Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7240

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
200.257.585
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 7:376 BW. Pachter schiet tekort vanwege bemesting van natuurgrond met drijfmest. Beroep op tenzij-clausule gaat op. Geen ontbinding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.257.585

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle: 7048275)

arrest van de pachtkamer van 15 september

in de zaak van:

1 [appellant sub 1] ,

2. [appellant sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

hierna: [pachter] ,

advocaat: mr. J.J. Paalman,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: [verpachter] ,

advocaat: mr. B. Nijman.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het arrest van 3 december 2019;

- de memorie van grieven, tevens houdende wijziging (vermindering) van eis, met productie;

- de memorie van antwoord;

- de brief van 18 maart 2020 van [pachter] , en de daarbij behorende producties;

- de schriftelijke pleitnota van [pachter] ;

- de schriftelijke pleitnota van [verpachter] .

1.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De motivering van de beslissing

2.1

In het tussenarrest van 3 december 2019 onder 2.1 heeft het hof een uiteenzetting gegeven van de feiten waar het in deze zaak om draait. Onder 2.2 van dat tussenarrest zijn de door partijen in eerste aanleg ingestelde vorderingen vermeld en de beslissing van de pachtkamer te Zwolle. Voor de leesbaarheid van dit arrest worden deze feiten, vordering en beslissing hier nogmaals weergegeven.

2.2

[pachter] exploiteert een melkveebedrijf. Tussen (de rechtsvoorgangers van) [verpachter] als verpachter en (de rechtsvoorganger van) [pachter] als pachter bestaat sinds 1 november 1951 een pachtovereenkomst. Nadat enkele wijzigingen hebben plaatsgevonden, heeft [pachter] sinds 2016 in reguliere pacht van [verpachter] een oppervlakte van 39.16 ha, waarvan 33.86 ha als cultuurgrond en 5.30 ha als natuurgrond moet worden aangemerkt. Daarnaast heeft [pachter] nog ongeveer 5.50 ha van [verpachter] in geliberaliseerde pacht en ongeveer 12 ha van Natuurmonumenten in geliberaliseerde pacht. De 5.30 ha natuurgrond die [pachter] in reguliere pacht heeft, is betrokken geweest in een omzetting van cultuurgrond naar natuurgrond met als natuurbeheertype “Kruiden- en Faunarijk Grasland”. [verpachter] en haar rechtsvoorgangers hebben daartoe een notarieel vastgelegde overeenkomst gesloten met de provincie Overijssel. Zij hebben in verband met de omzetting een subsidie ontvangen, waarvoor een van de voorwaarden was dat een kwalitatieve verplichting werd gevestigd om de landbouwgrond niet langer te gebruiken ten behoeve van de landbouw en om al datgene na te laten dat de ontwikkeling of instandhouding van het betrokken natuurbeheertype in gevaar brengt of verstoort. Met [pachter] is afgesproken dat hij als pachter de nieuwe natuur zal gaan beheren overeenkomstig de voorwaarden van de provincie. Deze voorwaarden worden beschreven en toegelicht in het pakket N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. De rentmeester van [verpachter] , [rentmeester] , heeft deze voorwaarden aan [pachter] gemaild.

In de algemene omschrijving van het beheertype Kruiden-en faunarijk grasland is vermeld dat het grasland extensief wordt beweid of gehooid. Tevens is daarin beschreven dat het grasland doorgaans niet wordt bemest, maar dat bij uitzondering ruige stalmest of bekalking kan worden toegepast, om verzuring tegen te gaan.

[pachter] heeft op of omstreeks 10 mei 2018 een gedeelte ter grootte van 2.25 ha van de natuurgrond gemaaid en vervolgens met behulp van een zodebemester op dit gedeelte drijfmest geïnjecteerd. [verpachter] heeft [pachter] hierop aangesproken in een e-mail van 24 mei 2018.

