Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7238

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
200.255.789
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht.

In deze zaak draait het om de vraag of ASR als verzekeraar van appellant is gehouden de schade aan de daken en de gevels van de bedrijfsgebouwen te vergoeden als stormschade als gevolg van de zogenoemde supercel van 23 juni 2016. Het hof oordeelt net als de rechtbank dat de schade aan de daken, als gevolg van de combinatie van storm en hagel, voornamelijk is veroorzaakt door de hagel (niet gedekt onder de polis) en dat daarmee geen sprake is van stormschade (wel gedekt onder de polis). Wat betreft de schade aan de gevels van de bedrijfsgebouwen oordeelt het hof anders: de oorzaak hiervan ligt vooral in de wind(stoten) (en de hierdoor meegevoerde hagelstenen) en daarmee valt die schade wel onder stormschade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.255.789

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 431765)

arrest van 15 september 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts,

tegen:

de naamloze vennootschap

ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: ASR,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding bij de rechtbank verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 12 april 2017 (cna-vonnis), 23 augustus 2017 (tussenvonnis)1 en 14 november 2018 (eindvonnis)2 die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 1 februari 2019,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord (met vijf producties),

- de schriftelijke pleidooien van 10 december 2019.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

[appellant] exploiteert een pluimveeonderneming in [A] . Op het perceel in [A] staan de bedrijfsgebouwen en zijn woonhuis.

3.2

In 2006 heeft [appellant] , na een aanbod van de accountmanager van ASR, [B] en met bemiddeling van zijn (zelfstandig) adviseur [C] Assurantiën, een verzekeringsovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) ASR voor zijn bedrijfsgebouwen en zijn woonhuis. Voor het woonhuis met inboedel en de privéberging/garage werd gekozen voor een extra uitgebreide dekking, waaronder ook de inslag van hagelstenen en voor de bedrijfsgebouwen werd gekozen voor dekking van zeven specifiek benoemde gebeurtenissen (ook wel genoemd “named perils” polis). Het betreft hier een schadeverzekeringspolis met daarbij behorende “Algemene Begripsomschrijvingen” (omschrijving van begrippen die in de verschillende voorwaarden voorkomen), “Algemene Voorwaarden” (met bepalingen die gelijkluidend zijn voor meer verzekeringen) en “Bijzondere Voorwaarden Brand-Storm Indexverzekering voor Agrarische Gebouwen” (specifieke bepalingen die gelden voor de afgesloten verzekeringen).

Volgens de Algemene Begripsomschrijving wordt onder “storm” verstaan:

“Wind met een snelheid van tenminste 14 meter per seconde (windkracht 7 of hoger).”

In artikel 4 (omvang van de dekking) van deze Bijzondere Voorwaarden zijn de zeven genoemde en gedekte gebeurtenissen opgenomen:

“Wij bieden dekking voor de schade (…) van het gebouw die is veroorzaakt door een van de volgende gebeurtenissen:

1. brand;

2. ontploffing;

3. brand en ontploffing als gevolg van eigen gebrek (…);

4. blikseminslag;

5. storm en door die storm vallende of bewegende voorwerpen (…);

6. luchtverkeer;

7. sneeuwdruk (…).

Hagelschade kon meeverzekerd worden tot 10% van de verzekerde som; dat is bij [appellant] niet het geval.

3.3

Op 23 juni 2016 is de regio [A] en omstreken in de avond geteisterd door zware hagel- en onweersbuien, ook wel bekend geworden onder de benaming ‘supercel’. Op de website van het KNMI is deze gebeurtenis als volgt verslagen: “De onweersbuien op 22 en 23 juni 2016 hebben voor wateroverlast, wind- en hagelschade gezorgd in met name het westen en zuidoosten van Nederland. De buiencomplexen zorgden voor valwinden, extreemgrote hagel, extreemveel regenval en bliksemontladingen. (…) De buien bereikten even voor 20.00 uur Brabant. In het zuidoosten van Brabant groeide één bui uit tot een zogenaamde ‘supercel’(…). Deze bui trok in noordnoordoostelijke richting en veroorzaakte zeer grote schade, met name door grote hagelstenen.”

