Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7232

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
200.253.053
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Waiver zaak. Geen misbruik van bevoegdheid. Geen vordering vanwege advisering tussenpersoon (Vero) of Dexia. Vero gaf geen orders door. Geen overtreding van verbod op cold calling. Geen buitengerechtelijke kosten verschuldigd. Wel sprake van vordering vanwege ten onrechte in rekening gebrachte termijnen na rechtsgeldige opzegging overeenkomst door appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.253.053

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 3890719)

arrest van 15 september 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende [A] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 november 2015, 6 april 2016 en 22 februari 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 22 mei 2017,

- het herstelexploot van 2 februari 2018,

- de memorie van grieven (met een productie),

- de memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, tevens houdende akte wijziging van eis (met producties),

- de memorie van antwoord in incidenteel appel,

- de akte van [appellante] (met een productie),

- de antwoordakte van Dexia.

2.2.

Vervolgens heeft [appellante] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Tussen Dexia (als rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V.) en [appellante] is op 21 oktober 1999 een effectenleaseovereenkomst tot stand gekomen genaamd “KoersExtra” met contractnummer [00000] (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 240 maanden (20 jaar) en had een totaal overeengekomen leasesom van € 43.562,88.

3.2.

In het door Dexia overgelegde financiële overzicht is vermeld dat [appellante] op grond van de overeenkomst totaal € 11.616,76 aan maandtermijnen aan Dexia heeft betaald en dat geen dividenduitkeringen aan [appellante] hebben plaatsgevonden.

3.3.

Bij brief van 15 februari 2006 heeft Leaseproces B.V. (hierna: Leaseproces) namens [appellante] aan Dexia bericht dat zij de nietigheid van de overeenkomst inroept wegens het ontbreken van een vergunning als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het Consumentenkrediet, althans de overeenkomst wordt vernietigd, althans wordt ontbonden, op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, onrechtmatige daad, misleidende reclame en/of dwaling. Verder heeft Leaseproces in de brief aan Dexia bericht dat de overeenkomst, voor zover nodig, wordt opgezegd en door [appellante] geen verdere betalingen meer gedaan worden. Dexia is gesommeerd binnen twee weken alle door [appellante] betaalde bedragen vermeerderd met wettelijke rente, terug te betalen, alsmede BKR te Tiel op de hoogte te stellen van de nietigheid van de overeenkomst.

3.4.

Bij ongedateerde brief aan Leaseproces heeft Dexia medegedeeld dat de onder 3.3 bedoelde brief door Dexia niet wordt opgevat als een verklaring die strekt tot tussentijdse beëindiging van de leaseovereenkomst. Daarbij heeft Dexia het volgende aan Leaseproces medegedeeld: “Indien uw cliënten gebruik wensen te maken van de mogelijkheid tot tussentijdse beëindiging, dienen zij een beëindigingsformulier volledig ingevuld en getekend toe te sturen aan ons, tezamen met een kopie van een geldig identiteitsbewijs. Dit beëindigingsformulier kan schriftelijk of telefonisch bij ons worden aangevraagd en kan worden gedownload vanaf onze internetsite www.dexialease.nl.”

3.5.

Bij ongedateerde brief aan [appellante] , per adres verzonden aan Leaseproces te Amsterdam, heeft Dexia medegedeeld dat zij de overeenkomst heeft beëindigd in verband met een betalingsachterstand. Volgens de bij de inleidende dagvaarding overgelegde eindafrekening had [appellante] bij de beëindiging van de overeenkomst op 15 augustus 2006 nog recht op uitbetaling van een bedrag van € 1.559,65. Volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht is dat bedrag bij de beëindiging van de overeenkomst aan [appellante] uitbetaald.

3.6.

Op 25 januari 2007 heeft het Gerechtshof Amsterdam de zogeheten “Duisenberg-regeling” voor aandelenleaseproducten algemeen verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade.1 [appellante] heeft door middel van een “opt-out” verklaring in de zin van artikel 7:908 lid 2 BW aangegeven niet aan deze regeling gebonden te willen zijn.

