Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:73

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-01-2020
Datum publicatie
14-01-2020
Zaaknummer
200.225.648
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

3:33-3:35 BW, 6:162 BW.

MultiQuest (die vordering heeft verkocht aan appellante) was gehouden tot levering van participaties aan klant van SNS na betaling door klant. Telefoongesprekken en e-mail wisseling tussen medewerker SNS en medewerker van de bank van MultiQuest. Geen sprake van (bijzondere) zorgplicht: professionele partijen en geen (pre)contractuele verhouding tussen deze partijen. Geen toezeggingen gedaan. Geen onrechtmatig handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.225.648

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 429067)

arrest van 7 januari 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap

BC Claim B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: BC Claim,

advocaat: mr. P.J. van der Korst,

tegen:

de naamloze vennootschap

De Volksbank N.V. (voorheen: SNS Bank N.V.),

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Volksbank respectievelijk SNS,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.

1 De procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst daarvoor naar de inhoud van de vonnissen van 15 februari 2017 (tussenvonnis) en 26 juli 2017 (eindvonnis) van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 9 oktober 2017,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij bericht van 6 november 2019 door mr. Van der Korst namens BC Claim zijn ingebracht.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3 De vordering en de beslissing in hoger beroep

3.1

MultiQuest N.V. (MultiQuest) stelt een vordering te hebben op SNS. Deze vordering heeft zij bij akte van cessie van 16 november 2015 overgedragen aan BC Claim. Bij de rechtbank heeft BC Claim een verklaring voor recht gevorderd dat SNS onrechtmatig heeft gehandeld tegen MultiQuest door de betalingsopdracht van [A] ( [A] ) niet uit te voeren. Ook heeft BC Claim gevorderd SNS te veroordelen tot betaling van € 2.718.861,- met wettelijke rente vanaf 29 februari 2012 en proceskosten. De Volksbank heeft verweer gevoerd. De rechtbank heeft in het eindvonnis de vorderingen afgewezen.

3.2

Daarmee is BC Claim het niet eens. Zij komt in hoger beroep en vordert in hoger beroep de vernietiging van het eindvonnis en alsnog toewijzing van haar vorderingen tot schadevergoeding of om de door haar gestelde schade op te laten maken bij staat.

3.3

BC Claim heeft een aantal bezwaren (grieven) tegen het eindvonnis. Het hof komt tot de conclusie dat die bezwaren niet opgaan. Dat betekent dat het eindvonnis van de rechtbank in stand blijft (wordt bekrachtigd). Hieronder legt het hof uit hoe het tot die beslissing is gekomen. Het hof bespreekt daarbij de grieven gezamenlijk.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Waar gaat de zaak over?

4.1

[A] had recht op levering door MultiQuest van 85 participaties in Sabon FunDing N.V. Dat recht ontleende [A] aan een koopovereenkomst (zoals BC Claim stelt) of een calloptie (zoals de Volksbank stelt). Partijen zijn het erover eens dat [A] de afgesproken koopprijs van € 2.718.861,- vóór 1 maart 2012 aan MultiQuest moest betalen. In dat verband is er op 29 februari 2012 contact geweest (telefonisch en via e-mail) tussen [B] ( [B] ) van Alex Beleggingsbank (Alex), de bank van MultiQuest die feitelijk tot levering van de participaties moest overgaan en [C] ( [C] ) van SNS, de bank van [A] , die voor uitvoering van de door [A] gegeven betalingsopdracht moest zorgen. SNS is niet tot uitvoering van die opdracht overgegaan omdat [A] niet over voldoende dekking beschikte op zijn (effecten)rekening bij SNS. MultiQuest heeft de participaties niet aan [A] geleverd.

4.2

BC Claim stelt dat SNS zowel op 29 februari en 1 maart 2012 als ook daarna MultiQuest onjuist, onvolledig en misleidend heeft geïnformeerd, door (i) aanvankelijk uitdrukkelijk te bevestigen dat betaling zou plaatsvinden, door (ii) te verzwijgen dat SNS betaling blokkeerde en door (iii) vervolgens in het midden te laten of en zo ja wanneer betaling zou plaatsvinden. Daardoor heeft SNS haar zorgplicht tegenover MultiQuest geschonden en onrechtmatig gehandeld, ten gevolge waarvan MultiQuest schade heeft geleden, aldus BC Claim.

