Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7261

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
200.269.859/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schoonmaakbedrijf verricht diverse werkzaamheden na woningbrand. Zij vordert betaling van deze werkzaamheden van de eigenaar van de woning. Het hof wijst deze vordering, net als de rechtbank af. Zowel de primaire grondslag – overeenkomst van opdracht – als de subsidiaire grondslag – ongerechtvaardigde verrijking – is onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.269.859/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 156362)

arrest van 15 september 2020

in de zaak van

Eresdé B.V.,

gevestigd te Harlingen,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Eresdé,

advocaat: mr. I.J. Woltman, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.A. van Beilen, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1
1 Het verloop van de procedure in eerste aanleg

1.1

Het verloop van de procedure in eerste aanleg blijkt uit de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 27 september 2017 en 2 mei 2018.

2
2 Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de appeldagvaarding van 30 juli 2018, tegen de zitting van 4 december 2018;
- het herstelexploot van 14 december 2018 (nadat de appeldagvaarding niet was
aangebracht op 4 december 2018);
- de memorie van grieven tevens houdende vermeerdering van eis (met producties);
- de memorie van antwoord (met producties);
- de akte uitlating producties.
2.2 Vervolgens hebben partijen de processtukken overgelegd en heeft het hof een datum voor arrest bepaald.

2.3

In de procedure bij de rechtbank vorderde Eresdé na vermindering van eis betaling van € 25.712,79 in hoofdsom, te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten van € 1.043,14 en proceskosten.
In de memorie van grieven heeft zij haar vordering vermeerderd, in die zin dat zij nu betaling vordert van de bij de rechtbank gevorderde bedragen, te vermeerderen met de werkelijk door haar gemaakte proceskosten van € 33.920,73.

2.4

[geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze eisvermeerdering. Het hof ziet ook geen reden om de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten en zal dan ook recht doen op de vermeerderde eis.

3
3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2

Op 6 oktober 2016 is de woning van [geïntimeerde] deels door brand verwoest.

3.3

[geïntimeerde] had een woonhuisverzekering afgesloten bij London Verzekeringen N.V. (inmiddels Allianz Benelux N.V.), hierna: London. Deze verzekering bood onder meer dekking tegen opstalschade door brand. Daarnaast had hij een inboedelverzekering afgesloten bij Achmea.

3.4

Eresdé, een schoonmaakbedrijf dat onder meer gespecialiseerd is in het herstellen van brandschade, heeft na de brand opruim- en schoonmaakwerkzaamheden aan de woning en de inboedel verricht en een deel van de inboedel opgeslagen. Zij is aanvankelijk ingeschakeld door de Stichting Salvage, het overkoepelend orgaan van de verzekeraars dat eerste hulp biedt bij een brand en onmiddellijk na een brand opdracht geeft aan een reconditioneringsbedrijf, als Eresdé, de eerste schoonmaakwerkzaamheden te verrichten.

3.5

Bij akte van taxatie van 5 april 2017 hebben DEKRA Experts (hierna: Dekra) optredend als expert voor de opstalverzekeraar London en Crawford & Company B.V. (hierna: Crawford) optredend als expert voor [geïntimeerde] de kosten van herstel van de opstal begroot op € 281.391,- inclusief btw, te vermeerderen met:

- € 36.726,58 voor opruimingskosten,

- € 10.010,14 voor beredderingskosten,

- € 13.500,- voor huurderving,

- € 3.750,- voor tuinaanleg/bestrating.

In de akte is verder vermeld:

"In deze bedragen is een totaalbedrag van € 27.006,21 inclusief btw verdisconteerd, waarvan de rechten zijn gecedeerd aan Eresdé te Harlingen."

I. [B] van Crawford (hierna: [B] ) heeft daarover bij brief van 19 april 2017 aan Dekra, waarbij hij de akte ondertekend retourneerde, meegedeeld dat [geïntimeerde] "ons (heeft) aangegeven dat hij geen akte van cessie heeft ondertekend".

3.6

Bij factuur van 7 april 2017 heeft Eresdé aan [geïntimeerde] € 26.813,72

(€ 22.160,10 exclusief btw) in rekening gebracht voor "uitgevoerde werkzaamheden, prijs conform opgave".