3.4

Volgens informatie uit een brief van 27 oktober 2016 van MeteoGroup (Remco Wijnhoven, senior meteoroloog) aan Achmea Rechtsbijstand (ingeschakeld door [appellant] ) is een supercel een “bijzonder zware onweersbui welke veelal gepaard gaat met zware neerslag, zeer zware windstoten (… hoger dan 28 m/s), grootschalige onweersactiviteit en grote hagelstenen”. En verder over de specifieke situatie in de regio [A] : “De neerslag ging gepaard met zwaar onweer en markante hagelval. Er werd in de regio melding gemaakt van een hagelgrootte van 5 tot 10 centimeter, afmetingen die ook officieel zijn genoemd door het KNMI. Gezien de trekrichting van de supercel is het zeer aannemelijk dat deze hagel ook de doellocaties in gebied A heeft aangedaan. Een exacte inschatting van de grootte van de hagel voor een specifieke locatie binnen het doelgebied is gezien de grilligheid van de supercel niet mogelijk. Met andere woorden: het is in deze specifieke meteorologische situatie onmogelijk om per postcodegebied de grootte van de hagel aan te geven.” Tot slot meldt de meteoroloog in zijn brief: “De weersomstandigheden op 23 juni op de doellocatie waren uitzonderlijk. Hagelstenen met een doorsnede van 7 tot 10 centimeter behoren tot de grootste die de afgelopen 25 jaar in Nederland zijn waargenomen.

Gezien deze grote omvang van de hagelstenen, staat het buiten kijf dat er ook zeer zware

windstoten hebben plaatsgevonden.

In de meteorologie wordt wind omschreven als een gemiddelde windkracht in een tijdvak

van 10 minuten.

Windstoten worden gedefinieerd als de maximale windkracht, gemeten over een periode

van 3 seconden .

Ondanks het overtrekken van de beschreven supercel met zeer zware windstoten, is de wind

(dus de gemiddelde wind in 10 minuten) is in deze case naar verwachting beperkt gebleven

tot 12 tot 15 m/s. Deze relatief lage waarde wordt veroorzaakt door het feit dat de zeer zware

windstoten maar kortstondig hebben plaatsgevonden, en daardoor de gemiddelde wind maar

beperkt hebben verhoogd.

In dit geval is dus is de wind niet hoger geweest dan 6 tot 7 Bft (12 tot 15 m/s), terwijl het wel kortstondig extreem hard heeft gewaaid (25 tot 30 m/s).”

3.5

De windschaal van Beaufort (door de meteoroloog hierboven afgekort met “Bft”) wordt volgens (de website van) het KNMI (overgelegd als productie 4 bij conclusie van antwoord) gebruikt om de snelheid van de wind aan te duiden waarbij wordt uitgegaan van de meting van de windgemiddelde snelheid over 10 minuten per km/u en/of per m/sec op een hoogte van 10 meter boven de grond. Windkracht 7 wordt omschreven als “hard” met snelheden van 13,9-17,1 m/sec. Volgens de windschaal van Beaufort wordt windkracht 9 omschreven als “storm” met windsnelheden van 20,8-24,4 m/sec.

3.6

De door [appellant] ingeschakelde deskundige ir. J.H.Th.O Kettlitz (verbonden aan Nieman-Kettlitz Gevel- en Dakadvies B.V.) heeft een onderzoeksrapport opgesteld van 14 november 2017 voor het antwoord op de vraag of, kort gezegd, de schade aan de bedrijfsgebouwen van [appellant] die ontstaan is op 23 juni 2016 te kwalificeren is als hagelschade dan wel als een combinatie van hagel- en windschade. Op verzoek van ASR heeft ir. P.A. Hagenaars (verbonden aan Royal HaskoningDHV) het rapport van Kettlitz beoordeeld; diens bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 18 januari 2018. Op dit laatste rapport heeft Kettlitz weer gereageerd door middel van een notitie van 16 augustus 2018, waarop ook weer een reactie is gekomen van Wagenaars in een brief van 5 september 2018.

