Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7245

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
200.217.887/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Eindarrest na tussenarrest (inwinnen deskundigenbericht). Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2019:6343. Wijziging van testament onder invloed van geestesstoornis? Hof neemt oordeel deskundige over dat daarvoor onvoldoende aanwijzingen bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0225
Jurisprudentie Erfrecht 2020/304
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.217.887/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/404001)

arrest van 15 september 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,
hierna: [appellante],

advocaat: mr. J.C.M. Bonnier, kantoorhoudend te Wijchen,

tegen

1 De stichting Leger des Heils,

gevestigd te Almere,

2. Nationale Vereniging De Zonnebloem,

gevestigd te Breda,

geïntimeerden,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna gezamenlijk te noemen: Leger des Heils c.s.,
en afzonderlijk: Leger des Heils respectievelijk De Zonnebloem,

advocaat: mr. I.J.F Wijnberg, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt het tussenarrest van 24 december 2019 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:
- het deskundigenbericht, uitgebracht op 27 april 2020;
- de brief van mr. Bonnier van 19 mei 2020 waarin hij bezwaar maakt tegen de declaratie van de deskundige;
- de reactie op het bezwaar van de deskundige van 20 mei 2020;
- de begrotingsbeschikking van 10 juni 2020;
- de memorie na deskundigenbericht van [appellante] ;
- de memorie na deskundigenbericht van Leger des Heils c.s.

2. De nadere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Het hof deelt mee dat na het wijzen van het tussenarrest mr. Weissink is gedefungeerd vanwege het bereiken van de wettelijke leeftijdsgrens die geldt voor rechterlijk ambtenaren en dat in haar plaats thans mr. W.P.M. ter Berg deel uitmaakt van de combinatie die in deze zaak (verder) beslist.

2.2

In het tussenarrest heeft het hof prof. dr. [B] benoemd tot deskundige om een onderzoek in te stellen naar en een rapport uit te brengen over de volgende vragen:
a.) kunt u op basis van het beschikbare medische dossier van [C] en de verschillende in deze procedure overgelegde schriftelijke verklaringen van personen over hun ervaringen met [C] , waar nodig en mogelijk aangevuld met eigen nader onderzoek, aangeven of [C] ten tijde van het wijzigen van zijn testament in 2012 leed aan een geestesstoornis;
b.) indien voormelde vraag bevestigend wordt beantwoord:
- welke stoornis betreft het;

- wat zijn de gevolgen van die geestelijke stoornis geweest voor de wilsbekwaamheid van [C] , in het bijzonder met het oog op het maken van zijn laatste testament;

c.) welke opmerkingen kunt u verder nog maken die voor een beoordeling van deze zaak van belang zouden kunnen zijn?

2.3

De deskundige heeft op 27 april 2020 zijn rapport uitgebracht.
Het rapport is opgebouwd uit drie delen.

In het eerste deel gaat de deskundige in op de geschiedenis van de heer [C] . De samenvatting daarvan luidt als volgt:

Besluitend kunnen we dan ook stellen dat uit het verhaal van Dhr. [C] blijkt dat de

diagnose van dementie bij leven nooit formeel werd gesteld, en dat geldt in het bijzonder ook

voor de diagnose van frontotemporale dementie of vasculaire dementie. Bovendien blijkt uit het verhaal van Dhr. [C] een persoonlijkheid van een eigenzinnige en principiële man die zelf zijn zaken in handen wou houden en de ultieme beslissingen over zijn erfenis zelf wilde regelen, er daarbij voor zorgende dat zijn familie niets te kort kwam. Het wordt niet betwist dat er veranderingen in de omgang met zijn echtgenote en zijn familie zijn opgetreden, noch dat deze daaronder zouden hebben geleden. Het lijkt echter aannemelijk dat de vermelde gedragsveranderingen zich eerder situeren in een veranderend referentiekader van een ouder wordende man met een particuliere premorbiede persoonlijkheid. Er zijn geen aanwijzingen voor een obsessioneel, impulsief of inconsistent handelen.

