Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7230

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
200.248.787
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil eindafrekening bosbouwproject

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.248.787

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 274888)

arrest van 15 september 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Veluwe Groen B.V.,

gevestigd te Otterlo,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Veluwe Groen,

advocaat: mr. C.J. van Dijk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Ten Berge Bosbouwtechniek B.V.,

gevestigd te Exloo,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Ten Berge,

advocaat: mr. A.K. Doornbosch,

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 10 maart 2020 hier over. Naar aanleiding daarvan heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden op 26 augustus 2020, waarvan de griffier aantekening heeft gehouden.

1.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 t/m 2.18 van het vonnis van 16 september 2015.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende.

DLG heeft Veluwe Groen in 2013 (na inschrijving op een onderhandse aanbesteding) opdracht gegeven tot bosbouwwerkzaamheden, die Veluwe Groen deels zelf heeft uitgevoerd en voor een ander deel aan Ten Berge heeft opgedragen. Veluwe Groen en Ten Berge zijn het er niet over eens welke prijs zij daarvoor onderling zijn overeengekomen, in het bijzonder wat betreft het (omvangrijke) meerwerk dat Ten Berge heeft verricht. DLG heeft tegenover Veluwe Groen tegen twee meerwerkposten bezwaar gemaakt, waarna Veluwe Groen met instemming van Ten Berge een korting op de eindafrekening heeft verleend.

In deze procedure tussen Veluwe Groen en Ten Berge is in geschil welke afspraken zij bij aanvang van de werkzaamheden hebben gemaakt en welk bedrag op basis daarvan nog door Veluwe Groen aan Ten Berge verschuldigd is. Of partijen al dan niet daarover definitief afspraken hebben gemaakt op 3 november 2014, de dag waarop Veluwe Groen en Ten Berge met DLG in een hotel in Apeldoorn besprekingen hebben gevoerd, is een ander geschilpunt.

3.2

De rechtbank heeft, na bewijslevering -kort gezegd- geoordeeld dat Veluwe Groen niet heeft bewezen dat partijen op 3 november 2014 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten over het nog aan Ten Berge verschuldigde bedrag. Ten Berge heeft naar het oordeel van de rechtbank evenmin het haar opgedragen bewijs geleverd dat zij dezelfde prijsafspraken met Veluwe Groen heeft gemaakt als Veluwe Groen met DLG, inclusief de aanvullende afspraken van 10 juli 2013, zonder enig recht van Veluwe Groen op verdeling van de meerwerkopbrengsten.

De rechtbank heeft aan de hand van de stellingen van partijen vervolgens de verschillende posten beoordeeld en is in het eindvonnis tot de conclusie gekomen dat Veluwe Groen Ten Berge nog € 319.167,15 inclusief BTW verschuldigd was, waarvan € 219.010 inclusief BTW naar aanleiding van door Veluwe Groen onder DLG gelegd derdenbeslag al was betaald. De rechtbank heeft daarom Veluwe Groen veroordeeld om € 100.157,15 (inclusief BTW) aan Ten Berge te betalen, met rente en kosten.

3.3

Veluwe Groen heeft tegen de vonnissen van de rechtbank een aantal bezwaren gericht (grief I t/m V). Ook heeft zij gevorderd te verklaren voor recht dat Ten Berge door het instellen van haar vordering misbruik van procesbevoegdheid heeft gemaakt en aansprakelijk is voor de schade als gevolg daarvan. Ten Berge heeft op de bezwaren van Veluwe Groen gereageerd. Verder heeft ook Ten Berge een aantal bezwaren tegen de vonnissen gericht (grief I t/m III in het incidenteel appel), waarop Veluwe Groen bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft gereageerd.

3.4

Het hof komt in dit arrest tot de conclusie dat de grieven in het principaal appel falen en de grieven in het incidenteel appel gedeeltelijk slagen. Het hof zal hierna uitleggen hoe het tot dit oordeel komt. Het hof zal hierna allereerst grief II in het principaal appel bespreken. De overige grieven in het principaal en incidenteel appel brengen mee dat het hof vervolgens de in r.o. 2.7 t/m 2.11 van het eindvonnis weergegeven berekening beoordeelt.