3.7

De rechtbank heeft in het tussenvonnis [appellant] de gelegenheid gegeven om nader te onderbouwen dat (een deel van) de schade het beeld vertoont van stormschade. In het eindvonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen met de conclusie, kort gezegd, dat de schade aan de verticale gevelvlakken (de gevels) en de daken van de bedrijfsgebouwen niet het beeld toont van stormschade en dat er (dus) geen reden is om de schade die is veroorzaakt door de hagelinslag aan te merken als stormschade.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Korte weergave van de zaak en de beslissing van het hof

4.1

In deze zaak draait het om de vraag of ASR als verzekeraar van [appellant] is gehouden de schade aan de daken en de gevels van de bedrijfsgebouwen te vergoeden als stormschade als gevolg van de zogenoemde supercel van 23 juni 2016. Het hof oordeelt net als de rechtbank dat de schade aan de daken, als gevolg van de combinatie van storm en hagel, voornamelijk is veroorzaakt door de hagel (niet gedekt onder de polis) en dat daarmee geen sprake is van stormschade (wel gedekt onder de polis). Wat betreft de schade aan de gevels van de bedrijfsgebouwen oordeelt het hof anders: de oorzaak hiervan ligt vooral in de wind(stoten) (en de hierdoor meegevoerde hagelstenen) en daarmee valt die schade wel onder stormschade. Het hof geeft partijen eerst gelegenheid om zich (bij akte) over de hoogte van de gedekte schade aan de gevels van de bedrijfsgebouwen uit te laten en eventueel zelf een minnelijke regeling te treffen. Een comparitie van partijen behoort ook tot de mogelijkheden.

Waarover gaat deze zaak in hoger beroep?

4.2

[appellant] is met tien grieven tegen zowel het tussenvonnis als het eindvonnis opgekomen. Hiermee ligt het gehele geschil aan het hof voor met als – niet (meer) door ASR bestreden (zie verderop) – uitgangspunt het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis (rov. 2.11-2.12) dat hagelstenen ‘voorwerpen’ in de zin van de polis zijn. In rov. 2.12 overweegt de rechtbank namelijk:
“Wanneer hagelstenen door de wind zijwaarts bewogen worden en horizontaal inslaan, kan dat mogelijk wel als stormschade beschouwd worden. (…) Omdat dit voor de beslissing doorslaggevend kan zijn, (… ) zal de rechtbank [appellant] de kans geven om te onderbouwen dat (een deel van) de schade het beeld van stormschade vertoont, bijvoorbeeld doordat de hagel die de schade heeft toegebracht zodanig door de wind werd bewogen dat daardoor schade is ontstaan die niet zou zijn ontstaan wanneer de hagel min of meer verticaal gevallen was.” In de memorie van antwoord onder 2.4.2 schrijft ASR dat zij zich in dit hoger beroep hiertegen niet (meer) wenst te verzetten; hieruit begrijpt het hof dat ASR haar oorspronkelijke standpunt (conclusie van antwoord onder 26 en 33) dat hagelstenen niet te kenmerken zijn als door storm vallende of bewegende voorwerpen, heeft prijsgegeven.

Dekking onder stormschade?

4.3

Volgens de Algemene Begripsomschrijving wordt onder “storm” verstaan een wind met een snelheid van ten minste 14 meter per seconde, met als toelichting erbij “windkracht 7 of hoger”. Algemeen bekend verondersteld mag worden dat de schaal van Beaufort wordt gebruikt om de snelheid van de wind aan te duiden. Volgens de informatie van Meteo Group (zie onder 3.4) heeft het in de regio [A] toen de supercel overtrok gewaaid, buiten de kortstondig plaatsgevonden zeer zware windstoten, met een kracht van 6 tot 7 Bft (12 tot 15 meter per seconde). Dit betekent naar het oordeel van het hof in ieder geval sprake is geweest van “storm” in de zin van de polis.