2.3

[verpachter] heeft een vordering tot ontbinding van de pachtovereenkomst ingesteld wegens ernstig tekortschieten van [pachter] in de nakoming daarvan in verband met de hiervoor vermelde bemesting. [pachter] heeft een vordering in reconventie ingediend tot een verklaring voor recht dat [verpachter] gehouden is om de in de pachtovereenkomst opgenomen verplichting tot het bestrijden van schade door wild of schadelijk gedierte na te leven. Daarnaast vordert [pachter] om [verpachter] te gebieden op straffe van een dwangsom daadwerkelijk maatregelen te nemen ter beperking van schade door wild of schadelijk ongedierte.

De pachtkamer te Zwolle (rechtbank Overijssel) heeft bij vonnis van 5 maart 2019 geoordeeld dat [pachter] , door met een zodebemester op of omstreeks 10 mei 2018 het natuurterrein te bemesten, ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van zijn beheerverplichting. In die tekortkoming ligt volgens de kantonrechter een toereikende rechtvaardiging voor de onmiddellijke ontbinding van de pachtovereenkomst voor het natuurterrein (5.30 ha). Verder heeft de pachtkamer beslist dat het perceel dat onmiddellijk ten noorden van het natuurterrein is gelegen uit de pacht moet worden gehaald, omdat de meest voor de hand liggende toegangsroute voor dat perceel over het natuurterrein loopt en [pachter] als gevolg van de ontbinding geen toegang meer heeft tot het natuurterrein en dit ten noorden daarvan gelegen perceel niet eenvoudig zal kunnen bereiken. Ten aanzien van dit perceel ter grootte van 1.43 ha en het natuurterrein ter grootte van 5.30 ha heeft de pachtkamer de pachtovereenkomst ontbonden. Verder heeft de pachtkamer beslist dat de ontsluitingsroute, zoals met een rode stippellijn ingetekend op de kaart, een adequate en redelijke toegangsroute is voor het bereiken van het natuurgebied en het noordelijk daarvan gelegen perceel en dat [pachter] het gebruik van die ontsluitingsroute door een eventuele opvolgend pachter over het gepachte en over zijn eigendomsgrond zal moeten gedogen. De ontbinding is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De reconventionele vordering van [pachter] is afgewezen.

2.4

[pachter] heeft in zijn memorie van grieven de door hem in eerste aanleg ingestelde vordering in reconventie gewijzigd, in die zin dat hij geen verklaring voor recht meer vordert dat [verpachter] gehouden is om de in de pachtovereenkomst opgenomen verplichting tot het bestrijden van schade door wild of schadelijk gedierte na te leven. Zijn andere vordering in reconventie en de vordering tot veroordeling van [verpachter] in de proceskosten, heeft [pachter] gehandhaafd.

De beoordeling van de in eerste aanleg door [verpachter] ingestelde vorderingen

2.5

De pachtkamer heeft de subsidiaire vordering van [verpachter] tot gedeeltelijke ontbinding van de pachtovereenkomst toegewezen, omdat [pachter] , door met een zodebemester op of omstreeks 10 mei 2018 2.25 hectare natuurgrond te bemesten, ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van zijn beheerverplichting.

[pachter] is met zijn eerste drie grieven tegen dit oordeel opgekomen.

2.6

Het hof stelt voorop dat in de pachtwijzigingsovereenkomst van 29 januari 20161 onder meer is vastgelegd dat [pachter] zich bij het beheer van de 5,30 hectare natuurgrond, moet houden aan de voorwaarden van het door de Provincie Overijssel vastgestelde natuurdoeltype. De Provincie Overijssel heeft voor de natuurgronden natuurbeheertype N.12.02 Kruiden- en faunarijk grasland vastgesteld. In de algemene omschrijving van dit beheertype2 is vermeld dat het grasland doorgaans niet wordt bemest, maar dat bij uitzondering ruige stalmest of bekalking kan worden toegepast, om verzuring tegen te gaan. Ook in een email van de rentmeester van [verpachter] , [rentmeester] , van 22 januari 20163 is vermeld dat bemesten met stalmest (onderhoudsbemesting) is toegestaan, indien noodzakelijk om de natuurdoelstellingen te bereiken.