3.7.

In zijn arresten van 28 maart 2008 en 5 juni 2009 heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de rechtsregels en de beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken als de onderhavige.2 Op 1 december 2009 heeft het Gerechtshof Amsterdam in een viertal arresten de uitspraak van de Hoge Raad uitgewerkt in het zogeheten “hofmodel”.3 In zijn arrest van 29 april 2011 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven.4

3.8.

Bij brief van 25 januari 2012 heeft Leaseproces namens [appellante] aan Dexia medegedeeld zich haar rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voor te behouden.

3.9.

De gemachtigde van Dexia heeft bij brief van 18 november 2014 [appellante] de mogelijkheid geboden om aan te tonen dat zij nog recht zou hebben op schadevergoeding. Indien [appellante] zou menen geen recht meer te hebben op enige schadevergoeding, kon zij de bij de laatste brief gevoegde “waiver” ondertekenen en retourneren. [appellante] heeft niet binnen de genoemde termijn gereageerd.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

In de inleidende dagvaarding heeft Dexia gevorderd een verklaring voor recht dat zij ten aanzien van de overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [appellante] verschuldigd is, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.

4.2.

Bij tussenvonnis van 25 november 2015 heeft de kantonrechter geoordeeld dat Dexia de overeenkomst na ontvangst van de onder 3.3 genoemde brief van 15 februari 2006 had moeten beëindigen. De kantonrechter heeft Dexia in de gelegenheid gesteld een gecorrigeerde eindafrekening in het geding te brengen, waaruit zal blijken of nog een betalingsverplichting van Dexia resteert.

4.3.

Dexia heeft vervolgens een gecorrigeerde eindafrekening overgelegd en, na wijziging van eis, gevorderd een verklaring voor recht dat zij met betrekking tot de overeenkomst een bedrag van € 668,12 is verschuldigd, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.

4.4.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 22 februari 2017 geoordeeld dat [appellante] niet heeft bewezen dat Dexia haar een op haar persoonlijke situatie toegesneden advies heeft verstrekt en voor recht verklaard dat Dexia ten aanzien van de overeenkomst aan [appellante] slechts verschuldigd is een bedrag van € 668,12, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat Dexia met betaling van dat bedrag in verzuim is en met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

[appellante] heeft tegen de vonnissen van de kantonrechter vijf ongenummerde grieven aangevoerd. De grieven komen er in de kern op neer dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat Dexia boven het bedrag van € 668,12 niets meer aan [appellante] verschuldigd is.

5.2.

Dexia heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en twee grieven tegen het vonnis aangevoerd. Daarnaast heeft Dexia, onder de voorwaarde dat (a) (één van) de grieven van [appellante] slagen of dat (b), indien deze falen, haar eerste grief in het incidenteel appel slaagt, een verklaring voor recht gevorderd dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst niets meer aan [appellante] verschuldigd is, althans te verklaren voor recht dat zij slechts gehouden is tot betaling van een in goede justitie te bepalen bedrag, althans hetgeen zij onder het hofmodel aan [appellante] verschuldigd is, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

5.3.

[appellante] heeft tegen de voorwaardelijke eiswijziging als zodanig geen bezwaar gericht, zodat het hof recht zal doen op deze voorwaardelijk ingestelde eis.


waiverprocedure
5.4. De onderhavige procedure betreft een zogenoemde waiverprocedure, dat wil zeggen een procedure waarin Dexia in rechte vastgesteld wil zien dat haar wederpartij – eventueel na betaling van een restantbedrag door Dexia – in rechte niets meer van haar te vorderen heeft uit hoofde van één of meerdere tussen partijen gesloten financiële effectenlease-overeenkomsten.

aanvulling petitum (principaal appel)

5.5.