3.5

Grief II in het principaal appel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Veluwe Groen niet heeft bewezen dat partijen op 3 november 2014 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten met de door Veluwe Groen gestelde inhoud, namelijk dat partijen met elkaar zouden afrekenen op basis van het als productie 4 bij dagvaarding overgelegde handgeschreven overzicht dat Veluwe Groen heeft opgesteld. (r.o. 2.5 tussenvonnis van 11 januari 2017).

Deze grief faalt. Ook naar het oordeel van het hof heeft Veluwe Groen het opgedragen bewijs niet geleverd. Het hof verwijst in dit verband naar wat de rechtbank daarover heeft overwogen in r.o. 2.1 t/m 2.4 van het tussenvonnis van 11 januari 2017.

De omstandigheid dat [getuige] geen belang had bij de onderhandelingen en dus als onafhankelijke en onpartijdige getuige moet worden beschouwd, doet er niet aan af dat uit zijn verklaring niet met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat Ten Berge er daadwerkelijk mee heeft ingestemd om met elkaar af te rekenen conform het handgeschreven overzicht van Veluwe Groen. Het hof vindt daarvoor onvoldoende dat de vergadering met DLG op 3 november 2014 vaak is geschorst en partijen dan met elkaar spraken over de onderlinge consequenties van de uitkomst van het gesprek met DLG, dat klare taal is gesproken, bedragen van ca. 180.000 en 220.000 zijn genoemd, dat fysieke papieren aanwezig waren op basis waarvan werd gesproken, of dat [getuige] had begrepen dat over de onderlinge afspraken/consequenties helderheid bestond. Zelfs als wordt aangenomen dat Ten Berge als getuige ten onrechte zou hebben verklaard dat hij het handgeschreven overzicht van Veluwe Groen niet eerder had gezien, brengt die omstandigheid nog niet mee dat hij met de daarin neergelegde berekening op 3 november 2014 ook daadwerkelijk heeft ingestemd.

Ook wat Mr van Dijk als advocaat van Veluwe Groen hierover bij memorie van grieven uit eigen waarneming heeft verklaard is voor dat oordeel onvoldoende. Nu de met DLG op 3 november 2014 overeengekomen korting van 20% op de meerwerkposten ook door Ten Berge aan Veluwe Groen is verleend, is zonder nadere uitleg overigens onvoldoende verklaard waarom Veluwe Groen, zoals zij stelt, de vaststellingsovereenkomst met DLG niet zou hebben gesloten wanneer niet ook met Ten Berge overeenstemming over de verdeelsleutel zou zijn bereikt.

Nu Veluwe Groen onvoldoende specifiek heeft benoemd wat [getuige] of enige andere getuige nog meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij bij de getuigenverhoren bij de rechtbank al hebben gedaan, zal Veluwe Groen niet worden toegelaten tot het leveren van nader bewijs op dit punt. Grief II mist dus doel.

Grief I in het principaal appel treft hetzelfde lot voor zover Veluwe Groen daarmee heeft bedoeld aan te voeren dat Veluwe Groen en Ten Berge op 3 november 2014 definitieve afspraken hebben gemaakt met betrekking tot de verdeling van € 309.699,67, het bedrag dat DLG naar aanleiding van de vaststellingsovereenkomst met Veluwe Groen heeft betaald. Uit r.o. 3.8 hierna zal blijken dat Grief I evenmin doel treft voor zover Veluwe Groen daarmee heeft bedoeld dat de rechtbank bij de berekening in r.o. 2.8 van het eindvonnis van het bedrag van € 309.699,67 had moeten uitgaan.

3.6

Nu de gestelde vaststellingsovereenkomst tussen Veluwe Groen en Ten Berge niet komt vast te staan, moet het door Veluwe Groen nog aan Ten Berge verschuldigde bedrag aan de hand van de stellingen over en weer worden vastgesteld.