In het tweede deel behandelt de deskundige het onderzoek dat voorafgaand aan de wijziging van het testament is verricht door dr. [D] naar de handelingsbekwaamheid van [C] . De deskundige rapporteert dat zowel de notaris als dr. [D] hebben verklaard geen twijfels te hebben gehad over de handelingsbekwaamheid van [C] voorafgaand aan de wijziging van het testament. Hij vat zijn bevindingen als volgt samen:

Besluitend kunnen we dan ook stellen dat ondanks onvolledigheid van het onderzoek en de rapportering door dr. [D] , geen bijkomende argumenten voor een handelingsonbekwaamheid kunnen worden weerhouden.

In het derde deel behandelt de deskundige de discussie rond de diagnose van FTD op basis van de door partijen geconsulteerde deskundigen. Hij vat zijn bevindingen als volgt samen:

Besluitend kunnen we dan ook stellen dat het enkel vaststaat dat er een beperkt dysexecutief

syndroom werd vastgesteld bij Dhr. [C] . We kunnen en mogen de stelling van

Prof. [E] dat deze man met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aan FTD leed niet bijtreden, en wijzen op vele alternatieve factoren en mogelijke verklaringen voor de bij

Dhr. [C] vastgestelde gedragswijzigingen. De diagnostische onzekerheid is m.a.w. te groot op basis van de beschikbare gegevens. We kunnen evenmin onderschrijven dat de gemelde veranderingen een dermate functionele impact hadden dat er sprake is van handelingsonbekwaamheid.

Vervolgens geeft de deskundige onder het kopje “Argumentatie en besluitvorming” inzicht in zijn gedachtegang. De laatste alinea daarvan luidt als volgt:

In het geval van Dhr. [C] is mijns inziens op geen enkel moment bewezen dat hij

handelingsonbekwaam was op het moment van zijn testamentswijziging. Hij heeft op een zeer logische en consistente manier de noodzakelijke stappen gezet om tot deze wijziging over te gaan. Hij heeft hierbij ook meerdere malen blijk gegeven van de voorwaarde van zorg voor zijn familie, die ook in het testament tot uiting komt. Hij heeft een psychiatrische evaluatie gehad waar de voorwaarden voor handelingsbekwaamheid, weliswaar misschien onvolledig maar toch op klinische wijze werden gepeild, en is gezien door meerdere andere personen die betrokken waren in de procedure zonder dat er hierbij voorbehoud is gemaakt. Ondanks het feit dat de uitkomst van deze beslissingen misschien voor velen onverwacht was, is het proces om tot deze handeling te komen heel coherent verlopen. Alles wijst erop dat het de wens was van Dhr. [C] om tot deze wijziging over te gaan, en dat hij zijn verantwoordelijkheid voor de consequenties voor alle betrokkenen begreep.

De aan hem voorgelegde vragen heeft de deskundige vervolgens als volgt beantwoord:

beantwoording vraag 1:

Hierop antwoord ik in eer en geweten dat er op basis van de beschikbare gegevens onvoldoende zekerheid bestaat over de aanwezigheid van een geestesstoornis bij Dhr. [C] ten tijde van het wijzigen van zijn testament.

beantwoording vraag 2:

Hierop antwoord ik op het eerste deel in dezelfde zin als vraag 1. Meer in het bijzonder, en verwijzend naar de belangrijke discussie in de voorgaanden, kan de diagnose van FTD niet met voldoende zekerheid gesteld worden.
Op het tweede deel antwoord ik in eer en geweten dat er geen aanwijzingen zijn voor handelingsonbekwaamheid van Dhr. [C] met het oog op het opmaken van zijn laatste testament. Dhr. [C] moet dus als handelingsbekwaam worden geacht op dat moment.

beantwoording van vraag 3:

Ik heb geen verdere opmerkingen.

2.4

Het Leger des Heils c.s. hebben verklaard geen op- of aanmerkingen te hebben over de inhoud of de totstandkoming van het deskundigenbericht.

2.5

[appellante] heeft diverse bezwaren geuit tegen het rapport van de deskundige. Volgens haar is het rapport op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en zou het niet gevolgd moeten worden. Zij beroept zich daarbij in het bijzonder op de inhoud van een reactie van prof. [E] d.d. 14 april 2020 op het concept rapport van de deskundige. Die reactie is door mr. Bonnier op 17 april 20120 toegezonden aan de deskundige en de deskundige heeft verklaard de replieken op zijn conceptnota te hebben ontvangen en te hebben verwerkt in zijn eindrapport.

