Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7258

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
200.268.208/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Huur perceel grond. Volmacht. Kort geding. Vader en moeder zijn gezamenlijk eigenaar van een perceel grond in Suriname. A stelt dat perceel gehuurd te hebben. Dat een dergelijke afspraak door hem met vader en moeder is gemaakt is onvoldoende onderbouwd. Van een volmacht aan de zoon (om namens vader en moeder te verhuren) is niet gebleken. Onvoldoende onderbouwd is ook dat A op grond van verklaringen of gedragingen van vader en moeder heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.268.208/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad 484719)

arrest in kort geding van 15 september 2020

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant],

2. [appellante] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellante],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. S.K. Tuithof, kantoorhoudend te Haarlem,

tegen

Diacare4U N.V.,

gevestigd te Wanica, Suriname,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Diacare4U,

advocaat: mr. Y. Benjamins, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1

In deze zaak is op 19 mei 2020 een tussenarrest gewezen. Daarbij is bepaald dat een comparitie van partijen zal plaats vinden. Op 24 augustus 2020 hebben [appellanten] c.s. nog nadere stukken (producties 21 tot en met 30) toegezonden. De comparitie van partijen heeft vervolgens plaats gevonden op 1 september 2020. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

1.2

Diacare4U heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen het alsnog in het geding brengen door [appellanten] c.s. van de producties 21 tot en met 30 op de grond dat die te laat (namelijk minder dan veertien dagen vóór de comparitie) zijn ingebracht. Dat bezwaar is ter zitting gehonoreerd. Op die producties slaat het hof daarom geen acht.

1.3

Na afloop van de comparitie hebben partijen arrest gevraagd op basis van het door [appellanten] c.s. overgelegde procesdossier, aangevuld met het proces-verbaal van de zitting (maar minus de genoemde producties).

2 Waar gaat deze zaak over en hoe oordeelt het hof?

2.1

[appellanten] c.s. zijn eigenaar van een perceel grond in Suriname. Diacare4U stelt dat perceel van [appellanten] c.s. gehuurd te hebben. [appellanten] c.s. betwisten dat en hebben Diacare4U de toegang tot het perceel geweigerd. Daarop heeft Diacare4U in kort geding gevorderd dat [appellanten] c.s. worden veroordeeld om Diacare4U toegang te verlenen. Ook is gevorderd [appellanten] c.s. te veroordelen de daarop door Diacare4U gebouwde opstallen te ontruimen en leeg te houden, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.2

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat voorshands voldoende aannemelijk is dat [appellanten] c.s. het perceel hebben verhuurd aan Diacare4U. De vorderingen van Diacare4U zijn daarom bij vonnis van 12 september 2019 (zoals hersteld bij vonnis van

25 september 2019) toegewezen. [appellanten] c.s. zijn veroordeeld in de kosten van de procedure.

2.3

[appellanten] c.s. zijn van dat vonnis in hoger beroep gekomen. Zij vorderen dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigt en de vorderingen van Diacare4U alsnog afwijst.

2.4

Aanvankelijk vorderden [appellanten] c.s. in hoger beroep ook nog veroordeling van Diacare4U om het perceel te ontruimen alsmede een verbod aan Diacare4U het perceel te betreden. Die vorderingen zijn echter ter zitting ingetrokken.

2.5

Het hof komt tot het oordeel dat voorshands onvoldoende aannemelijk is dat [appellanten] c.s. volmacht hebben verstrekt aan hun zoon [de zoon] (hierna: [de zoon] ) tot het aangaan van de gestelde huurovereenkomst. Het vonnis waarvan beroep wordt daarom vernietigd, de vorderingen van Diacare4U worden afgewezen en Diacare4U wordt veroordeeld in de kosten van beide instanties. Hierna wordt uitgelegd hoe het hof tot deze beslissing is gekomen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.2

[appellanten] c.s. zijn eigenaar van een (voormalige) plantage in Suriname aan de [a-straat] aldaar. Dit stuk grond wordt hierna aangeduid als 'het perceel'.

3.3

Diacare4U is een naamloze vennootschap naar Surinaams recht en is op

23 augustus 2016 opgericht door de heer [C] (hierna: [C] ) als bestuurder.

3.4

Op het perceel zijn een aantal appartementen en een loods gebouwd.

3.5

[C] heeft medio juni 2018 een concept huurovereenkomst voorgelegd aan

[de zoon] , waarin onder andere het volgende is opgenomen:

" [de zoon] , (...) gevolmachtigde (zie kopie volmacht),

, hierna te noemen: ''verhuurder'’

Én

DlACARE 4U N.V., (...)

