Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7303

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
Wahv 200.237.691/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De beslissing van de officier van justitie kan niet in stand blijven als daarin is overwogen dat geen rekening kan worden gehouden met de financiële situatie van de betrokkene. De betrokkene is daarmee benadeeld, ook nu het verzoek om matiging van de sanctie verder niet was onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.237.691/01

CJIB-nummer

: 205761541

Uitspraak d.d.

: 15 september 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 14 maart 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de officier van justitie berust op een ondeugdelijke motivering. De officier van justitie heeft namelijk overwogen dat de Wahv er niet in voorziet om rekening te houden met de financiële omstandigheden van de betrokkene, terwijl de officier van justitie wel degelijk de bevoegdheid heeft om sancties te matigen op grond van de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, waaronder de financiële omstandigheden. De kantonrechter heeft dit miskend.

2. De beslissing van de officier van justitie is - voor zover relevant - als volgt gemotiveerd:

''U verzoekt ook om rekening te houden met uw financiële omstandigheden. De Wahv voorziet er niet in om hiermee rekening te houden. Uw verzoek wordt afgewezen.''

3. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie zijn beslissing niet onjuist heeft gemotiveerd. Het hof is echter van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk is gemotiveerd, nu deze een onjuiste rechtsopvatting bevat. Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv kan de officier van justitie gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert namelijk wel degelijk een lager bedrag van de administratieve sanctie vaststellen.

4. Door de gemachtigde is blijkens het hoorverslag tijdens de hoorzitting verzocht om de sanctie te matigen in verband met de financiële omstandigheden van de betrokkene. Hoewel de kantonrechter op zichzelf juist heeft overwogen dat dit verzoek niet onderbouwd was, is deze grond gelet op de motivering als zodanig geheel niet bij de beoordeling betrokken. De betrokkene is naar het oordeel van het hof benadeeld door de gebrekkige motivering. Dit betekent dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand heeft gelaten. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie vernietigen. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

5. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “Als (snor)fietser bij ontbreken (verpl.) (brom)fietspad niet de rijbaan gebruiken (bijv. rijden op trottoir, voetpad)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 maart 2017 om 13.37 uur op de Boelekade in Gouda met het voertuig met het kenteken [YY0-00Y] .

6. Namens de betrokkene wordt de gedraging erkend, maar een beroep gedaan op bijzondere omstandigheden. De betrokkene is op de stoep gestopt omdat zijn band een raar geluid maakte. Hij is vervolgens een stukje gaan rijden om te kijken of de band niet zou blijven haken, wat eerder wel is gebeurd. Het is in verband met de verkeersveiligheid niet verstandig om dit soort dingen te testen op de rijbaan. Dit heeft de betrokkene ook met de ambtenaar besproken. Gelet op het feit dat de betrokkene maar heel kort en in verband met de verkeersveiligheid gebruik maakte van het trottoir, is het niet billijk om een sanctie op te leggen.

7. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

8. Naar oordeel van het hof is geen sprake van omstandigheden als hiervoor bedoeld. Het hof acht de door de gemachtigde aangevoerde omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. Bovendien is ook niet gebleken dat de betrokkene niet anders heeft kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het verweer van de betrokkene niet wordt ondersteund door de verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in het zaakoverzicht. Die verklaart – kort
samengevat – dat hij de betrokkene op het trottoir zag rijden en zag dat hij een auto wilde inhalen door over het trottoir te rijden en langs geparkeerde auto’s. Dat de betrokkene mogelijk maar een kort stukje over het trottoir heeft gereden doet hier niet aan af. Het betreft een absoluut verbod, waarbij de tijd of afstand niet van belang is.

9. Gelet op het voorgaande zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond worden verklaard.

10. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.