3.7

In een door registerexpert ing. [C] (hierna: [C] ) van Dekra opgesteld verslag van expertise van 2 mei 2017, bestemd voor London, is onder meer het volgende vermeld:
"Tijdens onze inspectie ter plaatse stelden wij vast, dat de houten sporenkap met rieten bedekking dusdanig ernstig door vuur en bluswater is aangetast, dat deze grotendeels zal moeten worden vervangen. De constructieve schade kan pas worden vastgesteld als het merendeel van de binnenbetimmeringen op de eerste etage is verwijderd. (…) Na uitvoering van alle sloopwerkzaamheden en droogactiviteiten bleek dat feitelijk alleen het casco van het voorhuis, de gevels van de boerderij en delen van de begane grondvloer, dragende binnenmuren en draagbalken van de verdiepingsvloer gehandhaafd konden blijven.
Eerst als alle inboedel en binnenbetimmeringen uit de woning zijn verwijderd, zal een grondige droging kunnen worden uitgevoerd, waartoe het rieten dak voor nood zal moeten worden afgedekt en een schoorsteen zal moeten worden gestut of verwijderd. Verzekerde woont met zijn gezin tijdelijk in het atelier, waartoe een tijdelijke keukenvoorziening, ventilatievoorziening en verwarming is geïnstalleerd. Een douche en toilet zijn hier aanwezig en de bijkeuken in de woning is ongeschonden, alwaar de opstelplaats is van een koelkast, boiler, cv-ketel en wasmachine. Voor de lichte sloopwerkzaamheden, het drogen en het treffen van diverse bouwkundige noodvoorzieningen, is Eresdé te Leeuwarden ingeschakeld. Met dit bedrijf hebben wij de nodige afspraken gemaakt.
(…)

Wij hebben de schade als volgt begroot:
(…)
Alle bovengenoemde bedragen zijn inclusief btw. In deze bedragen is een totaalbedrag van EUR 27.006,21 inclusief btw verdisconteerd, waarvan de rechten zijn gecedeerd aan Eresdé te Harlingen. Tot deze bedragen is een akte van taxatie opgemaakt, die door de contra expert voor akkoord is ondertekend. De ondertekende akte van taxatie voegen wij als bijlage bij dit verslag, evenals de declaratie van de contra expert. Een uitgebreide specificatie tot deze schadebedragen voegen wij als bijlage bij dit verslag.
(…)
Door Eresdé is ten behoeve van haar belangen een akte van cessie opgemaakt, die door verzekerde als cedent is ondertekend. De ondertekende akte van cessie en bijbehorende factuur, ad EUR 27.006,21 inclusief btw, zenden wij u separaat zodra wij deze hebben ontvangen. Volgens opgave van Eresdé heeft verzekerde de akte van cessie tot op heden niet ondertekend, om voor ons onbekende reden. De contra expert maakte hier ook reeds melding van in hun begeleidend schrijven bij de retour gezonden ondertekende akte van taxatie."

3.8

Bij brief van 10 mei 2017 heeft London aan [geïntimeerde] onder meer meegedeeld:

"De schade is vastgesteld op een bedrag van € 281.391,00. Tijdens expertise is gebleken dat het verzekerd bedrag van € 295.900,00 op het moment van de schade niet voldoende was. Deze moest € 475.000,00 zijn. Er is sprake van onderverzekering. Het schadebedrag wordt dan als volgt berekend:

Verzekerd bedrag + index € 305.397,00: € 475.000,00 x € 281.391,00 = € 180.917,81.

Van dit bedrag betalen wij eerst 40% zijnde € 72.367,12. Na ontvangst van de definitieve reparatienota’s betalen wij het overgebleven bedrag tot € 180.917,81 maar alleen als deze nota’s boven het uitbetaalde bedrag van € 72.367,12 uitkomen. U kunt dit teruglezen in artikel 7 van de polisvoorwaarden met kenmerk WHS 151.

Wat betalen wij extra?

De volgende bedragen zijn tijdens de expertise vastgesteld: Opruimingskosten: € 36.726,58 maximering volgens polis 10% van het verzekerd bedrag

€ 30.539,70

Bereddingskosten € 10.010,14

Huurderving € 13.500,00

Tuin € 3.750,00

Totaal € 57.799,84

Van deze kosten is een bedrag van € 27.006,21 gecedeerd aan de firma Eresdé. U ontvangt dus € 57.799,84 -/- € 27.006,21 = € 30.793,63 -/- € 100,00 eigen risico = € 30.693,63.

Totaal ontvangt u op dit moment € 30.693,63 + € 72.367,12 = € 103.060,75."