Hierna te noemen: "huurder’’.

(...)

- Verhuurder heeft verhuurd aan huurder een perceel.

- Huurder destijds met toestemming van verhuurder of zijn rechtsvoorganger op het

gehuurde Perceel grond, opstallen heeft gerealiseerd die in economisch en juridische zin

eigendom van huurder zijn en dat Partijen met het aangaan van deze (nieuwe)

overeenkomst geen wijziging hebben beoogd in de reeds bestaande mondelinge

overeenkomst.

(…)

3.1

Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd, ingaande op 1 januari 2016."

[de zoon] heeft dit concept voorgelegd aan, onder andere, notaris Huang in Suriname.

3.6

Op 18 augustus 2018 heeft [de zoon] in een WhatsApp bericht aan [C] gevraagd "ben jij de huurder of is diacare de huurder". Daarop heeft [C] geantwoord dat Diacare4U N.V. de huurder is.

3.7

Op 4 september 2018 heeft de notaris een aangepast concept huurovereenkomst aan [de zoon] gezonden. In dat aangepaste concept zijn [appellanten] c.s. genoemd als verhuurders. Ook is daarin vermeld dat de verhuurders vertegenwoordigd zijn door (voor zover van belang) [de zoon] , krachtens een akte van lastgeving van 4 juli 2017. Als huurder is genoemd Diacare4U. [de zoon] heeft dit aangepaste concept, zonder enige op- of aanmerking, doorgezonden aan [C] .

3.8

Door de Nederlandse besloten vennootschap Diacare4U B.V. is vanaf 2016 maandelijks € 500,- betaald aan [de zoon] onder vermelding van "huur perceel zorgresort".

3.9

Op 1 april 2019 is vonnis gewezen in een kort geding tussen [de zoon] en Diacare4U. Inzet was de opheffing van door Diacare4U ten laste van [de zoon] gelegde conservatoire beslagen. In dat vonnis heeft de voorzieningenrechter overwogen:

"Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de zoon] gesteld dat zijn ouders hem slechts hebben gevraagd te helpen om de afspraken uit de mondelinge huurovereenkomst tussen zijn ouders en Diacare4u N.V. met betrekking tot het perceel op schrift te stellen (…)".

3.10

Ook in Suriname is tussen partijen geprocedeerd over toegang tot en ontruiming van het perceel met opstallen. In het daarover door de Surinaamse rechter in kort geding gewezen vonnis van 25 april 2019 wordt, voor zover van belang, overwogen:

"Dit wijst erop dat er toen wel een huurovereenkomst met betrekking tot het perceel bestond, echter tussen [de zoon] als verhuurder en de besloten vennootschap Diacare4U B.V. als huurder. Dit wordt door [de zoon] in de conclusie van dupliek in conventie ook erkend".

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

Inleiding

4.1

[appellanten] c.s. hebben vijf grieven aangevoerd. Daarin wordt het volgende aan de orde gesteld:

- de vaststelling van de feiten (grief 1);

- de huurovereenkomst en de volmacht (grief 2);

- de huurbetaling (grieven 3 en 4);

- het belang (grief 5).

4.2

Deze grieven zullen in de aangegeven volgorde worden behandeld. Daaraan voorafgaand wordt eerst nog stilgestaan bij de bevoegdheid van het hof, het toepasselijke recht en het spoedeisend belang.

Bevoegdheid hof

4.3

De zaak heeft internationale aspecten omdat Diacare4U een in Suriname gevestigde naamloze vennootschap is. [appellanten] c.s. (in eerste aanleg: gedaagden) hebben in Nederland woonplaats. Artikel 2 Rv bepaalt dat de Nederlandse rechter in een dergelijk geval bevoegd is. Een verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Suriname dat de rechtsmacht anders regelt (artikel 1 Rv) is er niet. Evenmin is sprake van een in het volkenrecht erkende uitzondering (artikel 1 Rv in verbinding met artikel 13a Wet algemene bepalingen). De Nederlandse rechter is dus bevoegd. Indien het al zo zou zijn dat slechts de Surinaamse rechter bevoegd is in de bodemzaak staat dat aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter tot het treffen van een voorlopige maatregel niet in de weg (artikel 13 Rv).

Toepasselijk recht

4.4.