[pachter] heeft, zonder dat hij daarover vooraf overleg heeft gevoerd met [verpachter] , in mei 2018 drijfmest in plaats van (ruige) stalmest in een deel (ongeveer 2.25 ha) van de 5.30 ha natuurgrond geïnjecteerd. [verpachter] heeft dat als een schending van de afspraken gezien, en daar is het hof het mee eens. Dat [pachter] niet voorafgaand aan deze injectie contact heeft opgenomen met [verpachter] is extra bezwaarlijk, omdat tussen partijen al een kwetsbare vertrouwensbasis bestond.

2.7

Het hof begrijpt hetgeen [pachter] onder meer aanvoert in zijn memorie van grieven als een verzoek om niettemin de door de rechtbank uitgesproken gedeeltelijke ontbinding van de pachtovereenkomst niet in stand te laten, omdat [pachter] voor het overige en ook na de eenmalige bemesting met drijfmest aan zijn verplichtingen uit de pachtovereenkomst heeft voldaan. [pachter] voert in dit verband verder aan dat hij niet willens en wetens schade heeft toegebracht aan de natuurgrond, maar juist heeft geprobeerd het natuurbeheertype te ondersteunen door eenmalig drijfmest te injecteren. Van een ernstige tekortkoming, die tot gedeeltelijke ontbinding van de pachtovereenkomst aanleiding geeft, is volgens [pachter] dan ook geen sprake. Het hof ziet aanleiding [pachter] daarin te volgen. Daarbij vindt het hof het navolgende van belang.

2.8

De natuurgrond bevond zich in de periode waarin [pachter] de drijfmest injecteerde in een transitiefase. In een dergelijke fase moet de grond geleidelijk aan verschraald worden en kan overgangsbemesting het gewenste natuurbeheertype ondersteunen. Abrupt stoppen met bemesting kan daarentegen juist tot ongewenste gevolgen leiden. Dit blijkt ook uit het door [pachter] overgelegde rapport van Eysink4, dat op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd is betwist door [verpachter] .
Verder is weliswaar in de algemene omschrijving van de provincie Overijssel van dit natuurdoeltype vermeld dat bij uitzondering ruige stalmest wordt aangebracht, maar [pachter] heeft, onvoldoende weersproken, aangevoerd dat het hier gaat om een gebied dat niet goed met vaste mest te bemesten is. De rivier de Dinkel treedt in het vroege voorjaar regelmatig buiten zijn oevers en de vaste mest kan dan in de rivier terecht komen.

Afgezien van de genoemde, algemene omschrijving om bij uitzondering ruige stalmest toe te passen op de door [verpachter] in pacht verstrekte natuurgrond, is echter niet duidelijk vastgelegd en ook nadien niet duidelijk aan [pachter] gecommuniceerd op welke wijze [pachter] het beheer van de natuurgrond moest verrichten, terwijl dat juist met deze grond - de Dinkelweiden - wel in de rede had gelegen. [pachter] had daar blijkens de email van [rentmeester] van 22 januari 2016 ook uitdrukkelijk om gevraagd (“Vooral over “wat mag er nog wel en wat zeer zeker niet” wilden jullie nadere informatie. (…) Het terreinbezoek moet meer duidelijkheid geven over het te voeren specifieke beheer op de Dinkelweiden zodat het beoogde resultaten kunnen worden bereikt”).

[pachter] heeft bovendien toegelicht dat hij niet over één nacht ijs is gegaan, toen hij ervoor koos om drijfmest te injecteren in de natuurgrond. Hij heeft in dit kader uiteengezet dat hij diverse voorlichtingsbijeenkomsten heeft bezocht, georganiseerd door de Stichting Natuurboer en het Louis Bolkinstituut, waar hij leerde dat abrupt stoppen van bemesting lang niet altijd de beste oplossing is in een overgangssituatie. Verder heeft [pachter] de heer [medewerker] van de provincie Overijssel geraadpleegd en uit dat advies leidde hij af dat bemesting met stalmest op deze natuurgrond geen goede optie was. [pachter] pacht tot slot grond van Natuurmonumenten en bij die pachtovereenkomst was het [pachter] in de overgangsperiode wel toegestaan om (beperkt) drijfmest aan te brengen op de natuurgrond. De bemesting zelf heeft uiteindelijk plaatsgevonden op advies van de teeltadviseur [teeltadviseur] van Agrowin.

