Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7330

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
Wahv 200.226.856/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding. Anders dan de advocaat-generaal betoogt, komen ook de in administratief beroep gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking. De betrokkene heeft namelijk rechtsmiddelen moeten aanwenden om het bedrag van de bestraffende sanctie gewijzigd te krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.226.856/01

CJIB-nummer

: 200361812

Uitspraak d.d.

: 16 september 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Noord-Holland van 29 september 2017, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 30 januari 2020 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De griffier van de rechtbank heeft het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van

29 september 2017 toegezonden aan de griffier van het hof. Dit proces-verbaal is partijen in afschrift verstrekt.

De zaak is behandeld op de zitting van 2 september 2020. De gemachtigde van de betrokkene is niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .

Beoordeling

1. Het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter is toegevoegd aan het dossier. Het verweer van de gemachtigde slaagt op dit punt dan ook niet. Voor zover de gemachtigde betoogt dat het proces-verbaal niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, slaagt dat evenmin. Het proces-verbaal bevat een zakelijke weergave van hetgeen is voorgevallen ter zitting, waaronder de conclusie waartoe de vertegenwoordiger van de officier van justitie is gekomen.

2. De bezwaren van de gemachtigde richten zich verder tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard.

3. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene een sanctie van € 400,- opgelegd voor: “voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 27 juni 2016 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [YY-00-00] .

4. De gemachtigde voert aan dat het voertuig van de betrokkene slechts diende als reparatie- en hobbyproject. Hij heeft ter onderbouwing van die stelling foto’s van het betreffende voertuig aan het dossier toegevoegd. Onder verwijzing naar een uitspraak van het hof van 1 september 2017 (ECLI:GHARL:2017:7647) stelt de gemachtigde dat bij het openbaar ministerie sprake is van een gewijzigd inzicht voor wat betreft de verhouding tussen de hoogte van het sanctiebedrag en de ernst van de gedraging. Gelet hierop is hij van mening dat in de onderhavige zaak, die identiek is aan de zaak in voornoemd arrest, aanleiding bestaat het bedrag van de sanctie te matigen.

5. Nu uit de informatie in het dossier volgt dat het op naam van de betrokkene gestelde voertuig ten tijde van de registercontrole niet was verzekerd en de tenaamstelling in het kentekenregister evenmin was geschorst, hetgeen ook niet wordt ontkend, staat de gedraging naar het oordeel van het hof vast.

6. De advocaat-generaal heeft voorgesteld het bedrag van de sanctie te matigen tot € 200,-. De gemachtigde heeft in reactie hierop aangegeven dat de betrokkene zich kan vinden in deze matiging.

7. In aanmerking nemend dat de officier van justitie in het kader van een procedure als deze, op de voet van artikel 9, tweede lid, Wahv, een eigen bevoegdheid heeft om in een concrete zaak vast te stellen wat het bedrag van de sanctie dient te zijn, zal het hof de advocaat-generaal hierin volgen en het bedrag van de sanctie matigen tot € 200,-. Naar het oordeel van het hof is met voornoemde matiging voldoende rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. Het hof ziet daarom geen aanleiding om over te gaan tot een verdergaande matiging of het achterwege laten van de sanctie.

8. De gemachtigde heeft verzocht om vergoeding van proceskosten. Ten aanzien van het verzoek heeft de advocaat-generaal ter zitting het volgende naar voren gebracht. De advocaat-generaal stelt zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt dat de proceskosten voor de fase van het administratief beroep niet voor vergoeding in aanmerking komen. Hoewel de betrokkene in de onderhavige zaak voor wat de hoogte van het sanctiebedrag in het gelijk is gesteld, is in de optiek van de advocaat-generaal hier geen sprake van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De ambtenaar heeft de sanctie immers op goede gronden opgelegd.

9. Het hof ziet geen aanleiding om van de uitgezette lijn in het arrest van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336) af te wijken en overweegt hiertoe als volgt. In dit arrest heeft het hof naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 7 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:563) – kort gezegd – overwogen dat voor een vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte kosten aanleiding is wanneer de betrokkene in het gelijk wordt gesteld. Bij het beantwoorden van de vraag wanneer daarvan sprake is, komt het hof een grote mate van beoordelingsvrijheid toe, mede gelet op het eigenstandige karakter van de Wahv. Het hof merkt hierbij op dat de Hoge Raad in dit verband niet heeft gerefereerd aan het bepaalde in de artikelen 7:15, tweede lid, en 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

10. Het hof heeft in het arrest van 28 april 2020 geoordeeld dat van het in het gelijk stellen sprake is als de inleidende beschikking, waarbij de sanctie is opgelegd, wordt vernietigd of als de inleidende beschikking wordt gewijzigd op het punt van de hoogte van het bedrag van de sanctie, de omschrijving van de gedraging of de feitcode. In die situaties komen de proceskosten in de regel voor vergoeding in aanmerking. In casu is de hoogte van het bedrag van de administratieve sanctie in de inleidende beschikking gewijzigd. De betrokkene heeft rechtsmiddelen moeten aanwenden om het bedrag van de (bestraffende) sanctie gewijzigd te krijgen. Naar het oordeel van het hof is daarom ook in de fase van het administratief beroep sprake van proceskosten die redelijkerwijs voor vergoeding in aanmerking komen.

11. De proceskosten voor de fase van het administratief beroep en het hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking. De kantonrechter heeft immers reeds een vergoeding toegekend voor de in de procedure bij de kantonrechter gemaakte proceskosten. Aan het indienen van de beroepschriften bij de officier van justitie en het hof dienen in totaal twee procespunten te worden toegekend. Het hof ziet geen aanleiding voor het toekennen van een half punt aan de reactie van de gemachtigde op het schrijven van de advocaat-generaal van 19 december 2019, nu de gemachtigde daarin slechts naar voren heeft gebracht zich te kunnen vinden in de door de advocaat-generaal voorgestane matiging van de sanctie. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 525,- (= 2 x € 525,- x 0,5).

12. Voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 200,-;

bevestigt deze beslissing voor het overige;

bepaalt dat het teveel aan zekerheid gestelde bedrag aan de betrokkene wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 525,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.