Partijen gaan er vanuit dat hun rechtsverhouding beheerst wordt door Surinaams recht. Over de keuze voor dat recht zijn zij het kennelijk eens. Die keuze mogen zij ook maken. Het hof zal hen in die keuze volgen. Overigens geldt dat het Surinaams recht op de hierna te bespreken onderwerpen niet afwijkt van het Nederlands recht.

Spoedeisend belang

4.5

In hoger beroep van een vonnis in kort geding dient allereerst beoordeeld te worden of (nog steeds) sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Dat belang is er. Diacare4U wil het perceel betreden en toegang hebben tot de opstallen om daaraan onderhoud te kunnen plegen. Zij stelt in dat verband gerechtigd te zijn het perceel te betreden (omdat zij dit huurt) en recht te hebben op toegang tot de opstallen (omdat die haar eigendom zijn). [appellanten] c.s. betwisten zowel het een als het ander en stemmen niet in met betreding en toegang hangende een bodemprocedure daarover in Suriname. Dat maakt dat Diacare4U, hangende de bodemprocedure, nog steeds belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening door de rechter over dat betreden en die toegang. Dat belang is ook spoedeisend omdat de noodzaak van het plegen van onderhoud niet gemotiveerd is betwist.

De vaststelling van de feiten (grief 1)

4.6

In hun eerste grief komen [appellanten] c.s. op tegen de vaststelling van de feiten door de voorzieningenrechter. Het hof heeft de feiten zelfstandig vastgesteld en daarbij acht geslagen op wat in grief 1 naar voren is gebracht. Bij behandeling van deze grief hebben [appellanten] c.s. daarom geen belang.

Huurovereenkomst en volmacht (grief 2)

4.7

In hun tweede grief komen [appellanten] c.s. op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat voorshands voldoende aannemelijk is dat door hen een huurovereenkomst is gesloten met Diacare4U. Onderdeel van deze grief is dat door hen nooit een volmacht is afgegeven aan [de zoon] (of een ander) om namens hen een huurovereenkomst te sluiten. Het hof zal eerst dat aspect van de zaak behandelen.

4.8

Diacare4U heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd het bestaan van een huurovereenkomst met betrekking tot het perceel. Die overeenkomst zou op enig moment mondeling zijn aangegaan tussen [C] (als vertegenwoordiger van Diacare4U) en [appellanten] c.s. dan wel [de zoon] als hun vertegenwoordiger. Die overeenkomst zou tot stand gekomen zijn voordat in 2018 pogingen werden gedaan deze schriftelijk vast te leggen. [appellanten] c.s. hebben betwist dat zij een huurovereenkomst hebben gesloten en dat [de zoon] heeft gehandeld als hun gevolmachtigde.

4.9

Om de vorderingen van Diacare4U te kunnen toewijzen moet, zoals de voorzieningenrechter terecht voorop heeft gesteld, voldoende aannemelijk zijn dat de bodemrechter de (vergelijkbare) vorderingen van Diacare4U zal toewijzen. Daarbij geldt dat in een bodemprocedure de stelplicht en bewijslast op Diacure4U rusten.

4.10

Indien de stellingen van [C] zo moeten worden begrepen dat hij destijds met [appellanten] c.s. in persoon over de huur van het perceel afspraken heeft gemaakt geldt dat dit door [appellanten] c.s. wordt weersproken. Er is geen reden aan het woord van de ene partij meer gewicht toe te kennen dan aan het woord van de andere partij nu verdere onderbouwing zijdens Diacare4U op dit onderdeel ontbreekt. In zoverre is het bestaan van de gestelde huurovereenkomst dus onvoldoende aannemelijk.

4.11

Wel nader onderbouwd is dat afspraken over de huur van het perceel gemaakt zijn met [de zoon] . Afspraken met hem kunnen echter slechts tot een huurovereenkomst met [appellanten] c.s. hebben geleid indien sprake is van een door hen verstrekte volmacht om die huurovereenkomst aan te gaan. Ook kan het zo zijn dat een huurovereenkomst tot stand is gekomen omdat Diacare4U op grond van verklaringen en/of gedragingen van [appellanten] c.s. heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend.

4.12

Niet in geschil is dat [appellant] (appellant sub 1, verder: vader) en [appellante] , echtgenote van [appellant] (appellante sub 2, verder: moeder) gezamenlijk eigenaar zijn van het perceel en slechts gezamenlijk bevoegd zijn tot verhuur daarvan. [de zoon] kon dus slechts bevoegdelijk tot verhuur van het perceel overgaan indien hij zowel van vader als van moeder volmacht voor verhuur had. Van vader is geen volmacht overgelegd. Van moeder wel (productie 3 bij dagvaarding). In het midden kan worden gelaten of die volmacht betrekking heeft op het perceel en/of (ook) ziet op verhuur daarvan. Nu in ieder geval een volmacht van vader ontbrak was van een toereikende volmacht van [de zoon] geen sprake.