In haar grief onder 13 e.v. van de memorie van grieven (hierna: grief 1) betoogt [appellante] dat de kantonrechter het gewijzigde petitum van Dexia in het dictum niet had mogen aanvullen met dat Dexia slechts een bedrag van € 668,12 verschuldigd is en zij voor het overige aan haar verplichtingen ten aanzien van de overeenkomst heeft voldaan. De grief faalt. De kantonrechter heeft uit de toelichting van Dexia op haar eiswijziging (onder punt 3 van de akte vermindering van eis) kunnen en mogen afleiden dat Dexia bedoeld heeft niet meer dan dat bedrag verschuldigd te zijn. De toevoeging van het woord slechts – meer woorden zijn niet toegevoegd – brengt dit tot uitdrukking. De toevoeging in het dictum dat de wettelijke rente in gaat vanaf het moment dat Dexia in verzuim is, is op de wet gegrond en evenmin ontoelaatbaar.

misbruik van bevoegdheid (principaal appel)
5.6. [appellante] komt met haar grief onder 39 e.v. van de memorie van grieven (hierna: grief 3) op tegen het oordeel van de kantonrechter dat Dexia geen misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt door het instellen van haar vordering. [appellante] heeft aangevoerd dat toen Dexia de procedure begon nog onduidelijkheid bestond over de in rechte toe te passen beoordelingsmaatstaven. [appellante] had belang bij het afwachten van de ontwikkelingen in de jurisprudentie en Dexia maakte misbruik van haar bevoegdheid door de belangen van [appellante] onevenredig te schaden, aldus [appellante] .

5.7.

Dit hof heeft in verschillende uitspraken uiteengezet dat de voormelde omstandigheden niet leiden tot misbruik van de bevoegdheid van Dexia om de onderhavige vordering in te stellen. [appellante] heeft verder geen specifieke op haar toegesneden feiten of omstandigheden gesteld, waarom in deze zaak anders geoordeeld moet worden. Voor zover [appellante] in dit kader heeft betoogd dat zij recht heeft om de uitspraken van de Hoge Raad in de procedures met zaaknummers 17/05108 en 18/04375 af te wachten, geldt overigens dat de Hoge Raad in die zaken inmiddels arresten heeft gewezen (zie Hoge Raad 12 april 2019 en Hoge Raad 24 april 2020) en daarin geen andere zienswijze is ontwikkeld.5 Onder verwijzing naar zijn eerdere uitgesproken arresten verwerpt het hof dan ook de derde grief.6

beoordeling vordering (principaal appel)

5.8.

De vraag ligt thans voor of de vordering van Dexia om voor recht te verklaren dat [appellante] ten aanzien van de overeenkomst in rechte niet meer dan € 668,12 (vermeerderd met rente) van haar te vorderen heeft toewijsbaar is. Dexia legt aan haar vordering ten grondslag dat zij aansprakelijk is wegens schending van de op haar rustende zorgplicht bij het aangaan van de overeenkomst erkent en dat zij met de betaling van genoemd bedrag aan al haar verplichtingen heeft voldaan. Op [appellante] rust de verplichting om, wil zij niet dat de vordering bij gebrek aan verweer wordt toegewezen, de stellingen van Dexia gemotiveerd te betwisten, zodanig dat kan worden beoordeeld of de door haar gestelde vordering kan slagen en, in het verlengde daarvan, of de vordering van Dexia al dan niet kan worden toegewezen.7 Tegen deze achtergrond zal worden bezien op welke punten [appellante] meent nog vorderingen op Dexia te hebben. Uit de memorie van grieven leidt het hof af dat [appellante] heeft aangevoerd nog vorderingen te hebben ten aanzien van de volgende onderwerpen:
- advisering door Vero (grief onder 18 e.v., hierna: grief 2);

- doorgeven van effectenorders (grief 2);

- overtreding van het verbod op cold calling (grief 2);

- buitengerechtelijke kosten (grief onder 41 e.v., hierna: grief 4).

advisering door tussenpersoon (principaal appel)

5.9.

[appellante] heeft zich beroepen op de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 en het daarop volgende arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2018 en voert met haar grieven aan dat er, in afwijking van het onder 3.7 genoemde hofmodel, geen ruimte is om eigen schuld aan haar toe te rekenen en Dexia de volledige schade aan haar moet vergoeden.8 Dexia heeft dit gemotiveerd bestreden.