2.9

Bij het voorgaande komt dat [verpachter] onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd dat daadwerkelijk schade is geleden als gevolg van de injectie met drijfmest. [verpachter] heeft niet inzichtelijk gemaakt dat subsidies zijn teruggevorderd en/of niet zijn verstrekt als gevolg van het handelen van [pachter] , dan wel dat zij boetes of een fiscale claim heeft verbeurd. Evenmin is deugdelijk onderbouwd dat de betreffende natuurgrond schade is toegebracht. Een dergelijke onderbouwing had des te meer voor de hand gelegen, nu [pachter] een rapport van Eysink heeft overgelegd, waarin valt te lezen dat de natuurgrond nu juist geen schade is toegebracht.

2.10

De door de rechtbank toegewezen gedeeltelijke ontbinding van de pachtovereenkomst treft [pachter] daarentegen bijzonder zwaar. Het hof verwijst daarbij naar de in het tussenarrest van 3 december 2019 onder 2.6 vermelde omstandigheden ten aanzien van de 1.43 ha reguliere landbouwgrond en de 5.30 ha natuurgrond.
Die omstandigheden komen er kort samengevat op neer dat [pachter] :
- grond verliest die van belang is voor het bemestingsplan ingevolge de Meststoffenwet;

- problemen ondervindt met de derogatie;

- meer loonwerkkosten heeft;

- minder grasopbrengst heeft voor zijn veestapel;

- minder grond heeft voor de beweiding met zijn koeien;

- een weidepremie van € 0,015 per kg geleverde melk misloopt en een extra premie van 0,02 per kg geleverde melk;

- betalingsrechten verliest.

2.11

Bij al het vorenstaande komt dat [pachter] al tijdens de comparitie bij het hof op 24 september 2019 heeft toegezegd dat hij zich in de toekomst zal houden aan de aanwijzingen van [verpachter] en haar rentmeester en dat [pachter] zich ook in zijn memorie van grieven5 bereid heeft verklaard voor wat betreft het gebruik/beheer van de natuurpachtgrond de aanwijzingen van een deskundige in acht te nemen. Uit de op 11 februari 2020 door [verpachter] genomen memorie van antwoord en de op 7 april 2020 ingediende schriftelijke pleitnota blijkt niet dat [pachter] die aanwijzingen en/of voorschriften sindsdien niet zou hebben opgevolgd en het hof gaat er vanuit dat [pachter] dit ook werkelijk zal (blijven) doen. [verpachter] heeft ook niet betwist dat [pachter] slechts eenmalig drijfmest heeft geïnjecteerd op een deel van de gepachte natuurgrond.

2.12

Vanwege de onder 2.6 tot en met 2.9 genoemde omstandigheden komt het hof tot de conclusie dat geen sprake is van een zodanig ernstige tekortkoming dat die zou moeten leiden tot (gedeeltelijke) ontbinding van de pachtovereenkomst. De bestreden beslissing ten aanzien van het toegewezen deel van de door [verpachter] in eerste aanleg ingestelde vorderingen kan dan ook niet in stand blijven. Het hof zal deze vorderingen alsnog afwijzen, met veroordeling van [verpachter] in de proceskosten.

De beoordeling van de in eerste aanleg door [pachter] ingestelde vorderingen,
zoals gehandhaafd in hoger beroep

2.13

[pachter] heeft de door hem in eerste aanleg ingestelde vordering om [verpachter] , op straffe van een dwangsom, te gebieden maatregelen te nemen ter beperking van schade door wild of schadelijk ongedierte gebaseerd op artikel 5 van de pachtovereenkomst. Daarin is bepaald dat, indien de pachter schade ondervindt van wild of schadelijk gedierte, hij dit moet meedelen aan de verpachter en dat de verpachter dan onmiddellijk maatregelen moet nemen ter beperking van de schade als redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. [pachter] heeft er daarbij, onder overlegging van foto’s, op gewezen dat hij van tijd tot tijd overlast ondervindt van wild/schadelijk gedierte, vooral van wilde zwijnen. Met zijn vierde grief is [pachter] opgekomen tegen de afwijzing van (dit deel van) het door hem gevorderde.