4.13

Diacare4U heeft nog wel betoogd dat ook van vader een volmacht aanwezig was en heeft daartoe verwezen naar de tekst van het door de notaris op 4 september 2018 toegezonden concept van de huurovereenkomst. Daarin staat immers (zie overweging 3.7 hiervoor) dat de verhuurders vertegenwoordigd zijn door (voor zover van belang) [de zoon] , krachtens een akte van lastgeving van 4 juli 2017. Die akte is niet in het geding gebracht. De enkele vermelding ervan in het concept is bovendien onvoldoende om aan te kunnen nemen dat een geldige akte van lastgeving ten tijde van het opmaken van dat concept daadwerkelijk bestond. Onzeker is immers of de desbetreffende vermelding in het concept gebaseerd is op eigen wetenschap van de notaris en/of dat de akte toen al daadwerkelijk was opgemaakt. Andere feiten of omstandigheden die de onzekerheid over het daadwerkelijk bestaan van de akte zouden kunnen wegnemen zijn evenmin gesteld.

Derhalve kan in dit kort geding niet worden uitgegaan van het bestaan van de in de concept akte vermelde akte van lastgeving.

4.14

Doet zich dan de situatie voor dat Diacare4U op grond van verklaringen en/of gedragingen van [appellanten] c.s. heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend? Het antwoord is nee. Diacare4U heeft het bestaan van de huurovereenkomst in het bijzonder gebaseerd op haar contacten met [de zoon] en uitlatingen van [de zoon] , maar verklaringen of gedragingen van [appellanten] c.s. op grond waarvan Diacare4U redelijkerwijs mochten aannemen dat [de zoon] daarbij optrad namens zijn ouders zijn niet gesteld. Op één uitzondering na. Die wordt hierna (in overweging 4.16) besproken.

4.15

Geen steun aan de stellingen van Diacare 4U dat zij met [appellanten] c.s. (mondeling) een huurovereenkomst heeft gesloten bieden de volgende door haar gestelde feiten en omstandigheden om de daarbij vermelde reden:

  • -

    het eerste concept van de huurovereenkomst is door [C] gezonden aan [de zoon] , maar dus niet aan [appellanten] c.s.;

  • -

    het door de notaris toegezonden concept is door [de zoon] (niet door [appellanten] c.s.) doorgezonden aan [C] ;

  • -

    vanaf 2016 is aan [de zoon] € 500,- per maand betaald, maar [appellanten] c.s. hebben ontkend dat bedrag van [de zoon] te hebben ontvangen (en zelfs wetenschap van die betalingen te hebben gehad) terwijl [de zoon] zelf verklaart het te hebben "opgemaakt";

  • -

    contacten over de persoon van de huurder (Diacare4U, [C] of een ander) hebben slechts plaats gevonden tussen [de zoon] en [C] (zie onder andere overweging 3.6 hiervoor); [appellanten] c.s. zijn daarbij niet betrokken geweest;

  • -

    Tijdens het kort geding tussen [de zoon] en Diacare4U heeft [de zoon] , volgens het daarin gewezen vonnis van 1 april 2019, verklaard dat zijn ouders hem gevraagd hebben de mondelinge overeenkomst tussen hen en Diacare 4U op schrift te stellen; dat is echter slechts een verklaring van [de zoon] , niet van [appellanten] c.s. Feiten of omstandigheden die aannemelijk maken dat [appellanten] c.s. daadwerkelijk een dergelijk verzoek aan [de zoon] hebben gedaan zijn niet gesteld;

  • -

    Tijdens de mondelinge behandeling van het onderhavige kort geding in eerste aanleg heeft [de zoon] , volgens het vonnis van de voorzieningenrechter, erkend dat maandelijks aan hem € 500,- is betaald als "huur perceel zorgresort", maar daarmee is nog niet aangetoond dat [appellanten] c.s. daarvan weet hadden en daarmee instemden;

  • -

    Tot slot geldt dat [de zoon] , volgens het vonnis van de Surinaamse rechter van 25 april 2019 in die procedure het bestaan van een huurovereenkomst (met [appellanten] c.s. als verhuurders) heeft erkend (zij het met Diacare4U B.V. als huurster), maar ook daarvoor geldt dat die verklaring niet aantoont dat [appellanten] c.s. van het sluiten van die huurovereenkomst weet hadden en daarmee instemden.