3.9

Bij brief van 13 mei 2017 heeft London aan [geïntimeerde] onder meer meegedeeld:

"Hieronder vindt u een specificatie van het uitgekeerde bedrag.

(..) € 27.006,21

Dit bedrag wordt binnen vijf werkdagen bijgeschreven en heeft betrekking op de opruimingskosten en sloopkosten.

Aanvullende informatie

Als bijlage sturen wij u het expertiserapport.

Wij spraken elkaar vanmorgen over de acte van cessie. Deze zou volgens de expert door u zijn getekend maar dat is niet het geval. Dit is ook door de expert in het rapport bevestigd. Onze excuses voor de verkeerde informatie.
Om misverstanden te voorkomen willen wij er wel op wijzen dat u geen beroep meer kunt doen op de acte van cessie nu wij deze kosten aan u hebben betaald."

3.10

Achmea, heeft € 31.123,49 inclusief btw aan Eresdé uitgekeerd, te weten:

- € 2.613,00 voor opruiming inboedel,

- € 617,10 voor opslag inboedel,

- € 10.712,15 voor schoonmaak inboedel,

- € 17.181,24 voor tijdelijke huisvesting.

3.11

In een e-mailbericht van 7 juni 2017 aan Eresdé heeft [C] onder meer het

volgende geschreven:
"Reeds op de eerste dag van mijn bezoek heb ik verzekerde, de heer [geïntimeerde] , uitgelegd wat jullie rol is in het totale schadeherstel. Door jullie inzet zou de inboedel snel worden opgeruimd en veilig gesteld, terwijl de opstal snel bouwrijp is opgeleverd, nadat jullie alle binnenafwerkingen hebben gesloopt. In diverse stadia in het begin van het schaderegelingsproces hebben we aan de heer [geïntimeerde] aangegeven dat hij formeel opdrachtgever van jullie is en dat hij de rechten op uitkering van jullie kosten aan jullie kan cederen door ondertekening van een akte van cessie. Naar ik begreep is door jullie noch een opdrachtbevestiging noch een akte van cessie in het beginstadium aan de heer [geïntimeerde] ter ondertekening voorgelegd. Dat de heer [geïntimeerde] dat argument nu gebruikt om jullie kosten niet te betalen, is natuurlijk volstrekt onterecht. Per slot van rekening zijn jullie kosten volledig verwerkt in onze schadevaststelling, welke bovendien volledig is onderschreven door contra expert [B] van Crawford & Company."

3.12

Bij factuur van 16 november 2017 heeft Eresdé het aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedrag gecorrigeerd en aan [geïntimeerde] € 25.712,79 inclusief btw in rekening gebracht. De werkzaamheden zijn als volgt gespecificeerd:

Omschrijving Btw % Eenheid Aantal Prijs p eenheid Totaal

€ 21.250,24

3.13

Ter verzekering van haar vordering heeft Eresdé, na verkregen verlof, vijf conservatoire derdenbeslagen doen leggen ten laste van [geïntimeerde] .

3.14

Na het vonnis in eerste aanleg tussen partijen heeft Eresdé een procedure aanhangig gemaakt tegen London en Dekra bij de rechtbank Noord-Holland. In deze procedure heeft zij betaling gevorderd van het hiervoor vermelde bedrag van € 25.712,79. In haar vonnis van
17 juli 2019 heeft de rechtbank Noord-Holland de vordering van Eresdé afgewezen. Volgens deze rechtbank is de stelling van Eresdé onbegrijpelijk, dat London het opdrachtgeverschap en de vordering van Eresdé in de brief van 10 mei 2017 (aangehaald in rov. 3.7) heeft erkend en heeft Eresdé ook niet voldoende onderbouwd dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Dekra een volmacht had tot het aangaan van de overeenkomst namens Allianz. Dat Dekra de schijn heeft gewekt in een andere hoedanigheid op te treden dan als schade-expert of coördinator van de werkzaamheden, is volgens de rechtbank niet gebleken.

