Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7231

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
200.250.177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvangers van onverschuldigde betaling hoofdelijk verbonden tot terugbetaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.250.177

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 322761)

arrest van 15 september 2020

in de zaak van:

1 [appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

2 [appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna: [appellanten] ,

advocaat: mr. R.P.G. Schelvis,

tegen:

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DS Petcare B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2 de naamloze vennootschap Value8 N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eiseressen,

hierna: Petcare en Value8, en gezamenlijk Petcare c.s.,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van de procedure tot 9 januari 2019 verwijst het hof naar het arrest dat op die datum is gewezen. De bij dat arrest gelaste comparitie van partijen heeft op eenstemmig verzoek van partijen geen doorgang gevonden.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord (met producties);

- de H-formulieren waarmee partijen op de rol van 26 mei 2020 in antwoord op een brief van het hof van 29 april 2020 (verstuurd in verband met Covid-19) vragen om schriftelijke afdoening.

1.3

Vervolgens hebben Petcare c.s. arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de feiten, zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.10) van het bestreden eindvonnis van 23 mei 2018, (hierna ook kortweg te noemen: het eindvonnis). Voor zover met grieven 1 en 2 wordt geklaagd dat de feitenvaststelling onvolledig is, overweegt het hof dat de rechter niet gehouden is alle vaststaande feiten in zijn vonnis te vermelden maar alleen die waarop zijn beslissing berust. Bij de verdere beoordeling zal het hof, voor zover dat voor de beslissing relevant is, betrekken wat in de toelichting op grieven 1 en 2 is aangevoerd. Voor zover met grief 3 wordt opgekomen tegen het door de rechtbank in rechtsoverweging 2.8 van het eindvonnis opgenomen feit, is die grief niet van een toelichting voorzien en gaat het hof daaraan voorbij.

3 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

[appellanten] zijn niet-ontvankelijk in hun hoger beroep van het (niet bestaande) vonnis van 5 juni 2017. Ook kunnen zij niet worden ontvangen in het hoger beroep van het vonnis van 13 september 2017 (bij gebrek aan daartegen gerichte grieven) en het vonnis van 22 november 2017 (gelet op artikel 131 Rv, laatste zin).

4 Het geschil, de eerste aanleg en de beoordeling in hoger beroep

4.1

De kern van het geschil komt hierop neer.

4.1.1

[appellanten] zijn bestuurder respectievelijk werknemer van Roderlo Petfood B.V. (hierna: Roderlo) Tussen enerzijds Petcare c.s. en anderzijds Roderlo en [appellanten] (hierna gezamenlijk: Roderlo c.s.) is geprocedeerd over een geschil inzake, kort gezegd, de intellectuele eigendom van dierverzorgingsproducten en diervoederproducten en aanverwante onderwerpen. In dat geschil zijn bij vonnis van 20 november 2013 van de rechtbank Gelderland de vorderingen van Petcare c.s. in conventie afgewezen en zijn Petcare c.s. in reconventie veroordeeld tot vergoeding van de schade die Roderlo c.s. hebben geleden als gevolg van de door Petcare c.s. gelegde conservatoire beslagen, de tenuitvoerlegging door Petcare c.s. van een ex parte bevel, de "onrechtmatige kaping van hun telefoonnummer" en "diverse andere daden van oneerlijke concurrentie" ten bedrage van € 86.174,10. Petcare c.s. zijn verder in conventie en in reconventie veroordeeld in de proceskosten, door de rechtbank aan de zijde van Roderlo c.s. begroot op één gezamenlijk bedrag van € 39.676,88.