2.14

[verpachter] heeft als verweer aangevoerd dat [pachter] geen toestemming heeft gegeven voor het laten jagen op de gronden door haar jachthouder, de heer [jachthouder] , dan wel een andere door [verpachter] aan te wijzen jachthouder. In de enkele omstandigheid dat [pachter] de onderhavige vordering heeft ingesteld, blijkt echter al dat [pachter] die toestemming in ieder geval nu wel heeft gegeven. [pachter] heeft dat ook tijdens de comparitie bij het hof gedaan. Nu de verplichting voor [verpachter] om te (laten) jagen op wild en schadelijk gedierte voortvloeit uit de tussen partijen geldende pachtovereenkomst, zal het hof het door [pachter] gevorderde gebod dan ook toewijzen. Het hof ziet echter aanleiding om de gevorderde dwangsom vanaf 7 dagen na kennisgeving te laten verbeuren, die dwangsom te matigen tot een bedrag van € 250,00 per dag en daaraan een maximum te verbinden van € 5.000,00. [verpachter] zal ook hier in de proceskosten worden veroordeeld.

3 De slotsom

3.1

Het hof zal het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank vernietigen en het in eerste aanleg door [verpachter] gevorderde afwijzen. De in hoger beroep gewijzigde vordering van [pachter] zal worden toegewezen.

3.2

[verpachter] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de procedures in beide instanties.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [pachter] zullen worden vastgesteld op:

voor de procedure in conventie:

- salaris advocaat € 600,00 (2,5 punten x tarief € 240)

voor de procedure in reconventie:

- salaris advocaat € 240,00 (2 punten x 0,5 x tarief € 240)

De kosten voor de procedure in hoger beroep, met inbegrip van de kosten voor de incidentele vordering, aan de zijde van [pachter] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 101,06

- griffierecht € 324,00

totaal verschotten € 425,06

- salaris advocaat € 3.222,00 (3 punten x tarief € 1.074)

3.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende:

4.1

vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Overijssel van 5 maart 2019 en doet opnieuw recht:

in conventie:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [verpachter] in de kosten van de procedure in conventie, vastgesteld op € 600,00 voor salaris van de advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

in reconventie:

gebiedt [verpachter] om telkens na schriftelijke kennisgeving door [pachter] onmiddellijk maatregelen te (laten) nemen ter beperking van de schade ten gevolge van wild of schadelijk gedierte zoals bedoeld in artikel 5 van de pachtovereenkomst van 12 november 1951, op straffe van een na eenmalige betekening van dit arrest te verbeuren dwangsom van € 250,00 per dag dat [verpachter] dit vanaf 7 dagen na kennisgeving achterwege laat, met een maximum van € 5.000,00;

veroordeelt [verpachter] in de kosten van de procedure in reconventie, vastgesteld op € 240,00 voor salaris van de advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

4.2

veroordeelt [verpachter] in de kosten van het hoger beroep vastgesteld op € 425,06 voor verschotten en op € 3.222,00 voor salaris van de advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

4.3

veroordeelt [verpachter] in de nakosten, begroot op € 157,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,00 in geval [verpachter] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

4.4

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

4.5

wijst het meer of anders door [pachter] gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, B.J.H. Hofstee, en S.B. Boorsma en de deskundige leden mr. ing. E. Oostra en B.Th.W. Lamers en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 september 2020.

1 Productie 3 bij dagvaarding in eerste aanleg

2 Productie 5 bij memorie van grieven

3 Productie 5 bij conclusie van antwoord en productie 5 bij memorie van grieven.

4 Productie 1 bij incidentele conclusie houdende vordering ex artikel 351 en 223 Rv.

5 Onder 20.