uit elkaar haalden, ontstonden er wel vlammen. [getuige 2] verklaart niet in de tuin van [benadeelde partij] te zijn geweest, niet te weten of de houtopslag vanuit de tuin van [benadeelde partij] open is en dat zijn collega [naam] bovenop de houtstek heeft gestaan en deze uit elkaar heeft gehaald. De diepte van de vuurhaard was 1 tot 1,50 meter, vanuit de bovenkant van de houtstek gemeten. Hij voegt hieraan toe dat het hittepunt zo'n 40 à 50 centimeter onder de siertegel zat. Over de door brand aangetaste balk aan de tuinkant van het perceel van [medeverdachte 2] verklaart [getuige 2] dat deze zichtbaar verbrand is. Hij acht het mogelijk dat de warmte van onder het dakje bovenop de houtstek is gekomen. Als de vlammen vanuit de ton schuin naar boven gaan, dan kan het bovenop gaan branden en dan is het mogelijk dat de balk opwarmt zodat die gaat branden. [getuige 2] verklaart eveneens dat het mogelijk is dat een vuurpijl een bocht heeft gemaakt en vanaf de tuinkant van [benadeelde partij] de houtvoorraad is ingevlogen. Hij weet dit niet zeker, want hij had geen zicht op de zijkant aan de tuinkant van [benadeelde partij] . Hij heeft geen resten van vuurwerk aangetroffen op de plaats van de brand, maar hij heeft de plaats van de brand slechts aan de zijde van het perceel van [medeverdachte 2] kunnen bekijken. [getuige 2] verklaart dat hij en zijn manschappen geen onderzoek hebben gedaan naar het ontstaan van de brand; daarvoor waren zij niet ter plaatse. [getuige 2] acht het aannemelijk dat de brand is ontstaan door vliegvuur van het vuur dat eerder op de avond brandde in de ton op het perceel van [medeverdachte 2] , maar hij heeft dit niet vast kunnen stellen omdat er geen onderzoek naar het ontstaan van de brand is gedaan.

Getuige [getuige 1] verklaarde bij de politie het volgende. Zij zag op 31 december 2014 een vuurton staan op ongeveer 2,5 meter vanaf de schutting waarin hout werd opgestookt vanaf ongeveer 16:30 uur. Zij verklaart dat het vuur kort na 18:00 uur minder werd en vervolgens weer groter werd, totdat zij zag dat de vlammen 'wel vijf meter boven het vat uit kwamen'. Ook zag zij dat er een wolk van vonken uit het vat omhoog kwam en dat deze door de wind over hun tuin werden geblazen. Om 24:00 uur gingen het gezelschap dat bij [medeverdachte 2] aanwezig was naar de voorkant van het huis om vuurwerk af te steken. [getuige 1] neemt op dat moment een smeulend vuur waar dat gedeeltelijk naast de ton lag. Toen zij naar achteren liep, werd het vuur weer opgestookt. Zij zag op dat moment dat de vlammen weer 'vijf meter boven de schutting uitvlogen' en dat de vonken over hun tuin gingen. Dat was om ongeveer 00:20 uur. Rond dat tijdstip zag zij dat de bovenkant van de schutting en een polyester afdakje in brand stond. Zij zag allemaal lekvlammen uit het afdakje komen. Dat afdakje zat boven een stapel met gekloofd brandhout (het hof begrijpt: de houtstek). [benadeelde partij] heeft vervolgens het vuur dat [getuige 1] waarnam geblust.

Bij de raadsheer-commissaris verklaart [getuige 1] het volgende. Over de oorzaak van de brand verklaart zij dat het dak van de houtopslag als eerste is gaan branden; dat is van kunststof. Toen is het waarschijnlijk naar beneden gelekt en toen is het hout eronder ook warm geworden, denkt zij. Zij heeft niet waargenomen dat het hout is gaan branden.