5.10.

Het betoog van [appellante] faalt. De Hoge Raad heeft in de hiervoor onder 5.9 genoemde arresten van 2 september 2016 (en bevestigd in zijn uitspraak van 12 oktober 2018) kort gezegd geoordeeld dat het een cliëntenremisier onder de toenmalige regelgeving niet was toegestaan om zonder vergunning adviesdiensten te verrichten. Vanwege het contracteerverbod in artikel 41 NR 1999 heeft de Hoge Raad daarom geoordeeld dat als Dexia een overeenkomst heeft gesloten met een particulier waarbij een cliëntenremisier (zonder vergunning) aan de particulier een beleggingsadvies heeft verstrekt en Dexia hiervan wist of behoorde te weten, sprake is van een (extra) onrechtmatigheidsgrond die Dexia zwaar wordt aangerekend.9 De Hoge Raad heeft in dat geval om redenen van billijkheid een afwijking van het hofmodel aanvaard, inhoudend dat de vergoedingsplicht van Dexia jegens de afnemer geheel in stand blijft.

5.11.

Anders dan in voormelde rechtspraak staat in deze zaak niet vast dat de overeenkomst tussen [appellante] met Dexia is gesloten door tussenkomst van een cliëntenremisier. [appellante] heeft aangevoerd dat zij telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van Vero, die optrad namens Legio-Lease (Dexia), en zich presenteerde als financieel adviseur van Legio-Lease (Dexia). Tussen partijen is niet in geschil dat Dexia Vero als callcenter inschakelde teneinde haar producten onder de aandacht van het publiek te brengen. Vero handelde derhalve niet in eigen naam, maar in naam van Dexia, met het doel om tussen Dexia als aanbieder en de potentiële afnemer een effectenleaseovereenkomst te sluiten. Nu de activiteiten van Vero zijn verricht voor rekening en onder verantwoordelijkheid van Dexia, moeten deze activiteiten als activiteiten van Dexia worden aangemerkt en kan niet worden aangenomen dat Vero cliënten bij Dexia heeft aangebracht en dat zij daarvoor een vergunning dan wel vrijstelling nodig had. Het beroep van [appellante] op de hiervoor genoemde rechtspraak stuit hier op af.

5.12.

In het geval een belegger is geadviseerd door Dexia zelf bestaat geen wezenlijk verschil met de situatie die aan de orde was in Hoge Raad 5 juni 2009 (zie Hoge Raad 12 april 2019).10 [appellante] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die aanleiding geven om te komen tot een andere schadeverdeling dan bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2009. Uit het voorgaande volgt dat [appellante] op dit punt geen vordering op Dexia heeft.

doorgeven van effectenorders (principaal appel)

5.13.

Het betoog van [appellante] dat Vero effectenorders doorgaf gaat evenmin op, omdat de activiteiten van Vero in naam van Dexia zijn verricht en Vero reeds daarom niet als orderremisier is aan te merken. Ook op dit punt heeft [appellante] geen vordering op Dexia.

het overtreden van het verbod op cold calling (principaal appel)

5.14.

Naar het oordeel van het hof kan [appellante] ook geen afwijking van het hofmodel ontlenen aan haar stelling dat Dexia het verbod op cold calling heeft overtreden. [appellante] heeft na – in haar perceptie door middel van cold calling – door Dexia te zijn benaderd en geadviseerd, belangstelling getoond voor het aangaan van een effectenleaseovereenkomst met Dexia.11 Het hof overweegt dat het hier om een vergelijkbaar geval gaat als in Hoge Raad 12 april 2019.12 In dat arrest is geoordeeld dat wanneer een afnemer door Vero (Dexia) is benaderd, die situatie niet wezenlijk verschilt van die welke aan de orde was in Hoge Raad 5 juni 2009 en om die reden geen afwijking gerechtvaardigd is van het hofmodel op de voet van Hoge Raad 2 september 2016.

5.15.