Ten Berge heeft bij inleidende dagvaarding een bedrag van € 536.596,06 gevorderd en heeft ter onderbouwing van dit bedrag verwezen naar de prijzen in haar als productie 1 overgelegde offerte. Ten Berge heeft gesteld dat dezelfde afspraken voor meer-en minderwerk zouden gelden als tussen Veluwe Groen en DLG, welke afspraken blijken uit de verslaglegging van de bespreking tussen DLG, Veluwe Groen en Ten Berge van 18 juli 2013 (productie 2 inleidende dagvaarding). Volgens Ten Berge zouden daarop geen bedragen in mindering komen als gevolg van een afspraak om winst uit meerwerk te verdelen.

Veluwe Groen heeft deze afspraak op zichzelf niet betwist en heeft dus als verweer niet aangevoerd dat andere prijzen waren afgesproken of dat andere afspraken over meer- en minderwerk waren gemaakt. Wel heeft Veluwe Groen aangevoerd dat partijen daarnaast een afspraak hebben gemaakt om het (door Veluwe Groen en Ten Berge al vóór aanvang van de werkzaamheden gesignaleerde) voordeel te verdelen dat zou voortvloeien uit het (aan DLG te declareren) meerwerk met betrekking tot het (uitrijden en chippen van) incourant hout. Het hof begrijpt uit hetgeen Veluwe Groen heeft aangevoerd dat zij het bedrag waarop zij op grond van de gestelde verdelingsafspraak recht heeft, zou mogen verrekenen met de door Ten Berge in rekening te brengen werkzaamheden. Ten Berge heeft betwist dat een dergelijke verdelingsafspraak is gemaakt.

3.7

Ten Berge is in eerste aanleg toegelaten tot het bewijs van haar stellingen omtrent de afspraken die zij aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. Zij is er niet in geslaagd te bewijzen dat zij recht heeft op betaling van de door haar geoffreerde bedragen zonder dat daarmee enig bedrag moet worden verrekend op grond van een (nadere) verdelingsafspraak. Bij memorie van antwoord heeft Ten Berge erkend dat [persoon X] hem bij aanvang van de werkzaamheden heeft gezegd een verdeling te willen afspreken, terwijl Ten Berge bovendien op de comparitie in hoger beroep heeft verklaard dat hij [persoon X] had toegezegd dat hij hem wat zou ‘toeschuiven’. Voor zover Ten Berge in hoger beroep in de grieven I en II heeft volhard in zijn betwisting dat enige verdelingsafspraak is gemaakt, is dat in het licht van het voorgaande onvoldoende toegelicht gebleven.

3.8

Met betrekking tot de inhoud van de verdelingsafspraak waarop Veluwe Groen zich beroept rusten stelplicht en bewijslast op Veluwe Groen. Ter onderbouwing daarvan heeft Veluwe Groen gewezen op het handgeschreven verdelingsvoorstel van [persoon X] dat volgens zijn stellingen aan Ten Berge is uitgereikt bij de bespreking op 3 november 2014 (zie productie 4 inleidende dagvaarding). Dat in ieder geval een substantiële verdeling zou plaatsvinden blijkt volgens Veluwe Groen verder ook uit het verdelingsvoorstel van 1 november 2014 van de hand van Ten Berge (productie 2 conclusie van antwoord).

Voor de vaststelling van de inhoud van de verdelingsafspraak is van belang wat partijen over en weer op grond van elkaars verklaringen en gedragingen mochten verwachten.

In dit verband kent het hof belangrijk gewicht toe aan het emailbericht van Ten Berge van zaterdag 1 november 2014 (productie 1 bij conclusie van antwoord). Daarin staat:

‘onderwerp: afrekening Overasselt

(...)

in de spreadsheet in de bijlage hebben wij een overzicht gemaakt, met daarin ook een

voorstel tot afrekening tussen ons. Kijk er maar even goed naar en laat maar even horen

hoe je hier tegenaan kijkt. Kijk er even kritisch naar, we hebben het naar eer en geweten

uitgerekend maar kunnen natuurlijk ook dingen anders zien. Er staan allerlei formules in.

Het schikkingspercentage kun je aanpassen, staat nu op schikken voor 80%. Wanneer je dit

percentage verandert zie je gelijk het resultaat eronder veranderen.’√

Ten Berge heeft bij deze mail een spreadsheet gevoegd, waaruit blijkt dat Ten Berge destijds zelf is uitgegaan van een verdeling van € 341.263,50 (de som van de posten waarover met DLG nog overeenstemming moest worden bereikt) in de verhouding 45%/55%.