[appellant] heeft nog aangevoerd dat de onder invloed van de supercel uit korrelhagel gegroeide ijsbrokken/ijsballen niet als een zelfstandige oorzaak en niet als hagel beschouwd kunnen worden maar een neveneffect van de supercel vormen omdat deze zonder de supercel niet zouden hebben kunnen ontstaan. Maar de oorzaak van de hagel(-uitgroei) is niet van belang. [appellant] heeft er niet voor gekozen om schade door hagel of de door hem genoemde “ijsballen” te verzekeren. Het gaat er onder de polis enkel om of schade is veroorzaakt door door de storm vallende of bewegende voorwerpen, meer niet.

4.4

Onder (de oorzaak) “storm” wordt volgens de polis mede als oorzaak begrepen “door die storm vallende of bewegende voorwerpen”. Uitgangspunt in dit in hoger beroep (zie hiervoor) is dat hagelstenen door de storm bewegende/vallende voorwerpen kunnen zijn. Onderzocht en beoordeeld moet worden of (een deel van) de schade van [appellant] onder het polisbegrip stormschade valt op de grond dat de hagelstenen door de storm zijn gevallen (of bewogen) waardoor de schade aan de gebouwen is ontstaan.

De partijdeskundigenrapporten

4.5

Kettlitz gaat voor de berekeningen in zijn (eerste) rapport (zie rov. 3.6) uit van (bolvormige) hagelstenen met een diameter van 5 cm; grotere hagelstenen zijn minder frequent gevallen en zijn daarmee niet representatief. Verder gaat Kettlitz uit van een windsnelheid van 30 meter per seconde (uitgaande van de hoogste windstoot van 25 á 30 meter per seconde volgens de meting van MeteoGroup). Het onderzoek ziet verder op de schuine/hellende daken (met een dakhelling van 25-30°) en de verticale vlakken/gevels; de daken zijn gemaakt van gegolfde vezelcementplaten en de gevels zijn gemaakt van dunne metalen sandwichpanelen. De sterkte (of weerstand) van het materiaal wordt ingedeeld in vijf klassen HIR (hail impact resistance); de hoogste klasse HIR 5 biedt de meeste weerstand tegen (hagel)schade. De sandwichpanelen vallen maximaal onder HIR 3; de vezelcementplaten hebben een lagere HIR score. De invloed van de wind is wat betreft de (putvormige) schades aan de gevelvlakken/sandwichpanelen van doorslaggevende betekenis geweest. Bij gevels en steile daken (van stalen sandwichpanelen) boven de 70° kan de hagelbui alleen schade hebben veroorzaakt onder invloed van de wind. Bij dakhellingen (van stalen sandwichpanelen) tussen de 21° en 70° kunnen zowel de wind als de valsnelheid bepalend zijn voor de schade. “Echter in de meeste gevallen zal in dit gebied de interactie tussen beide, als gevolg van de toenemende kinetische energie van de hagelstenen, de schade opleveren.” Bij de vezelcement golfplaten op de daken is de interactie van wind en vallende hagelstenen van nog groter belang geweest, omdat juist de meest steile delen van de golfvorm de laagste weerstand tegen hagelschade bezitten. Wat betreft de schade aan de vezelcement golfplaten (gaten) is de wind minimaal van grote invloed geweest op de omvang van de schade en mogelijk zelfs bepalend geweest (gezien de gegolfde vorm en dakhelling), aldus nog steeds Kettlitz.