3.15

In een e-mailbericht van 25 september 2019 aan de advocaat van Eresdé heeft de advocaat van London geschreven dat London niet zal ingaan op het verzoek van Eresdé om

een eventuele vordering van London op [geïntimeerde] uit onverschuldigde betaling te cederen aan Eresdé. De advocaat van London schrijft in dat verband:
"Zoals uiteengezet is in de onderhavige procedure, waarbij in het bijzonder is verwezen naar de brieven van Allianz aan [geïntimeerde] d.d. 10 mei 2017 en 13 mei 2017, heeft Allianz conform de polisvoorwaarden de schade uitgekeerd aan haar verzekeringnemer. [geïntimeerde] had immers zelf de akte van cessie niet ondertekend. Het was vervolgens aan [geïntimeerde] zelf om dit bedrag te betalen aan Eresdé. Wat Allianz betreft is er aldus niet onverschuldigd betaald."

4
4 De vordering en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Aan haar vordering tot betaling van € 25.712,79, te vermeerderen met rente en kosten, op [geïntimeerde] heeft Eresdé ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] haar opdracht heeft gegeven tot het verrichten van (herstel)werkzaamheden en dat zij deze werkzaamheden ook heeft verricht. Eresdé heeft haar vordering subsidiair gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking.

4.2

Nadat [geïntimeerde] verweer had gevoerd en een comparitie van partijen had plaatsgevonden, hebben partijen nog diverse producties in het geding gebracht. In het eindvonnis van 2 mei 2018 heeft de rechtbank de vordering van Eresdé afgewezen. Volgens de rechtbank heeft Eresdé onvoldoende onderbouwd dat zij gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen dat niet London maar [geïntimeerde] de opdrachtgever was. Van ongerechtvaardigde verrijking is volgens de rechtbank geen sprake. Als [geïntimeerde] al verrijkt is, is deze verrijking niet ongerechtvaardigd, maar beoogd door London, die kennelijk Eresdé de opdracht voor het werk heeft gegeven.

5
5 De bespreking van de grieven

5.1

Met grief I komt Eresdé op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [geïntimeerde] haar opdrachtgever was. Eresdé stelt dat het haar volstrekt helder was dat [geïntimeerde] als haar opdrachtgever had te gelden. Zij voert daartoe aan dat [C] van Dekra gedurende het gehele proces meerdere malen bij [geïntimeerde] heeft aangegeven dat hij, [geïntimeerde] , formeel opdrachtgever is en dat intensief overleg heeft plaatsgevonden tussen [C] en [geïntimeerde] en ook tussen [geïntimeerde] en [B] van Crawford, de schade-expert van [geïntimeerde] . [B] heeft de kosten van Eresdé ook geaccordeerd en heeft ook de akte van taxatie, waarin de kosten van Eresdé zijn vermeld, geaccordeerd. Bovendien heeft London [geïntimeerde] er uitdrukkelijk op gewezen dat hij de kosten van Eresdé diende te betalen, aldus Eresdé.

5.2

Eresdé beroept zich op het bestaan van een overeenkomst van opdracht tussen haar en [geïntimeerde] . Stelplicht en bewijslast ten aanzien van de totstandkoming van deze overeenkomst van opdracht rusten op Eresdé. In dat verband dient Eresdé te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat [geïntimeerde] haar opdracht heeft gegeven om de werkzaamheden waarvan zij betaling vordert te verrichten. Daartoe is noodzakelijk dat [geïntimeerde] de wil had Eresdé de opdracht te verlenen en deze wil ook door een voor Eresdé bestemde verklaring heeft geopenbaard (vgl. artikel 3:33 BW). De verklaring is vormvrij, kan ook in een of meer gedragingen besloten liggen (vgl. 3:37 lid 1 BW), en dient om haar werking te hebben Eresdé ook te hebben bereikt (vgl. artikel 3:37 lid 3 BW).

5.3

Het hof stelt vast dat Eresdé ook in hoger beroep niet heeft gesteld dat [geïntimeerde] haar heeft meegedeeld dat zij haar opdracht gaf om, kort gezegd, opruimingswerkzaamheden te verrichten. Eresdé heeft ook niet gesteld dat [geïntimeerde] aan [C] heeft laten weten dat hij ermee instemde dat Eresdé de desbetreffende werkzaamheden in zijn opdracht verrichtte. Dat volgt ook niet uit het e-mailbericht van [C] aan Eresdé (aangehaald in overweging 3.11) waarop Eresdé zich beroept: uit dat e-mailbericht, en de stellingen van Eresdé sluiten daarop aan, volgt slechts dat [C] tegen [geïntimeerde] heeft gezegd dat hij, [geïntimeerde] , de opdrachtgever was. Dat [geïntimeerde] daarmee heeft ingestemd, heeft [C] niet geschreven, dat [C] vervolgens aan Eresdé heeft laten weten dat [geïntimeerde] ermee instemde opdrachtgever te zijn al helemaal niet. Bovendien valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat een verklaring van [geïntimeerde] aan [C] moet worden beschouwd als een verklaring die bestemd is voor Eresdé.