3.9

Ten Berge heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die, ondanks de inhoud van genoemde mail met bijgevoegd spreadsheet, de conclusie rechtvaardigen dat Veluwe Groen niet heeft mogen verwachten dat ten minste een verdeling zou plaatsvinden van de som van € 341.263,50 volgens de door Ten Berge voorgestelde verhouding. In zoverre komt de gestelde verdelingsafspraak dan ook vast te staan. Voor zover Veluwe Groen heeft gesteld dat de verdelingsafspraak betrekking had op een ander bedrag dan het door Ten Berge genoemde bedrag van € 341.263,50 (de som van de door Ten Berge uitgevoerde posten 2.2.4c met betrekking tot ‘uitrijden incourant hout’), heeft Veluwe Groen dit tegenover de stellingen van Ten Berge onvoldoende onderbouwd. Grief I in het principaal appel mist in dit opzicht dus doel, evenals grief IV. Grief III in het incidenteel appel slaagt in zoverre.

Hierna wordt in de berekening aldus als vertrekpunt uitgegaan van een te verdelen bedrag van € 341.263,50, met een verdeelsleutel 50%/50%, nu Ten Berge geen voldoende duidelijke grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Ten Berge onvoldoende heeft toegelicht dat van een verdeelsleutel 45/55% moest worden uitgegaan.

3.10

Wat de berekening betreft is het hof verder van oordeel dat Ten Berge de post van € 12.500 ook in hoger beroep niet voldoende concreet heeft onderbouwd. Op de comparitie in hoger beroep heeft Ten Berge bovendien toegelicht dat dit bedrag ziet op werkzaamheden die later niet uitgevoerd bleken te hoeven worden, zodat voor wat betreft de vraag welk bedrag nog openstond voorafgaand aan de discussie met DLG over de posten 2.2.4c, hierna wordt uitgegaan van een nog openstaand bedrag van € 157.957 (en niet van het door Ten Berge genoemde bedrag van € 170.457, waarin de onvoldoende onderbouwde post van € 12.500 is opgenomen).

3.11

Grief III in het principaal appel is gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de door Veluwe Groen opgevoerde post van € 100.000, die zij op het door Ten Berge gevorderde bedrag in mindering wenst te brengen. Ook die grief mist doel.

Veluwe Groen heeft namelijk ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd dat Ten Berge aan haar een bedrag van € 100.000 verschuldigd is vanwege ten behoeve van beide partijen gemaakte kosten, althans voor door Veluwe Groen voor Ten Berge uitgevoerde werkzaamheden. Het had op de weg van Veluwe Groen gelegen om specifiek aan te geven welke werkzaamheden door wie wanneer zijn uitgevoerd en om welke kosten het gaat die ten behoeve van beide partijen zijn gemaakt. Dat heeft Veluwe Groen nagelaten. Veluwe Groen heeft zelfs niet voldoende specifiek gereageerd op het verweer van Ten Berge op dit punt dat het bedrag waarmee Ten Berge haar vordering heeft verminderd (€ 30.000) zou zien op het vergoeden van 25 dagen x 5 uur x 90,75 voor shovelwerkzaamheden (in totaal € 11.343,75) en een bijdrage in de kosten van [getuige] van € 12.100,-. En evenmin op het verweer in hoger beroep dat –uitgaande van maximaal 190 uur shovelwerkzaamheden- het door Veluwe Groen gevorderde bedrag zou neerkomen op het hanteren van een uurtarief van 1.052,63 voor een shovel met machinist. In reactie daarop had Veluwe Groen ten minste op de comparitie moeten kunnen uitleggen om welk uurtarief het dan wel ging en wie de werkzaamheden had uitgevoerd of wie met welk doel de gevorderde kosten had gemaakt.

Omdat Veluwe Groen dat niet heeft gedaan, wordt aan het leveren van (nader) bewijs op dit punt niet toegekomen.