4.6

Hagenaars gaat bij zijn berekeningen in het eerste rapport (zie rov. 3.6) uit van een iets lagere windsnelheid, namelijk 25 meter per seconde en van een HIR 2 classificatie voor de sandwichpanelen en een HIR 4 voor de vezelcementplaten. Wat de (gekozen) grootte van de hagelstenen betreft merkt Hagenaars op: “Ook al komen grotere hagelstenen minder frequent voor, de kans op schade per vallende hagelsteen is wel veel groter, en daarmee kan de bijdrage van de groep grotere stenen aan de opgetreden schade toch substantieel zijn. Bovendien heeft de wind op deze bijdrage een kleinere invloed dan op de bijdrage door de beschouwde stenen van 5 cm.” Volgens zijn berekeningen zou een grotere hagelsteen van zes centimeter een tweemaal zo grote impactenergie hebben als een hagelsteen van vijf centimeter. Hagenaars heeft in zijn rapport ook verslag gedaan van een overleg met twee meteorologen van InfoPlaza. Volgens de ervaring van deze meteorologen vallen zeer grote hagelstenen altijd bijna loodrecht omlaag, met hooguit een kleine hoek (ten opzichte van de verticaal). “De snelheid en massa van dergelijke hagelstenen is dermate groot dat de baan weinig wordt beïnvloed door de wind, gelet ook op de grilligheid van richting en grootte van de windsnelheden gedurende de val.” Hagenaars heeft verder een model ontwikkeld, waarbij het principe hiervan is onderschreven door de meteorologen, op grond waarvan hij eigen berekeningen heeft uitgevoerd (mede op basis van het tussenvonnis) over “de zone waarin men leeft”. Hagenaars heeft het model ook gebruikt om inzicht te krijgen in de werkelijk opgetreden situatie. De hagelweerstand van de dakplaten en gevelplaten speelt een belangrijke rol. Bouwmateriaal met een HIR klasse van 4 is bestand tegen de impact van een vier centimeter grote hagelsteen, maar niet tegen de grotere impact van een vijf centimeter grote hagelsteen (anders was het wel in HIR klasse 5 ingedeeld). Ook als de gekozen (en berekende) zone (tussen de 20 en 40 meter boven maaiveld) buiten beschouwing wordt gelaten volgt uit de ervaring van de geraadpleegde meteorologen dat hoge windsnelheden maar een beperkte invloed hebben op de valhoek van zeer grote hagelstenen.

De schade aan de gevels

4.7

Uit de hierboven aangehaalde deskundigenrapporten en ook uit de berichtgeving van het KNMI en MeteoGroup leidt het hof af dat op 23 juni 2016 de supercel zich kenmerkte door een combinatie van zware wind(-stoten) en hagelbuien met (extreem) grote hagelstenen (met een doorsnede van 5 tot 10 centimeter), naast de hier niet ter zake doende zware regenval en onweersbuien. Anders gezegd: er was toen sprake van een combinatie van storm (in de zin van de polis) en hagel, waar het in deze zaak om draait. Uit de overgelegde foto’s en de bevindingen van Kettlitz blijkt dat de schade aan de metalen sandwichpanelen van de gevels bestaat uit (putvormige) deuken met een min of meer symmetrische vorm; deze schade wijst volgens Kettlitz eenduidig op een geconcentreerde impact van een “nagenoeg bolvormig element” (een hagelsteen, zo begrijpt het hof) in een “nagenoeg horizontale richting” (als gevolg van de wind, zo begrijpt het hof). De, voor de hand liggende, conclusie die Kettlitz trekt (pagina 8 rapport) is dat vallende hagel (waarbij hij uitgaat van hagelstenen van vijf centimeter) zonder de invloed van wind op de gevels (de metalen sandwichpanelen) geen schade kan veroorzaken. De invloed van de wind is dus wat betreft de schades aan de gevelvlakken van doorslaggevende betekenis geweest, aldus Kettlitz. Deze, op zichzelf niet door Hagenaars bestreden, conclusie deelt het hof. Met het gegeven dat de sandwichpanelen een HIR-2 (of maximaal 3) sterkte hebben (en dan kennelijk bestand zijn tegen een hagelsteeninslag van twee (of drie) centimeter), zijn de (putvormige) deuken ontstaan door de inslag of impact van hagelstenen met een omvang tot vijf centimeter (er zijn geen gaten geslagen) die meegevoerd zijn door de wind. Dat betekent aldus dat de schade aan de metalen sandwichpanelen veroorzaakt is door de storm en onder dekking van de polis valt.