4.1.2

Bij brief van 21 november 2013 aan de advocaat van Petcare c.s. heeft de toenmalige advocaat van Roderlo c.s., mr. Overdijk, onder verwijzing naar het vonnis van 20 november 2013 verzocht om het totaal van genoemde bedragen (€ 125.850,98) vermeerderd met nakosten van € 205,-, te weten: € 126.055,98, over te maken op zijn derdengeldrekening. Value8 N.V. heeft vervolgens dit bedrag op 28 november 2013 op de derdengeldrekening van mr. Overdijk overgemaakt. In het door Petcare c.s. tegen het vonnis ingestelde hoger beroep heeft het hof het vonnis van 20 november 2013 vernietigd en, voor zover van belang, de vorderingen in (oorspronkelijk) conventie en (oorspronkelijk) reconventie gedeeltelijk toegewezen en verder afgewezen (waaronder die tot betaling van € 86.174,10), met compensatie van de proceskosten in beide instanties.

4.2

In deze procedure vorderen Petcare c.s. (voor zover in dit hoger beroep van belang) op grond van (primair) onverschuldigde betaling terugbetaling van het door hen uit hoofde van het vonnis van 20 november 2013 betaalde bedrag van (naar zij eisen:) € 125.941,98 vermeerderd met rente. De rechtbank heeft die vordering toegewezen tot een bedrag van € 125.850,98 vermeerderd met rente. [appellanten] zijn het er niet mee eens dat zij naast Roderlo door de rechtbank tot deze terugbetaling zijn veroordeeld. De door hen aangevoerde grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.3

Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat vanwege de vernietiging door het hof van het vonnis van 20 november 2013 de grondslag aan de betaling van € 126.055,98 is komen te ontvallen en dat dit bedrag daarom op grond van onverschuldigde betaling kan worden teruggevorderd. Door [appellanten] is verder niet bestreden dat die vordering toekomt aan zowel Value8 N.V. als DS Petcare B.V., hoewel de betaling feitelijk alleen is verricht door Value8 N.V. Daarom zal ook het hof daarvan uitgaan.

4.4

[appellanten] stellen zich op het standpunt (i) dat de onverschuldigde betaling niet mede aan hen is gedaan maar alleen aan Roderlo en (ii) subsidiair, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat het betaalde bedrag van hen (althans van [appellant] ) wordt teruggevorderd. Het hof volgt [appellanten] niet in deze standpunten en overweegt daartoe als volgt.

4.5

Ter onderbouwing van hun primaire standpunt stellen [appellanten] dat in de gevoerde procedure die (in eerste aanleg) is geëindigd met het vonnis van 20 november 2013 de vordering in reconventie tot vergoeding van de schade als gevolg van de door Petcare c.s. gelegde conservatoire beslagen, de tenuitvoerlegging door Petcare c.s. van een ex parte bevel, de "onrechtmatige kaping van het telefoonnummer" en "diverse andere daden van oneerlijke concurrentie” alleen is ingesteld door Roderlo en niet tevens door [appellanten] . Voor zover in het petitum van de conclusie van eis in reconventie in die procedure soms ook de meervoudsvorm is gebruikt, berustte dat op een verschrijving, aldus [appellanten] . Het hof overweegt dat ook al was (de bedoeling dat) de eis in reconventie alleen door Roderlo (werd) ingesteld, dat onverlet laat dat de rechtbank de vordering heeft opgevat als ingesteld door Roderlo c.s. (waaronder de rechtbank begreep: Roderlo en [appellanten] ) en die vordering aan hen gezamenlijk heeft toegewezen, net zoals de rechtbank de proceskostenveroordeling aan Roderlo c.s. heeft toegewezen. Aangetekend wordt dat in hoger beroep Roderlo c.s. (dus inclusief [appellanten] ) geconcludeerd hebben tot bekrachtiging, dat ook het hof er vanuit is gegaan dat de vordering in eerste aanleg was ingesteld door Roderlo c.s. (zie o.a. rov. 4.1 van het arrest van 17 oktober 2015) en het hof in (oorspronkelijk) reconventie Petcare c.s. heeft veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan Roderlo c.s. (zij het op beperktere grondslag en onder verwijzing naar de schadestaatprocedure).