Het vorenstaande brengt mee dat de tweede grief in al zijn onderdelen faalt en dat [appellante] ook op dit punt geen vordering op Dexia heeft.

buitengerechtelijke kosten (principaal appel)

5.16.

Met grief 4 richt [appellante] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat Dexia buitengerechtelijke kosten is verschuldigd. Deze grief faalt. In de rechtspraak is beslist dat de door Leaseproces voor [appellante] verrichte werkzaamheden – advisering over de kansen en mogelijkheden van een schikking of procedure in verband met de Duisenberg-regeling, de arresten van het gerechtshof Amsterdam en van de Hoge Raad uit 2009 en de relevante rechtspraak nadien en het opstellen en versturen van de opt-out verklaring, een sommatiebrief en brieven ter stuiting van de verjaring – niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen.13 Datzelfde geldt ook voor de overige door [appellante] genoemde werkzaamheden, nu ook dat werkzaamheden zijn die moeten worden verricht ter voorbereiding van een procedure en die derhalve onder artikel 6:96 lid 2 BW (oud) en artikel 241 Rv vallen. Mocht [appellante] in de toekomst (alsnog) redelijke kosten moeten maken om voldoening van haar vordering te verkrijgen, dan staat het onderhavige arrest er niet in de weg dat Dexia die redelijke kosten aan [appellante] verschuldigd zal zijn.

opzegging overeenkomst (incidenteel appel)

5.17.

In de eerste incidentele grief komt Dexia op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] nog een vordering op haar heeft van € 668,12 in verband met na de opzegging van de overeenkomst door [appellante] ten onrechte in rekening gebrachte termijnen. Volgens [appellante] heeft zij de overeenkomst door middel van de onder 3.3 genoemde brief van 15 februari 2006 opgezegd. Vaststaat dat [appellante] niet, zoals door Dexia is gevraagd in de onder 3.4 genoemde brief, bij de opzegging gebruikt heeft gemaakt van het door Dexia genoemde beëindigingsformulier. Dexia heeft betoogd dat de overeenkomst pas op 15 augustus 2006 is geëindigd.

5.18.

Ingevolge artikel 3 van de overeenkomst kan de lessee de overeenkomst na 60 maanden dagelijks met onmiddellijke ingang en zonder annuleringskosten beëindigen, onder betaling of verrekening van de restant-hoofdsom op dat moment. In de overeenkomst en de bijbehorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease (hierna: de bijzondere voorwaarden) wordt wat betreft de wijze waarop een opzegging door [appellante] dient te geschieden niets vermeld. Onder randnummer 15 van de bijzondere voorwaarden worden de Algemene Voorwaarden van Legio-Lease (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing verklaard. Dexia heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij bevoegd is om van [appellante] een beëindigingsformulier te verlangen verwezen naar de volgens haar destijds geldende volgende bepaling (artikel 9) uit de algemene voorwaarden: “De bank is bevoegd om opdrachten niet uit te voeren indien bij het geven van die opdracht geen gebruik is gemaakt van door de bank vastgestelde of goedgekeurde formulieren of van andere door de bank goedgekeurde informatiedragers of communicatiemiddelen. De bank kan verlangen dat mededelingen in een bepaalde vorm worden gedaan.” Uit deze bepaling blijkt dat het gaat om een discretionaire bevoegdheid van de bank en dat zij niet verplicht is om voor te schrijven dat mededelingen in een bepaalde vorm worden gedaan. De algemene voorwaarden geven voorts niet weer hoe de bank aan deze bevoegdheid concreet invulling zal geven. Gelet daarop had het op de weg van Dexia gelegen om met [appellante] bij of voor het sluiten van de overeenkomst met [appellante] kenbaar overeen te komen dat tussentijdse beëindiging alleen mogelijk was door middel van een voorgeschreven beëindigingsformulier. Dat heeft Dexia nagelaten. De algemene voorwaarden bieden Dexia niet de ruimte om [appellante] achteraf een dergelijke verplichting op te leggen. Nu in artikel 3 van de overeenkomst geen specifieke vorm van opzegging is voorgeschreven, gaat het hof ervan uit dat de overeenkomst reeds door de opzegging van [appellante] van 15 februari 2006 is geëindigd. Dat sprake is van een standaardbrief van Leaseproces die door Leaseproces in die periode in een groot aantal zaken aan Dexia is verzonden maakt dat, anders dan Dexia stelt, niet anders. Voorts gaat de stelling van Dexia dat de volmacht van Leaseproces om [appellante] te vertegenwoordigen niet toereikend was niet op. Op basis van de volmacht was Leaseproces bevoegd om namens [appellante] onder meer correspondentie met Dexia te voeren. Daarnaast staat als onbetwist vast dat [appellante] de brief waarbij de overeenkomst is opgezegd tijdens zijn intakegesprek bij Leaseproces heeft gezien en daarmee heeft ingestemd. Daarom heeft [appellante] nog een vordering op Dexia in verband met ten onrechte in rekening gebrachte termijnen over de periode 15 februari 2006 tot 15 augustus 2006. Tegen de door de kantonrechter vastgestelde hoogte van deze vordering van € 668,12 is in hoger beroep niet opgekomen, zodat de hoogte van de vordering vaststaat. Gelet op het voorgaande faalt de eerste incidentele grief. Aan de voorwaarde voor de door Dexia in hoger beroep ingestelde eiswijziging is daardoor niet voldaan, zodat het hof dient uit te gaan van de – gewijzigde – vordering van Dexia in eerste aanleg waarop ook de kantonrechter recht heeft gedaan.