Zorgplicht SNS jegens MultiQuest?

4.3

[A] was klant van SNS. MultiQuest was (bij de transactie waar het hier om gaat –

levering van participaties tegen betaling) de wederpartij van [A] en had geen (klant)relatie met SNS. Er is ook geen rechtstreeks contact geweest tussen MultiQuest en SNS. Er is enkel contact geweest tussen SNS en Alex, de bank van MultiQuest, die feitelijk voor levering van de participaties moest zorgen. Niet valt in te zien waarom SNS jegens hen een bijzondere zorgplicht zou hebben zoals BC Claim bedoelt. In de eerste plaats geldt dat MultiQuest en Alex, anders dan [A] , professionele partijen zijn. Daarnaast gaat het hier om niet meer dan een verzoek van Alex, handelend in opdracht van MultiQuest, tot het uitvoeren van een overboeking door SNS ten laste van haar cliënt [A] . De vraag die MultiQuest in feite voorlegt is of zij uit de verklaring of gedraging van SNS jegens Alex het gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen ontlenen dat SNS een betalingstoezegging of -bevestiging deed (3:33-3:35 BW). De (bijzondere) zorgplicht die kan gelden in een (pre)contractuele verhouding tussen de bank en haar cliënt en in een enkel geval ook jegens de bank en in aanmerking komende derden, speelt in dit verband geen rol.

Geen betaling bevestigd

4.4

MultiQuest meent dat in het telefoongesprek van 29 maart 2012 14.01 uur SNS aan Alex heeft bevestigd dat betaling zou plaatsvinden. In dat telefoongesprek (transcriptie in productie 6 bij memorie van grieven) vraagt [C] aan [B] of hij “die transactie” (tussen [A] en MultiQuest) kan terugbevestigen, waarop [B] vraagt of hij een e-mail (van hem aan [A] ) moet doorsturen of dat hij een reactie wil op de e-mail van 13.35 uur. Daarop zegt [C] : “Ja als je mij gewoon daar even een reactie terug kan geven dan kan ik het hier intern aan de juiste persoon voorleggen, en eh dan kunnen we hem opstarten vanmiddag…”. Daaruit kan niet worden afgeleid dat [C] een bevestiging van betaling heeft gedaan of dat [B] dat redelijkerwijs zo heeft mogen begrijpen, nog daargelaten of een bevestiging aan Alex als een bevestiging aan MultiQuest heeft te gelden. [C] zegt in dat telefoongesprek alleen dat ze de betalingsopdracht kunnen gaan opstarten nadat die intern aan de juiste personen is voorgelegd. Daaruit blijkt al dat [C] zelf geen bevoegdheid had om die opdracht uit te voeren (en alleen daarom al geen toezegging of bevestiging kon doen tot betaling) en dat dat voor [B] ook duidelijk was. Ook de e-mail van die middag 16.57 uur van [C] aan [B] kan niet als een bevestiging van de betaling worden gezien. De mededeling van [C] “als zij (de afdeling financieel, hof) het verwerkt hebben dan moeten jullie hem vandaag nog ontvangen” onderstreept alleen maar dat [C] zelf niet verantwoordelijk was voor uitvoering van de betalingsopdracht en dat hij daarom ook geen bevestiging kon geven dat deze ook daadwerkelijk zou worden uitgevoerd. Zijn uitlatingen reikten niet verder dan dat de opdracht tot betaling was opgestart. Dat is ook gebeurd.