4.6

[appellanten] stellen voorts dat na het toewijzend vonnis alleen Roderlo aanspraak heeft gemaakt op nakoming van de betalingsverplichting uit hoofde van dat vonnis. Het hof volgt hen daarin niet. Daags na het vonnis heeft mr. Overdijk, die in de rechtbankprocedure optrad voor zowel Roderlo als [appellanten] , bij brief van 21 november 2013 aan de advocaat van Petcare c.s. gevraagd om te voldoen aan de "uit het vonnis blijkende betalingsverplichting", meer concreet: betaling van € 126.055,98. Weliswaar schrijft mr. Overdijk in deze brief "Uw cliënte is daarbij veroordeeld tot betaling aan mijn cliënte" maar uit die woorden blijkt niet dat alleen namens Roderlo aanspraak wordt gemaakt op betaling en niet tevens namens [appellant] en Roderlo. Ook zij waren immers "cliënten" van mr. Overdijk (waarover hieronder meer) en de veroordeling was, zoals hiervoor overwogen, mede ten gunste van hen gegeven. De brief bevat geen aanknopingspunten waaruit volgt dat mr. Overdijk met zijn verwijzing naar "mijn cliënte" slechts refereerde aan één van zijn cliënten, meer specifiek: Roderlo. Dit geldt temeer nu mr. Overdijk ook de wederpartij in enkelvoud aanduidt met "uw cliënte" terwijl vaststaat dat DS Petcare B.V. en Value8 N.V beide tot betaling zijn veroordeeld.

4.7

[appellanten] stellen ten slotte dat zij geen opdrachtgever waren van mr. Overdijk. Het hof volgt hen daarin niet. Ook indien mr. Overdijk door Roderlo is ingeschakeld en betaald, laat dat onverlet dat dit mede namens [appellant] en [appellant] moet zijn geschied, nu ook zij zich door mr. Overdijk in en buiten rechte hebben laten vertegenwoordigen. Zo zijn zij ter comparitie in eerste aanleg verschenen en hebben zij zich daar laten bijstaan door mr. Overdijk. Ook in de appelprocedure heeft hij hen vertegenwoordigd. Uit niets blijkt dat mr. Overdijk zich in de periode tussen het vonnis en het instellen van het hoger beroep als advocaat van [appellanten] had onttrokken, dan wel alleen optrad voor Roderlo. Op verzoek van mr. Overdijk heeft betaling plaatsgevonden op diens derdengeldrekening. Mr. Overdijk was uit hoofde van zijn hoedanigheid van advocaat bevoegd betalingen voor zijn cliënten in ontvangst te nemen. Daarmee staat vast dat zowel Roderlo als [appellanten] ontvangers van de betaalde gelden zijn. Dat wordt niet anders doordat [appellanten] , naar zij stellen, niet geweten zouden hebben dat hun advocaat de brief van 21 november 2013 verstuurde en ook niet doordat de ontvangen bedragen vervolgens alleen ten behoeve van Roderlo zouden zijn aangewend (waarover hieronder meer).

4.8

Daarmee sneuvelt het primaire standpunt van [appellanten] . Hun subsidiaire standpunt dat terugvordering ten opzichte van hen, althans ten opzichte van [appellant] , naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (althans voor 2/3e deel van de advocaat- en proceskostenvergoeding) steunt, samengevat op de volgende argumenten:

  1. [appellant] was slechts werknemer van Roderlo en niet bevoegd Roderlo te vertegenwoordigen en mr. Overdijk instructies te geven;

  2. [appellanten] waren geen opdrachtgever van mr. Overdijk en hoeven daarom niet voor zijn eventuele fout op te draaien;

  3. [appellanten] hebben niet geprofiteerd van de betaling door Petcare c.s.;

  4. [appellanten] hebben geen regresmogelijkheid op Roderlo. Roderlo is niet meer actief en beschikt niet over eigen vermogen;

  5. [appellanten] zijn, zo blijkt uit het arrest van het hof van 17 november 2015, ten onrechte door Petcare c.s. in de procedure betrokken.