4.16

Diacare4U heeft nog aangevoerd dat vader twee keer (op kosten van Diacare4U) naar Suriname is gevlogen en daar toen heeft gezien dat op het perceel van [appellanten] c.s. een resort en een loods waren gebouwd. Bezwaren zijn toen, volgens Diacare4U, door hem niet geuit. Vader heeft erkend in een van de huisjes van het zorgresort op het perceel te hebben verbleven en de gebouwen van het resort en de loods te hebben gezien, zonder daar opmerkingen over te hebben gemaakt tegenover Diacare4U ( [C] ). Dat kan, zonder bijkomende verklaringen of gedragingen (die niet zijn gesteld), echter niet worden aangemerkt als een gedraging waaruit Diacare4U redelijkerwijs kon afleiden dat [de zoon] een toereikende volmacht voor verhuur had. Er zijn ook andere redenen denkbaar waarom vader geen bezwaren heeft geuit tegen de bouw. In dat licht kan worden gewezen op de verklaring van vader ter terechtzitting in hoger beroep dat hij wel wist dat [de zoon] iets met het perceel aan het doen was, dat hij en zijn vrouw het perceel straks, bij hun overlijden, willen verdelen onder hun vijf kinderen maar dat verhuur van de grond nu is uitgesloten. Met andere woorden: dat [de zoon] zelf al iets ontwikkelde op het perceel was kennelijk geen bezwaar, maar dan wel zonder een derde (zoals Diacare4U) enig recht op het perceel te geven.

4.17

De conclusie moet zijn dat niet kan worden aangenomen dat [de zoon] beschikte over een toereikende volmacht voor verhuur van het perceel en dat geen sprake is van verklaringen en/of gedragingen van [appellanten] c.s. op grond waarvan Diacare4U onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend. Alleen al op die grond slaagt grief 2. Of tussen [de zoon] en Diacare4U een huurovereenkomst tot stand is gekomen (eveneens onderwerp van grief 2) kan gelet hierop in het midden blijven.

De huurbetaling ( grieven 3 en 4 ) en het belang ( grief 5 )

4.18

In de grieven 3 en 4 wordt opgekomen tegen het oordeel van de voorzieningenrechter over de maandelijkse betaling van € 500,- aan [de zoon] en het gegeven dat die betaling door een ander is gedaan dan Diacare4U. Met het slagen van grief 2 hebben [appellanten] c.s. geen belang meer bij bespreking van die grieven. Datzelfde geldt ook voor grief 5, waarin wordt opgekomen tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellanten] c.s. geen groot belang hebben bij het voorkomen van de door Diacare4U gevraagde voorzieningen. Daarbij komt dat dit belang er wel is. [appellanten] c.s. hoeven immers geen personen op hun terrein toe te laten die daartoe niet gerechtigd zijn. Tot die categorie behoort Diacare4U, nu voorshands niet aannemelijk is (bij gebreke van toereikende volmacht aan [de zoon] ) dat met haar een huurovereenkomst tot stand is gekomen.

5 Slotsom

5.1

Grief 2 slaagt. Dat betekent dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en de vorderingen van Diacare4U alsnog worden afgewezen.

5.2

Als in het ongelijk gestelde partij zal Diacare4U worden veroordeeld in de kosten van beide instanties van [appellanten] c.s. Die kosten bedragen:

in eerste aanleg: € 81,- aan griffierecht en € 980,- aan salaris advocaat;

in hoger beroep: € 423,01 aan verschotten (appeldagvaarding € 99,01 en griffierecht € 324,-) en € 2.148,- salaris advocaat (2 punten tarief II à € 1.074,- per punt).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

vernietigt het vonnis tussen partijen uitgesproken op 12 september 2019 (zoals hersteld bij vonnis van 25 september 2019) door de voorzieningenrechter in de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad en

opnieuw rechtdoende

wijst de vorderingen van Diacare4U af;

veroordeelt Diacare4U in de kosten van beide instanties, aan de zijde van [appellanten] c.s. vastgesteld op:

in eerste aanleg: € 81,- aan griffierecht en € 980,- aan salaris advocaat,

in hoger beroep: € 423,01 aan verschotten en € 2.148,- salaris advocaat,

alsmede in het nasalaris van € 157,-, te vermeerderen met € 82,- in geval Diacare4U niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.M. ter Berg, mr. M.E.L. Fikkers en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

15 september 2020