Geen onjuiste voorlichting/verzwijging

4.5

Omdat er geen bevestiging was gegeven dat tot betaling werd overgegaan, hoefde SNS MultiQuest ook niet te waarschuwen dat geen uitvoering was gegeven aan de onderliggende betalingsopdracht. Bovendien was dat Alex en ook MultiQuest al duidelijk: bij e-mail van 29 februari 2012 17.30 uur berichtte Alex MultiQuest dat de bewuste overboeking nog niet had plaatsgevonden. In de e-mail van [B] aan [A] van 1 maart 2012 13.43 uur zegt [B] dat nog eens. Omdat de koopprijs nog niet was overgemaakt, zo blijkt uit die e-mail, waren de participaties ook nog niet overgeboekt. Voor [A] was toen al duidelijk dat SNS de door hem gegeven betalingsopdracht niet wilde uitvoeren: dat blijkt uit de e-mail van [E] aan [A] van 1 maart 9.10 uur, waarin aan [A] wordt meegedeeld dat het niet meer mogelijk is geldoverboekingen te doen vanaf zijn effectenrekening omdat de debetstand te hoog is. Dat uiteindelijk geen betaling heeft plaatsgevonden heeft dus te maken met de contractuele relatie tussen [A] en SNS, daar stond MultiQuest buiten. [A] heeft SNS in rechte aangesproken, maar zonder succes.

Geen onduidelijkheid

4.6

In ieder geval was het voor Alex op 2 maart 2012 duidelijk dat de overboeking niet meer ging plaatsvinden. Op die datum heeft [B] om 10.00 uur een telefoongesprek gevoerd met [D] van SNS. [B] vraagt in dat gesprek wat hij zou kunnen doen om alsnog overboeking voor elkaar te krijgen. [D] antwoordt dat hij daar inhoudelijk niet op kan reageren maar dat de order om juridische redenen niet is doorgegaan. Hij zegt: “concreet is de eh, is de deal niet doorgegaan” waarop [B] antwoordt: “ok, dus de leverende partij, die eh meneer [A] , die eh is op de hoogte dus dat…, die weet waarom het niet doorgaat, en die moet dan maar met mijn cliënt maar kortsluiten eh hoe ze het op een andere manier gaan aanpakken, eh toch?” [D] zegt dan dat dat klopt waarop [B] nog uitspreekt dat het jammer is dat de deal niet is doorgegaan en dat hij zijn cliënt (MultiQuest) gaat informeren.

Geen aansprakelijkheid SNS

4.7

Van een betalingsbevestiging of -toezegging, verzwijging of onduidelijkheid waaraan rechtens relevante gevolgen kunnen worden ontleend was dus geen sprake.

Van schending van enige zorgplicht op die gronden of anderszins onrechtmatig handelen van SNS tegenover MultiQuest is dan ook niet gebleken.

4.8

Daar komt bij dat MultiQuest ook niet heeft gehandeld alsof er een betalingsbevestiging was gedaan. Zij is niet tot levering van de participaties overgegaan.

Al aangenomen dat sprake was van een koopovereenkomst in plaats van een call optie had MultiQuest de koopovereenkomst met [A] kunnen ontbinden en de participaties aan (een) derde(n) kunnen verkopen. [A] was immers met betaling in gebreke gebleven en verkeerde daarom vanaf 1 maart 2012 - ook in de visie van MultiQuest de uiterste (fatale) termijn voor betaling – zonder ingebrekestelling in verzuim (artikel 6:83 onder a Burgerlijk Wetboek). Dat MultiQuest schade heeft geleden doordat de waarde van de participaties vanaf medio maart kelderde, komt dan ook voor haar rekening. Zij kan (de aansprakelijkheid voor) die schade niet bij de Volksbank neerleggen.

Conclusie

4.9

De conclusie is dat de feiten niet kunnen leiden tot de juridische gevolgen die BC Claim daaraan verbonden wil zien. Omdat BC Claim verder geen stellingen heeft ingenomen die kunnen leiden tot toewijzing van de vordering, komt het hof niet toe aan bewijslevering.

5 De slotsom

5.1

Het hoger beroep slaagt niet. Het eindvonnis blijft in stand (wordt bekrachtigd).

5.2

Omdat BC Claim ongelijk krijgt moet zij de kosten van de Volksbank van het hoger beroep betalen. De kosten die de Volksbank voor de procedure in hoger beroep heeft gemaakt zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 5.200

- salaris advocaat € 15.503 (3 punten x tarief VIII)

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 juli 2017,

veroordeelt BC Claim in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Volksbank vastgesteld op € 5.200 voor griffierecht en op € 15.503 voor salaris advocaat overeenkomstig het daarvoor gehanteerde tarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, I. Brand en M.G. van ‘t Westeinde en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2020.