3.12

Voor zover Veluwe Groen het gevorderde bedrag van € 100.000 niet als optelsom van prijzen voor verschillende werkzaamheden en kosten vordert, maar daaraan een meer algemene afspraak met Ten Berge over vermindering van diens vordering met een globaal bedrag ten grondslag legt, is die afspraak niet voldoende aannemelijk op basis van de getuigenverklaringen die in de procedure voor de rechtbank zijn afgelegd. [getuige] heeft weliswaar verklaard dat is gesproken over een bedrag van € 100.000, en dat hij Ten Berge dit bedrag ook nooit heeft horen ontkrachten, maar dat is nog niet voldoende om te concluderen dat partijen daarover ook daadwerkelijk een afspraak hebben gemaakt. De verklaring van [getuige] over het gesprek op de stoep van het advocatenkantoor acht het hof ten slotte weliswaar voldoende om aan te nemen dat partijen toen hebben besproken dat er nog kosten verrekend zouden worden, maar niet voldoende om een afspraak over een concreet bedrag van € 100.000 aan te nemen.

Bij gebreke van een voldoende duidelijke omschrijving van wie daarover meer of anders kan verklaren dan uit de reeds afgelegde verklaringen kan worden afgeleid, wordt aan nadere bewijslevering ook op dit punt niet toegekomen. Voor wat betreft de door Veluwe Groen gestelde kosten en werkzaamheden ten behoeve van Ten Berge komt het bedrag van € 100.000 dus niet vast te staan. De rechtbank is terecht uitgegaan van een bedrag van € 30.000 op dit onderdeel. Overigens brengt de eisvermindering van Ten Berge mee dat daadwerkelijk op het door Ten Berge gevorderde een bedrag van € 30.000 in mindering moet worden gebracht, zoals de rechtbank heeft gedaan. Het hof volgt Ten Berge dus niet in zijn berekeningswijze zoals weergegeven in punt 62 van de memorie van antwoord/tevens memorie van grieven in incidenteel appel. In zoverre faalt grief III in het incidenteel appel.

3.13

Al het voorgaande brengt mee dat van de volgende bedragen moet worden uitgegaan:

€ 157.957 (openstaand bedrag)

+ € 136.505,28 (50% van 273.010,56 (80% van 341.263,40))

€ 294.462,28

Gelet op de eisvermindering zou op grond van de voorgaande berekening nog een bedrag van (€ 294.462,28 – € 30.000 = ) € 264.462,28 exclusief BTW (€ 319.999,36 inclusief BTW) door Veluwe Groen aan Ten Berge moeten worden voldaan. Omdat Ten Berge via het derdenbeslag al een bedrag van € 181.000 exclusief BTW (€ 219.010 inclusief BTW) betaald heeft gekregen, komt per saldo aan Ten Berge een bedrag van € 83.462,28 exclusief BTW toe, derhalve € 100.989,36 inclusief BTW. Slechts in zoverre treft grief III in het incidenteel appel doel.

3.14

Grief V in het principaal appel is gericht tegen toewijzing door de rechtbank van wettelijke handelsrente over € 319.167,15 vanaf 5 december 2014 tot 22 juni 2016 en over € 100.157,15 vanaf 22 juni 2016 tot aan de dag van algehele voldoening.

De rechtbank heeft de wettelijke handelsrente toegewezen vanaf de door Ten Berge genoemde datum, met dien verstande dat over het naar aanleiding van het derdenbeslag betaalde bedrag van € 181.000 exclusief BTW wettelijke handelsrente is verschuldigd tot 22 juni 2016, de datum waarop A.C. Ten Berge tijdens het getuigenverhoor over betaling van dat bedrag heeft verklaard. De rechtbank heeft de wettelijke handelsrente over het restantbedrag toegewezen tot de dag van voldoening.

Het hof begrijpt uit de stellingen van Veluwe Groen dat zij zich in hoger beroep (subsidiair) erop beroept dat voor de dag van betaling van het bedrag van € 181.000 (ex BTW) moet worden uitgegaan van een datum rond 21 augustus 2015. Uit haar petitum in hoger beroep blijkt dat ook Ten Berge uitgaat van een betaaldatum in augustus, te weten 28 augustus 2015.