De schade aan de daken

4.8

Dit ligt anders voor de schade aan de daken. Niet gemotiveerd betwist is dat de vezelcementplaten op de daken in de HIR klasse 4 vallen (hetgeen betekent dat deze bestand zijn tegen de impact van een vier centimeter grote hagelsteen). Uit de overgelegde foto’s van (veelal de binnenzijde van) de daken is te zien dat er vele gaten in zijn geslagen. Dit stelt ook [appellant] in de inleidende dagvaarding onder 5.2: “Op diverse plaatsen werden gaten in het dak geslagen. De schade werd veroorzaakt door ijsbrokken met een doorsnede variërend van vijf tot tien centimeter.” Hagenaars heeft met de opinie van de twee meteorologen van InfoPlaza betoogd dat de wind weinig vat heeft op de baan van deze grote hagelstenen gezien hun massa en de grilligheid van richting en grootte van de windsnelheden gedurende de val. Kettlitz – en met hem [appellant] – heeft hier tegen aangevoerd dat de wind juist meer vat heeft op een grotere steen. Hagenaars heeft dit erkend, maar voorts ook, door [appellant] onvoldoende bestreden, aangevoerd (pag. 4 van zijn tweede notitie) dat een grotere steen ook een grotere massa en valsnelheid heeft waardoor de wind “er netto toch minder vat op heeft”. Niet gemotiveerd bestreden voorts is de opinie van Hagenaars dat een zes centimeter grote hagelsteen een tweemaal zo grote impactenergie heeft als een steen van vijf centimeter. Nu vaststaat dat in ieder geval ook hagel is gevallen met stenen tussen de vijf en tien centimeter, betekent dit dat deze grotere stenen dus veel impactenergie hebben gehad op de daken, als gevolg waarvan de gaten in de daken zijn geslagen, zo begrijpt het hof, mede gelet op het feit dat de daken een HIR klasse 4 hebben. Vast staat dat Kettlitz in zijn berekeningen en argumentatie geen rekening heeft gehouden met die grotere stenen. Het hof schaart zich achter de bevindingen van Hagenaars, in samenhang gelezen met het niet gemotiveerd bestreden betoog van de twee meteorologen (genoemd onder 4.6) en oordeelt dat de schade aan de daken niet is veroorzaakt doordat de wind deze grote hagelstenen als “voorwerpen” heeft meebewogen of meegenomen en zo de schade aan de daken heeft veroorzaakt. Anders gezegd: de schade aan de daken is (voornamelijk) veroorzaakt door de (zeer grote) hagelstenen en niet zozeer door de wind(-stoten). Ook zonder storm of wind zouden die hagelstenen het dak hebben doorboord.

Voor zover het zou gaan om lichtere hagelstenen die door de zeer zware windstoten tegen en door de meest steile delen van de golven van de daken zijn gevallen: uit de overgelegde foto’s valt niet te onderscheiden, ook niet uit de onderste op p. 10 van het Kettlitz-rapport, of de hagelstenen nu op, tegen de meest steile delen of tussen de golven van de daken zijn gevallen en zo een specifiek schadebeeld zouden hebben veroorzaakt. [appellant] heeft in zijn memorie van grieven sub 208 nog een foto geproduceerd met daarop ongeveer 15 gaten in een deel van een dak, waarvan er vijf zijn voorzien van de toelichting: “in ‘verticale’ zijde”, wat klaarblijkelijk niet geldt voor de andere gaten. Mocht een derde van de hagelgaten in de steile delen door met de storm meegevoerde hagel zijn veroorzaakt dan valt dit in het niet bij de rest van de hiervoor besproken schadeoorzaak door de zwaardere hagelstenen; ook zonder die min of meer diagonale inslagen zouden de daken onherstelbaar zijn beschadigd.