5.4

De stelling van Eresdé dat [C] [geïntimeerde] heeft laten weten dat hij (formeel) opdrachtgever was, kan dan ook niet de conclusie dragen dat [geïntimeerde] Eresdé een opdracht heeft gegeven. Dat wordt niet anders wanneer [geïntimeerde] [C] toch heeft laten weten daarmee in te stemmen. Datzelfde geldt voor de gestelde contacten tussen [B] van Crawford en [geïntimeerde] over de positie van Eresdé. Eresdé heeft niet gesteld dat [geïntimeerde] [B] heeft laten weten dat hij opdracht gaf aan Eresdé tot het verrichten van werkzaamheden en als hij dat al zou hebben gesteld, is een dergelijke mededeling van [geïntimeerde] aan [B] zonder nadere toelichting, die ontbreekt, nog geen verklaring aan Eresdé.
Ook de akte van taxatie bevat een dergelijke mededeling niet; uit de akte blijkt slechts dat bij de taxatie van de schade rekening is gehouden met opruimingskosten, maar niet dat Eresdé in opdracht van [geïntimeerde] opruimingswerkzaamheden heeft verricht. De verwijzing in de akte naar een akte van cessie is, zoals tussen partijen niet ter discussie staat, onjuist. Als in de akte al enige verklaring van [geïntimeerde] gelezen kan worden, geldt dat Eresdé geen partij is bij de akte en dat de akte ook niet voor haar bestemd is. De akte bevat dan ook geen verklaring van [geïntimeerde] jegens Eresdé, en al helemaal geen verklaring waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat [geïntimeerde] Eresdé (alsnog) een opdracht verstrekt.

5.5

Eresdé stelt, onder verwijzing naar enkele brochures van verzekeraars, dat het in de verzekeringsbranche gebruikelijk is dat bij brandschade de kosten van herstelwerkzaamheden door de verzekerde gedragen worden en dat de verzekerde ook de formele opdrachtgever is van het herstelbedrijf. Dat blijkt volgens haar ook uit het in overweging 3.15 overgelegde e-mailbericht van de advocaat van London. Dit betoog kan Eresdé niet baten. Als uit het genoemde e-mailbericht al volgt dat de advocaat van London van mening is dat [geïntimeerde] iets aan Eresdé verschuldigd is, blijkt er niet uit dat hij vindt dat - en waarom - tussen Eresdé en [geïntimeerde] een overeenkomst tot stand is gekomen. Uit de overgelegde brochures volgt inderdaad dat het de verzekerde is die opdrachtgever is van het herstelbedrijf, maar er volgt ook uit dat herstelbedrijven met een opdrachtformulier werken dat door de verzekerde moet worden ondertekend. Gesteld noch gebleken is dat Eresdé voorafgaand aan of voor het afronden van haar werkzaamheden een dergelijk opdrachtformulier aan [geïntimeerde] ter ondertekening heeft voorgelegd.

5.6

De conclusie is dat Eresdé haar stelling dat [geïntimeerde] haar opdracht heeft gegeven tot het verrichten van werkzaamheden onvoldoende heeft onderbouwd. Aan bewijslevering op dit punt, komt het hof om die reden niet toe. Het hof merkt in dit verband op dat ook het bewijsaanbod van Eresdé niet inhoudt dat [geïntimeerde] jegens haar heeft verklaard dat hij haar opdracht geeft tot het verrichten van werkzaamheden, zodat het bewijsaanbod niet ter zake doende is.

5.7

De grief faalt dan ook.

5.8

Grief II betreft de subsidiaire grondslag van de vordering van Eresdé, ongerechtvaardigde verrijking. Anders dan de rechtbank overwoog, is de verrijking in de visie van Eresdé niet gelegen in de door [geïntimeerde] van London ontvangen uitkering - die uitkering was inderdaad gerechtvaardigd door de verzekeringsovereenkomst -, maar in de door Eresdé verrichte werkzaamheden in de door brand beschadigde woning van [geïntimeerde] . Het betreft sloop- en droogwerkzaamheden en het aanleggen van een keuken. Door deze werkzaamheden is [geïntimeerde] (ongerechtvaardigd) verrijkt, terwijl Eresdé, die voor haar werkzaamheden geen betaling heeft ontvangen, erdoor is verarmd, aldus Eresdé. Grief III hangt, gelet op het verweer van [geïntimeerde] dat Eresdé geen werkzaamheden heeft verricht die zij niet vergoed heeft gekregen (en dus niet is verarmd), met grief II samen. Het hof zal de grieven daarom tezamen behandelen.