Aangever [benadeelde partij] verklaart bij de politie het volgende. Op 31 december 2014 zag hij dat [medeverdachte 2] omstreeks 18:00 uur een olievat gevuld met brandend hout had staan in de achtertuin van zijn woning op ongeveer 2,5 meter van de schutting. Aangever nam op een onbekend tijdstip steekvlammen uit het vat waar en zag dat er een vonkenregen vanaf het vuur kwam. De vonken kwamen terecht op het balkon van zijn woning, in zijn tuin en op het hout dat in de tuin stond. Rond 23:30 uur neemt hij waar dat mensen de tuin van [medeverdachte 2] uitgingen richting de voorzijde van de woning. Het vuur werd op dat moment minder. Wel zag hij nog stukken sloophout rondom het vat liggen die brandden. Omstreeks 00:15 uur zag hij dat men weer terugkwam in de achtertuin van [medeverdachte 2] en dat de vlammen weer flink oplaaiden. Toen zag hij dat de golfplaten, de regenpijp, het hout voor het muurtje en het polyester dat onderaan de trap van het balkon zat, in brand vlogen. Dit heeft hij geblust, waarna de brandweer arriveerde.

Bij de raadsheer-commissaris verklaart hij het volgende over het ontstaan van de brand. In zijn herinnering was het een kleine rij vlammen bovenop de schutting, 'een beetje witte vlammen'. De vlammenrij was ongeveer twee meter breed, langs de schutting. Het was een polyester dakje met een houten plank. Over de houtopslag verklaart hij dat deze niet gesloten is, maar open is aan zijn tuinkant.

Uit de hierboven genoemde verklaringen komen duidelijk verschillende beschrijvingen van de feitelijke gang van zaken naar voren. De verschillen tussen de verklaringen daar waar het gaat over de omvang van de brand in de ton, de afstand van de ton tot de erfafscheiding, de tijdstippen waarop het vuur al dan niet oplaaide, het tijdstip waarop de brand op het perceel van [benadeelde partij] is ontstaan en de plek waar de brand op het perceel van [benadeelde partij] is ontstaan, liggen zo ver uiteen dat het voor het hof thans niet (meer) mogelijk is een eenduidige feitelijke gang van zaken vast te stellen.

Dit klemt te meer nu er geen gedegen technisch onderzoek naar de brand heeft plaatsgevonden. Het hof heeft eveneens acht geslagen op het feit dat het oudjaarsavond was en er in de omgeving van de plaats van de brand ook vuurwerk is afgestoken. Hoewel niet vast te stellen is dat dit de oorzaak van het ontstaan van de brand is geweest, is dit zonder gedegen technisch onderzoek ook niet uit te sluiten.

Het hof concludeert dat gelet op de uiteenlopende verklaringen en het gebrek aan een technische rapportage door een deskundige niet meer vastgesteld kan worden waar de brand is begonnen, wat het verloop was van de brand en evenmin vastgesteld kan worden waar de brandhaard zich bevond en hoe de situatie op de plaats van de brandhaard is geweest.

Gelet op het bovenstaande is het voor het Hof niet mogelijk om met een voor het bewijs toereikende mate van waarschijnlijkheid causaal verband aan te nemen tussen het gedrag van de verdachte en het ontstaan van de brand.

Aan beoordeling van de vraag of verdachten met hun gedrag aanmerkelijk onvoorzichtig hebben gehandeld ten gevolge waarvan de brand is ontstaan, en welke specifieke rol verdachte daarbij heeft gespeeld en wat van hem mag worden verwacht, komt het hof dan ook niet (meer) toe. Het hof spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 772,18. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 336,84. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Verzoek van [getuige 1] tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

Ter terechtzitting van dit hof van 19 augustus 2019 heeft [naam] namens mevrouw [naam echtgenote] , de echtgenote van benadeelde partij [benadeelde partij] , een verzoek gedaan tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van € 300,- vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof overweegt dat verdachte niet schuldig wordt verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde immateriële schade zou zijn veroorzaakt. Om die reden wijst het hof het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel af.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. E.M.J. Brink, voorzitter,

mr. L.J. Bosch en mr. M. Aksu, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D. Janssen, griffier,

en op 2 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.