Dat alles betekent aldus dat voor wat betreft de daken geen sprake is van schade door storm als bedoeld in de polis. Aan het inschakelen of horen van Kettlitz als deskundige heeft het hof geen behoefte (artikel 200 lid 1 Rv) en ook niet aan het inschakelen van een andere deskundige (artikel 195 Rv).

Uitlatingen door tussenpersoon bij afsluiten van de verzekering

4.9

[appellant] heeft onder grief I aangevoerd dat volgens de accountmanager van ASR, [B] , bij het (over)sluiten van de verzekering in 2006 een aparte hageldekking niet nodig zou zijn: het betrof nagenoeg nieuwe opstallen waarvan de daken bestand zouden moeten zijn tegen hagel en als er hagel zou vallen tijdens een storm zou de stormdekking van de polis dekking geven. [appellant] biedt aan dit te bewijzen door het horen van getuigen. Naar het oordeel van het hof is deze stelling voor dit geschil niet (meer) relevant, omdat het hof juist heeft onderzocht (én beoordeeld) of de op 23 juni 2016 gevallen hagel als door storm vallende of bewegende voorwerpen onder de stormdekking valt (hetgeen deels zo is). Het aanbod tot het horen van getuigen op dit punt passeert het hof daarom.

Uitkeringen door ASR bij andere verzekerden of door andere verzekeraars

4.10

[appellant] heeft onder grief IV aangevoerd dat ASR bij andere verzekerden ( [D] , [E] ) voor dezelfde soort schade als gevolg van de supercel wél (deels) tot uitkering is overgegaan; hij kan dat verschil niet plaatsen. Het hof heeft in deze zaak op basis van de stellingen/verweren van partijen en de feiten en omstandigheden die kenbaar zijn in dit dossier (waaronder ook de deskundigenrapporten) onderzocht of [appellant] aanspraak kan maken op dekking voor stormschade. Het doet in deze zaak niet ter zake of ASR bij andere verzekerden wél tot uitkering is overgegaan (al dan niet uit coulance of bij vergissing zoals ASR suggereert) om de eenvoudige reden dat [appellant] daaraan geen recht tot uitkering kan ontlenen op basis van zijn polis. Het aanbod tot het horen van getuigen passeert het hof dan ook. Hetzelfde oordeel geldt voor het beleid van andere verzekeraars die wel tot uitkering zijn overgegaan: dit is voor de beoordeling van deze zaak niet van belang. Ten slotte nog dit: ook in [appellant] ’ zaak komt het tot een gedeeltelijke uitkering, zij het niet op basis van een procentuele verdeling.

5 De slotsom

5.1

De grieven II, VII, VIII en IX slagen deels wat betreft de (gedekte) schade aan de gevels (de metalen sandwichpanelen) van de verzekerde bedrijfsgebouwen; de overige grieven falen of behoeven geen aparte bespreking meer. Dat betekent dat het eindvonnis van de rechtbank deels vernietigd zal moeten worden.

5.2

Omdat het hof geen inzicht heeft in de hoogte van de schade aan de gevels van de verzekerde bedrijfsgebouwen zal het hof eerst [appellant] de gelegenheid geven zijn (financiële) schade op dit punt bij akte te onderbouwen, waarna ASR hierop bij antwoordakte kan reageren. Mogelijk is dat partijen dan zelf tot een minnelijke oplossing kunnen komen om dit geschil te beëindigen. Is dat niet het geval, dan zal het hof een comparitie van partijen gelasten om hierover met partijen te spreken en mogelijk een minnelijk regeling ter zitting te treffen.

5.3

Iedere verdere beslissing wordt door het hof aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum 27 oktober 2020 voor akte uitlating aan de zijde van [appellant] , als omschreven in rechtsoverweging 5.2;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, R.A. Dozy en A.S. Gratama, is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 september 2020.

1 ECLI:NL:RBMNE:2017:4223

2 ECLI:NL:RBMNE:2018:5698