5.9

[geïntimeerde] heeft, zoals hiervoor is aangegeven, bestreden dat Eresdé is verarmd. Volgens hem heeft Eresdé haar werkzaamheden in rekening gebracht bij Achmea, die deze werkzaamheden ook heeft betaald. Daarnaast heeft [geïntimeerde] betoogd dat indien Eresdé naast de door Achmea betaalde werkzaamheden andere werkzaamheden heeft verricht, hij geen baat heeft gehad bij deze werkzaamheden; hij is er dus niet door verrijkt. Volgens [geïntimeerde] is het deel van de woning waarin Eresdé deze werkzaamheden heeft verricht later door een door hem ingeschakeld aannemersbedrijf grotendeels - alleen de buitenmuren bleven staan - gesloopt. Het bedrag dat hij van London heeft ontvangen voor sloop- en herstelkosten is daaraan besteed. Bij het strippen van de woning door Eresdé heeft hij dan ook geen baat gehad, evenmin als bij het plaatsen van drogers, aldus [geïntimeerde] .

5.10

[geïntimeerde] heeft dit verweer al in eerste aanleg gevoerd (vgl. CvA nrs. 10, 11, 17 en 22 en het proces-verbaal van de comparitie van partijen). Eresdé heeft noch in eerste aanleg noch in de memorie van grieven inhoudelijk op dit verweer gerespondeerd. Zij heeft slechts aangegeven dat zij werkzaamheden heeft verricht en dat [geïntimeerde] daardoor is verrijkt. Zij heeft niet toegelicht waarom [geïntimeerde] ondanks het feit dat diens woning grotendeels is gesloopt toch verrijkt is door de door haar verrichte sloop- en droogwerkzaamheden in de woning.
Pas nadat [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord dit verweer had herhaald en foto’s had overgelegd van de situatie na de brand ter onderbouwing van zijn stelling dat hij, gezien de staat van de woning, geen baat heeft gehad bij de door Eresdé aan haar vordering ten grondslag gelegde werkzaamheden, heeft Eresdé - in haar akte uitlating producties - voor het eerst in de procedure gesteld dat de sloopwerkzaamheden nodig waren om de schade te kunnen vaststellen. In dat verband heeft zij zich beroepen op het in overweging 3.7 aangehaalde verslag van expertise. Dat verslag heeft zij bij memorie van grieven overgelegd, maar zij heeft zich er toen slechts op beroepen ter onderbouwing van haar stelling dat [C] , de opsteller van het rapport, ervan uitging dat [geïntimeerde] de akte van cessie zou ondertekenen dan wel de factuur van Eresdé zou betalen.

5.11

De stelling van Eresdé dat [geïntimeerde] door haar sloop- en droogwerkzaamheden is verrijkt omdat die nodig waren ter vaststelling van de schade is dan ook nieuw. Deze stelling, die erop neerkomt dat de rechtbank de vordering ten onrechte niet op de grondslag van ongerechtvaardigde verrijking heeft toegewezen en dat het vonnis (ook) om die reden geen stand kan houden, is dan ook te beschouwen als een nieuwe grief. De stelling is echter, in strijd met de in beginsel strakke regel dat grieven niet later dan in de memorie van grieven mogen worden aangevoerd, na de memorie van grieven ingenomen. Het hof ziet geen reden om in dit geval een uitzondering op deze regel aan te nemen. Het overweegt in dit verband dat Eresdé weliswaar de gelegenheid moest hebben om te reageren op de door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord overgelegde foto’s, maar dat deze foto’s niet dienden ter onderbouwing van een nieuw verweer van [geïntimeerde] , maar ter onderbouwing van het al in eerste aanleg door [geïntimeerde] gevoerde verweer dat hij geen baat had gehad bij (niet verrijkt was door) de werkzaamheden van Eresdé omdat zijn woning gesloopt moest worden. Die stelling vindt steun in het door Eresdé bij memorie van grieven overgelegde en in overweging 3.7 aangehaalde verslag van expertise, waarin immers is vermeld dat de woning grotendeels is gesloopt. Het had dan ook voor de hand gelegen dat Eresdé in de memorie van grieven al had toegelicht, gelet op het door [geïntimeerde] reeds gevoerde verweer, waarom [geïntimeerde] desondanks door de sloop- en droogwerkzaamheden verrijkt was. Eresdé heeft, hoewel dat wel op haar weg had gelegen, niet toegelicht waarom zij deze toelichting pas in de akte uitlating producties heeft gegeven.