2.6

Volgens [appellante] heeft de deskundige het belang van een uitgebreide heteroanamnese onvoldoende onderkend. Als de deskundige vond dat de overgelegde verklaringen over [C] onvoldoende inzicht boden, had hij een nader heteroanamnestisch onderzoek moeten instellen. Overigens is de opvatting van de deskundige onjuist dat op basis van de beschikbare stukken de onzekerheid over de diagnose FTD te groot is om die te kunnen stellen. De deskundige gaat ook niet in op de stelling van [appellante] dat het typerend is voor FTD-patiënten dat zij naar de buitenwereld de schijn goed op kunnen houden.
De waarneming dat de aanloop naar de testamentwijziging systematisch en coherent was, gaat eraan voorbij dat juist dat kan duiden op dwangmatigheid en ziet ook voorbij aan beïnvloeding door Leger des Heils c.s., terwijl beïnvloedbaarheid kenmerkend is voor

FTD-patiënten.
Ten onrechte kent de deskundige waarde toe aan het onderzoek van dr. [D] .
De deskundige acht [C] wel handelingsbekwaam, maar onderkent dat er sprake was van gedragsveranderingen en een dysexecutief syndroom. De deskundige miskent dat juist bij een dergelijke diagnose eerder sprake zal zijn van handelings- en wilsonbewaamheid met betrekking tot juist handelingen als wijziging van een testament.

2.7

[appellante] stelt voor om in het geval haar vorderingen naar het oordeel van het hof niet voor toewijzing gereedliggen, te bepalen dat een nieuw deskundigenbericht wordt ingewonnen en daartoe drie deskundigen te benoemen.
Leger des Heils c.s. hebben zich daartegen verzet.

2.8

Het hof is van oordeel dat het deskundigenbericht gevolgd dient te worden en acht geen termen aanwezig om nog weer andere deskundigen te benoemen.
Het ziet in wat [appellante] als bezwaren tegen het rapport van de deskundige naar voren heeft ingebracht geen aanleiding om de conclusies van de deskundige in twijfel te trekken.
Het verwijt dat als de deskundige vond dat de heteroanamnestische gegevens onvoldoende inzicht boden, hij een nader onderzoek had moeten instellen, wordt verworpen. Het hof acht plausibel dat, zoals deskundige verklaart, heteroanamnese het meest betrouwbaar is wanneer dat gebeurt bij het diagnostisch proces van een levende patiënt en dat een dergelijk onderzoek zoveel jaar na het overlijden van [C] geen betrouwbare gegevens meer zal opleveren.

De overige verwijten zien op verschil van inzicht tussen de deskundige en prof. [E] over hoe de over [C] beschikbare gegevens geïnterpreteerd moeten worden in het licht van de vraagstelling; kun je op basis van die gegevens niet (de deskundige) of wel (prof. [E] ) tot de slotsom komen dat [C] leed aan FTD en op het moment van het wijzigen van zijn testament niet wilsbekwaam was. Het hof ziet geen aanknopingspunten om aan de interpretatie van prof. [E] meer waarde te hechten dan aan die van de deskundige.
Voor zover [appellante] haar twijfels heeft geuit over de deskundigheid van de door het hof benoemde deskundige gaat het hof daaraan voorbij. Het hof heeft geen enkele aanleiding om daaraan te twijfelen. Daarbij wordt opgemerkt dat de deskundige door beide partijen zelf is voorgesteld en dat zijn bevindingen ook steun vinden in de bevindingen van andere deskundigen die in deze zaak zijn geraadpleegd, zoals dr. [F] . Anders dan [appellante] is het hof van oordeel dat daarbij ook acht kan worden geslagen op de bevindingen van dr. [D] , die [C] kort voor de testamentswijziging heeft onderzocht juist met het oog op zijn wilsbekwaamheid. Hoewel het CTG heeft overwogen, samengevat, dat het rapport in onvoldoende mate de feiten, omstandigheden en bevindingen vermeldt waarop de conclusie berust dat [C] in staat was de emotionele gevolgen van de wijziging van zijn testament te overzien, maakt dat zijn conclusies nog niet waardeloos.
Daarbij wordt opgemerkt dat het CTG voor het overige oordeelt dat het rapport voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

2.9

Overigens merkt het hof voor de volledigheid op dat de deskundige niet oordeelt dat [C] niet aan FTD leed, maar alleen dat de beschikbare gegevens (veel) te weinig basis bieden om dat vast te stellen; de deskundige komt, zelfs als de interpretatie van [E] gevolgd zou worden, op basis van de beschikbare gegevens tot het oordeel dat “de graad van zekerheid van de diagnose op zijn best “Possible bvFTD” haalt en niet “Probable bvFTD”.