  6. Het is aan Petcare c.s. te wijten dat het tot een onverschuldigde betaling is gekomen, door bij de rechtbank geen verweer te voeren tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad, in hoger beroep geen incident op te werpen om alsnog schorsende werking van het appel te bewerkstellingen en ook geen executie kort geding te starten.

4.9

Het hof stelt voorop dat terughoudendheid is geboden als het gaat om de vraag of een vordering tot nakoming (in dit geval: van een verbintenis uit hoofde van onverschuldigde betaling) moet worden afgewezen omdat toewijzing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Wat betreft de door [appellanten] aangevoerde omstandigheden is het volgende van belang.

(Ad a en b). Hiervoor is al overwogen dat ook indien mr. Overdijk door Roderlo is ingeschakeld en betaald, dat onverlet laat dat ook [appellant] en [appellant] zich in en buiten rechte door hem hebben laten vertegenwoordigen.

(Ad c en d). De stelling dat [appellanten] niet hebben geprofiteerd van de betaling door Petcare c.s. is door Petcare c.s. betwist. Zij wijzen erop dat [appellanten] op zijn minst indirect hebben geprofiteerd. Echter ook als bedoelde stelling juist zou zijn, dan doet dat er niet aan af dat mede aan [appellanten] onverschuldigd is betaald. Als ontvangers zijn zij hoofdelijk gehouden tot terugbetaling. De omstandigheid dat regres op Roderlo niet mogelijk zou zijn, regardeert Petcare c.s. niet. De consequentie zou anders zijn dat onvermogen van Roderlo voor risico van Petcare c.s. zou komen waarmee de hoofdelijke verbondenheid van [appellanten] voor de schuld feitelijk geen betekenis zou hebben.

(Ad e). [appellanten] stellen op zichzelf terecht dat zij volgens het arrest van het hof (zie rechtsoverwegingen 4.30 en volgende van het arrest van 17 oktober 2015) niet in privé aansprakelijk zijn voor de door Petcare c.s. geleden schade. Het hof heeft echter wel de door Petcare c.s. (in conventie) ingestelde verbodsactie toegewezen tegen Roderlo c.s. (dus inclusief [appellanten] ) en hen ook in reconventie als partijen aangemerkt. Petcare c.s. hebben zich beroepen op het gezag van gewijsde van dit arrest (MvA onder 10), waarmee de bindende kracht van die beslissing ook in dit geding tussen partijen geldt.

(Ad f). Volgens vaste rechtspraak handelden Roderlo c.s. op eigen risico door nakoming van het vonnis te eisen en te dreigen met executie, in die zin dat in geval van latere vernietiging van het veroordelend vonnis de afgedwongen betaling als onverschuldigd kan worden teruggevorderd en vergoeding van eventuele geleden schade op grond van onrechtmatige daad verschuldigd zou zijn. [appellanten] draaien dit ten onrechte om.

4.10

Mede gelet op wat hiervoor (onder 4.9 ad a tot en met f) is overwogen, is het hof van oordeel dat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen van [appellanten] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

5 De slotsom

[appellanten] zijn niet-ontvankelijk in het hoger beroep van de vonnissen van 5 juni 2017, 13 september 2017 en 22 november 2017. Het hoger beroep tegen het eindvonnis van 23 mei 2018 is ongegrond. De vordering tot terugbetaling van hetgeen [appellanten] op grond van het eindvonnis hebben betaald, is gelet op deze uitkomst niet toewijsbaar. [appellanten] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten in hoger beroep worden aan de zijde van Petcare c.s. tot op heden vastgesteld als volgt:

- € 5.270,- aan verschotten (griffierecht) en € 3.161,- (1 punt in appeltarief V) aan salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in het hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Gelderland (zittingsplaats Arnhem) van 5 juni 2017, 13 september 2017 en 22 november 2017;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland (zittingsplaats Arnhem) van 23 mei 2018;

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Petcare c.s. vastgesteld als volgt: € 5.270,- aan verschotten en € 3.161,- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de daarin vervatte proceskostenveroordeling;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. R.A. Dozy en mr. H.L. Wattel, ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 september 2020.