5.12

De conclusie is dat het hof deze nieuwe stelling, en daarmee de nieuwe grief, van Eresdé buiten beschouwing zal laten.

5.13

Uit wat hiervoor is overwogen over het slopen van het grootste deel van de woning van [geïntimeerde] volgt dat Eresdé, wanneer haar nieuwe stelling op dit punt buiten beschouwing wordt gelaten, in het licht van het door [geïntimeerde] gevoerde verweer onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] verrijkt is door de sloop- en droogwerkzaamheden van Eresdé. Dat volgt ook niet uit de uitlatingen van de betrokken schade-experts. In dit verband wijst het hof erop dat het door Eresdé gevorderde bedrag ook niet overeenkomt met de som van de getaxeerde opruimings- en beredderingskosten.

5.14

Eresdé heeft ook gesteld dat zij een tijdelijke keuken heeft geplaatst. [geïntimeerde] heeft dat niet bestreden. Wel heeft hij bestreden dat Eresdé de kosten van het plaatsen van de keuken (overigens net als de kosten van de sloop- en droog werkzaamheden) niet vergoed heeft gekregen. Eresdé heeft in eerste aanleg werkbonnen en facturen overgelegd die volgens haar ten grondslag liggen aan haar factuur van 16 november 2017. In de memorie van grieven heeft zij naar deze stukken verwezen. Het hof heeft in deze werkbonnen en facturen geen verwijzing kunnen vinden naar kosten voor of werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van een tijdelijke keuken. Als op de werkbonnen al een omschrijving is vermeld, betreft het sloop(werkzaamheden). Eresdé heeft ook niet toegelicht welke van deze bonnen of facturen (deels) betrekking hebben op de aanleg van een keuken (en eventueel aanverwante voorzieningen). Eresdé heeft de gestelde verarming, daarin bestaande dat haar werkzaamheden, die volgens haar blijken uit deze stukken, onbetaald zijn gebleven dan ook onvoldoende onderbouwd.

5.15

De conclusie is dat Eresdé haar stelling dat [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt onvoldoende heeft onderbouwd, doordat zij ofwel niet duidelijk heeft kunnen maken dat (ten aanzien van de sloop- en droogwerkzaamheden) sprake is van een verrijking van [geïntimeerde] , ofwel (ten aanzien van de aanleg van een keuken c.a.) van een verarming van haarzelf. Bij deze stand van zaken kan het antwoord op de vraag of de verrijking ongerechtvaardigd is en op de vraag of het redelijk is dat [geïntimeerde] de door Eresdé geleden schade dient te vergoeden in het midden blijven. De grieven II en III falen dan ook.

5.16

De grieven IV en V, die gericht zijn tegen respectievelijk de afwijzing van de vorderingen van Eresdé en tegen de proceskostenveroordeling hebben geen zelfstandige betekenis en delen het lot van de hiervoor besproken grieven. Dat geldt ook voor de vordering tot vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten, nog daargelaten dat deze vordering ook niet toewijsbaar zou zijn geweest (maar zou hebben geleid tot een compensatie van de proceskosten in hoger beroep) indien de grieven wel zouden zijn geslaagd. Er zou ook in dat geval geen enkele reden zijn geweest om [geïntimeerde] in uitzondering op de hoofdregel te veroordelen in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten en evenmin in de kosten die Eresdé heeft gemaakt in de door haar aanhangig gemaakte procedure tegen London.

5.17

Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen en Eresdé veroordelen in de proceskosten in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 1 punt, tarief III).

6
6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van

2 mei 2018;

veroordeelt Eresdé in de kosten van de procedure in hoger beroep en bepaalt deze kosten, voor zover tot nu toe aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, op € 741,- aan verschotten en op € 1.391,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, W.P.M. ter Berg en J.E. Wichers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 september 2020, in aanwezigheid van de griffier.