3.15

Ten Berge heeft gesteld dat 5 december 2014 als ingangsdatum voor de wettelijke rente moet worden genomen, omdat dat de datum is waartegen Veluwe Groen voor de laatste maal is gesommeerd.

Veluwe Groen heeft dat betwist. Volgens haar is de vertraging in de afwikkeling nu juist aan Ten Berge te wijten doordat Ten Berge beslag heeft gelegd en een buitensporig bedrag heeft gevorderd. Ook vindt Veluwe Groen dat de vertraging niet voor rekening van Veluwe Groen kan komen voor zover die voortvloeit uit de omstandigheid dat DLG werd opgeheven.

Volgens Veluwe Groen bestond tussen partijen bovendien de stilzwijgende afspraak dat betaling pas verschuldigd zou zijn nadat DLG aan Veluwe Groen zou hebben betaald.

3.16

Veluwe Groen heeft, tegenover het verweer van Ten Berge, onvoldoende onderbouwd dat zij het bedrag van € 157.957 als gevolg van het derdenbeslag onder DLG onbetaald heeft gelaten. Zonder toelichting, die ontbreekt, stond dit bedrag immers buiten de discussie met DLG en is niet begrijpelijk waarom het beslag onder DLG aan (door)betaling van dit bedrag in de weg heeft gestaan.

3.17

Evenmin heeft Veluwe Groen voldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die het oordeel kunnen dragen dat Veluwe Groen het resterende bedrag van € 136.505,28 niet vóór 5 december 2014 heeft kunnen betalen doordat Ten Berge onder DLG beslag had gelegd. Het had in dit verband op de weg van Veluwe Groen gelegen om, met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd, te stellen dat zij spoedig na beslaglegging in november 2014 heeft aangeboden om het aan Ten Berge verschuldigde door DLG direct aan Ten Berge te laten betalen, zoals uiteindelijk wel in 2015 is overeengekomen waar het de deelbetaling van € 181.000 betreft. Veluwe Groen heeft evenmin aangevoerd dat zij andere maatregelen heeft getroffen om Ten Berge het beslag (gedeeltelijk) te laten opheffen, teneinde Veluwe Groen in staat te stellen het verschuldigde bedrag aan Ten Berge door te betalen. Veluwe Groen heeft onvoldoende onderbouwd dat ook in dat geval verdere betalingsvertraging zou zijn opgelopen als gevolg van opheffing van DLG, zodat ook dit verweer wordt verworpen.

3.18

Gelet op de uitkomst van dit appel kan ook de grief in het principaal appel tegen compensatie van de kosten in eerste aanleg niet slagen. Evenmin is de verklaring voor recht toewijsbaar, voor zover daaraan in dit hoger beroep al kan worden toegekomen.

4 De slotsom

4.1

De grieven in het principaal appel falen. De grieven in het incidenteel appel slagen gedeeltelijk. Het vonnis van 22 augustus 2018 zal worden vernietigd. Het hof zal het hierboven in r.o. 3.13 vastgestelde bedrag met wettelijke handelsrente toewijzen.

4.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Veluwe Groen in de kosten van het hoger beroep in principaal appel en incidenteel appel veroordelen.

4.3

De kosten voor de procedure in hoger beroep in principaal appel aan de zijde van Ten Berge zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 5.270

- salaris advocaat € 6.322 (2 punten x tarief V)

De kosten voor de procedure in hoger beroep in incidenteel appel aan de zijde van Ten Berge zullen worden vastgesteld op € 3.161 (0.5 x € 6.322)

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 16 september 2015 en 11 januari 2017;

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 22 augustus 2018 en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt Veluwe Groen om aan Ten Berge te betalen een bedrag van € 100.989,36, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 319.999,36 vanaf 5 december 2014 tot 28 augustus 2015 en over € 100.989,36 vanaf 28 augustus 2015 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Veluwe Groen in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Ten Berge vastgesteld op € 5.270 voor verschotten en op € 6.322 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief in het principaal appel en op € 3.161 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief in het incidenteel appel;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.B. Beekhoven van den Boezem, S.M. Evers en J.G.J. Rinkes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

15 september 2020.