2.10

Het volgen van het rapport van de deskundige leidt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat [C] ten tijde van het wijzigen van zijn testament wilsonbekwaam was. De vordering van [appellante] om het testament nietig te verklaren en haar daarmee verbonden (neven)vorderingen stranden daarop. Ook de grieven falen dan. Voor zover zij al terecht zouden zijn voorgesteld, leiden zij niet tot een andere beslissing. Zij behoeven daarmee geen nadere bespreking.

2.10.1

Daarbij merkt het hof over grief XIV, de grief tegen de verwerping door de rechtbank van de stelling van [appellante] dat het Leger des Heils [C] doelbewust heeft beïnvloed, aanvullend op dat waar niet kan worden vastgesteld dat [C] wilsonbekwaam was, de brieven waar [appellante] zich voor haar stelling op beroept (productie XIV bij inleidende dagvaarding) niet getuigen van een ongeoorloofde beïnvloeding.

2.10.2

Verder merkt het hof op, naar aanleiding van grief XV over het passeren in eerste aanleg van het aanbod om getuigen te horen en het in de memorie van grieven gedane aanbod om nog verschillende getuigen te horen, dat de deskundige in zijn rapport al rekening heeft gehouden met door verschillende personen afgelegde schriftelijke verklaringen over [C] en zijn (gemotiveerde) mening heeft gegeven over het gebrek aan zin om (in het kader van een heteroanamnese) daar alsnog personen over te gaan horen.
In het licht van dat rapport had van [appellante] verlangd mogen worden dat als zij ook na dat rapport nog vasthield aan haar aanbod om getuigen daarover te horen, zij dat aanbod nader zou hebben toegelicht en met name gemotiveerd zou hebben dat en waarom het alsnog gaan horen van getuigen van belang zou kunnen zijn voor de in deze zaak te nemen beslissing. Bij gebreke daarvan gaat het hof aan het aanbod, voor zover het nog geacht moet worden te zijn gehandhaafd, voorbij, omdat het niet langer voldoet aan de in dit stadium van de procedure daaraan te stellen eisen.

slotopmerking

2.11

Het hof is zich ervan bewust dat de uitkomst van deze procedure onbevredigend is voor [appellante] . Naar het oordeel van het hof moet er echter van worden uitgegaan dat [C] om hem moverende redenen de weloverwogen beslissing heeft genomen om zijn testament te wijzigen. Naar de redenen daarvoor zal het gissen blijven, omdat [C] daar niet meer naar gevraagd kan worden. Het is echter een beslissing die [C] heeft genomen over wat er met het door hemzelf opgebouwde vermogen moet gebeuren na zijn overlijden; een beslissing die onomkeerbaar is en door de nabestaanden aanvaard (en voor zoveel mogelijk ook gerespecteerd) zal moeten worden.

3 De slotsom

3.1

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

3.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Die kosten aan de zijde van Leger des Heils c.s. zullen worden vastgesteld op € 716,- aan griffierecht en € 3.222,- (3 punten x tarief II) voor salaris van de advocaat volgens liquidatietarief.

Ook zal [appellante] worden veroordeeld in de kosten van de deskundige die voorlopig ten laste van ’s Rijks kas waren gebracht.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep van het tussenvonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 23 maart 2016;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 8 maart 2017;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Leger des Heils c.s. vastgesteld op € 716,- voor verschotten en op € 3.222,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellante] in het nasalaris, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het deskundigenbericht en beveelt [appellante] om te voldoen aan de griffier van het gerechtshof – na ontvangst van een nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak – het bedrag van € 12.000,- vrijgesteld van btw dat voorlopig ten laste van ‘s Rijks kas was gebracht;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, W.P.M. ter Berg en M.E.L. Fikkers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

15 september 2020.