advisering door Dexia (incidenteel appel)

5.19.

In de tweede incidentele grief heeft Dexia gesteld dat de kantonrechter in het tussenvonnis ten onrechte heeft overwogen dat het hofmodel evenmin van toepassing is indien sprake is van onjuiste advisering door de aanbieder van het effectenleaseproduct zelf en de afnemer als gevolg van die bewuste advisering de overeenkomst is aangegaan. De grief is, zoals hiervoor onder 5.12 overwogen, terecht voorgesteld, maar sorteert geen effect, doordat het slagen daarvan niet leidt tot een wijziging in het eindoordeel dat door de kantonrechter is gegeven.

proceskosten (principaal appel)
5.20. Met de grief onder 46 e.v. van de memorie van grieven (hierna: grief 5) heeft [appellante] betoogd dat de kantonrechter haar ten onrechte in de proceskosten heeft veroordeeld. Aangezien uit het voorgaande volgt dat de bestreden vonnissen in stand blijven, gaat ook deze laatste grief niet op.

6 De slotsom

6.1.

Het principaal hoger beroep faalt. Het incidenteel hoger beroep slaagt gedeeltelijk, maar leidt niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen. De vonnissen waarvan beroep zullen worden bekrachtigd.

in het principaal hoger beroep

6.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het principaal hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in het principaal hoger beroep aan de zijde van Dexia zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 726,-

- salaris advocaat € 1.611,- (1,5 punten x tarief II).

6.3.

Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

in het incidenteel hoger beroep

6.4.

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof Dexia in de kosten van het incidenteel hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in het incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op € 537,- (1/2 x 1 punt x € 1.074) aan salaris advocaat.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter in rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 november 2015, 6 april 2016 en 22 februari 2017;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Dexia vastgesteld op € 726,- voor griffierecht en op € 1.611,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

veroordeelt Dexia in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] vastgesteld op € 537,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, L. Janse en L.R. van Harinxma thoe Slooten en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 september 2020.

1 Gerechtshof Amsterdam 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033.

2 Hoge Raad 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837 en Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815.

3 Gerechtshof Amsterdam 1 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK:4978, BK4981, BK4982 en BK4983.

4 Hoge Raad 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4003.

5 Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590 en Hoge Raad 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:809.

6 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 mei 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4120 en 17 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6551.

7 Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

8 Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 en ECLI:NL:HR:2016:2015 en 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.

9 Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 en bevestigd in Hoge Raad 10 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.

10 Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815 en Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590 onder 4.3.4.

11 Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

12 Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

13 Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.