Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7212

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
200.266.348
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling zorg- en opvoedingstaken en vaststelling kinderalimentatie; artt. 1:253a lid en 1:401 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.266.348

(zaaknummer rechtbank Gelderland 345606)

beschikking van 15 september 2020

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L.E. de Wal te Geldermalsen,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. R.P. van Empel-Bouman te ‘s-Hertogenbosch.

1 De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 17 juni 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 september 2019;

  • -

    het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. De Wal van 23 juni 2020 met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. De Wal van 29 juni 2020 met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van Empel-Bouman van 29 juni 2020 met producties.

2.2

Partijen hebben in verband met het beleid ten aanzien van het coronavirus ingestemd met een schriftelijke afdoening van de zaak zonder mondelinge behandeling.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw hebben van 9 maart 2006 tot februari 2017 samengewoond. Zij zijn de ouders van:

  • -

    [de minderjarige1] , geboren [in] 2010 te [C] , en

  • -

    [de minderjarige2] , geboren [in] 2012 te [C] .

De man heeft de kinderen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.

3.2

De man en de vrouw zijn in een ouderschapsplan van 13 juni 2018 (hierna: het ouderschapsplan) overeengekomen dat de man € 174,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw zal betalen, jaarlijks te indexeren volgens de wettelijke indexering, voor het eerst per 1 januari 2019.

3.3

De man en de vrouw hebben in het ouderschapsplan een gedetailleerde regeling opgenomen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen.

3.4

De man heeft een relatie met [D ] . Uit die relatie is [in] 2019 [de minderjarige3] geboren. Volgens het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep verwachtten de man en [D ] in juli 2020 een volgend kind.

4 Het geschil

4.1

In de bestreden beschikking is, voor zover hiervan belang, het ouderschapsplan van

13 juni 2018 wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderalimentatie gewijzigd en bepaald dat:

- de kinderen iedere woensdag na school tot en met donderdagochtend bij de man verblijven. De man haalt de kinderen op woensdag op van school en brengt de kinderen op donderdagochtend rond 07.00 uur naar de vrouw:

- de kinderen eenmaal in de veertien dagen van vrijdag tot en met zondag 19.00 uur bij de man verblijven. De vrouw zal de kinderen op de vrijdag tussen 16.30 uur en 17.30 uur naar het werk (te [E] ) van de man brengen. De man zal een half uur van tevoren telefonisch contact opnemen met de vrouw over het exacte tijdstip waarop de vrouw de kinderen naar hem toe kan brengen. De man zal de kinderen op de zondag terugbrengen naar de vrouw;

- de kinderen de helft van de vakanties bij de man verblijven, waarbij de ouder bij wie de kinderen op dat moment verblijven de kinderen naar de andere ouder zal brengen;

- de kinderen de feestdagen die aansluitend in het weekend vallen doorbrengen bij de ouder bij wie ze op dat moment zijn;

- de kinderen de feestdagen die niet aansluitend in het weekend vallen voor de helft van de tijd bij de man doorbrengen, in onderling overleg tussen de ouders te verdelen;

- de man met ingang van 1 oktober 2018 tot de geboorte van de (toen nog) ongeboren [de minderjarige3] € 92,50 per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen en vanaf de geboorte van [de minderjarige3] € 69,50 per maand, vanaf de datum van de bestreden beschikking telkens bij vooruitbetaling te voldoen,

de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2

De vrouw is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de kinderalimentatie, de omgangsregeling en de afwijzing van haar verzoeken tot het opleggen van een dwangsom en het aanhechten van het ouderschapsplan.

De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen:

1. dat de man de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling met de kinderen dient na te komen op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag;

2. dat het ouderschapsplan aan de beschikking wordt gehecht met de opmerking dat de daarin vastgelegde zorgregeling is vervangen door de bestreden beschikking;

3. dat de man met ingang van 1 oktober 2018 aan de vrouw bij vooruitbetaling een bijdrage is verschuldigd in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 235,- per kind per maand, en

4. dat de vrouw te veel ontvangen bedragen niet hoeft terug te betalen aan de man.

4.3

De man is op zijn beurt met drie grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Grief 3 is voorwaardelijk. De grieven zien op de kinderalimentatie, de omgangsregeling en het ouderschapsplan. De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in het principaal hoger beroep de verzoeken van de vrouw af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen wat betreft de vastgestelde kinderalimentatie en die vast te stellen op:

- € 75,- per kind per maand in de periode van 1 oktober 2018 tot 6 juli 2019, en

- € 56,- per kind per maand vanaf 6 juli 2019,

de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt te wijzigen:

de oneven week

vrijdagmiddag haalt de man de kinderen om 14.00 uur op van school. Zondagavond brengt de man de kinderen naar de vrouw om 19.00 uur.

de even week

vrijdagmiddag haalt de man de kinderen om 14.00 uur op van school. Zaterdagochtend brengt de man de kinderen naar het voetbalcomplex van [F] in [E] op het tijdstip dat [de minderjarige1] aanwezig moet zijn voor een thuiswedstrijd of moet verzamelen voor een uitwedstrijd. De vrouw komt op hetzelfde tijdstip ook naar het voetbalcomplex en neemt dan de kinderen van de man over, en

(voorwaardelijk) indien het hof van oordeel is dat het ouderschapsplan geldt tussen partijen, te bepalen dat dit ouderschapsplan dient te worden gewijzigd zoals door hem verzocht in de voorwaardelijk aangevoerde grief 3.

4.4

De vrouw voert verweer. Zij verzoekt de verzoeken in het incidenteel hoger beroep af te wijzen. Voorts heeft de vrouw haar verzoeken in hoger beroep als volgt gewijzigd:

1. de ene week haalt de man de kinderen uit school en brengt hen op zaterdagmorgen om 11.00 uur bij de vrouw terug. Als [de minderjarige1] moet voetballen gaat de man met de kinderen zaterdagochtend naar de plek waar gevoetbald wordt. De vrouw neemt na afloop van de wedstrijd de kinderen weer mee naar huis. De andere week haalt de man de kinderen op vrijdag om 14.00 uur uit school en brengt hen zondagavond om 19.00 uur bij de vrouw terug. Als de kinderen op de vrijdag niet naar school gaan, dan brengt de vrouw de kinderen op donderdagavond om 18.00 uur bij de man. Indien [de minderjarige1] op donderdag moet trainen haalt de man de kinderen bij de voetbaltraining in [E] op, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag als de man de regeling niet nakomt;

2. dat het ouderschapsplan aan de beschikking wordt gehecht met de opmerking dat de daarin vastgestelde zorgregeling is vervangen door de regeling zoals in de aanhef en 1. verzocht alsmede de wijzigingen zoals in het verweer tegen de voorwaardelijke grief 3 is verzocht voor de artikelen 4, 5, 7, 8, 10, 12, 13, 14 en 15.

5 De overwegingen voor de beslissing

verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

5.1

Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

5.2

Uit het incidenteel hoger beroep en het verweer van de vrouw daartegen blijkt dat partijen het erover eens zijn dat de door de rechtbank vastgestelde regeling voor de woensdag dient te worden gewijzigd. De vrouw kan zich in hoofdlijnen vinden in de door de man voorgestelde wijziging. De vrouw heeft voor de zaterdagmorgen een wat ruimere regeling voorgesteld. Volgens de vrouw is het voor de kinderen prettiger als zij een uur langer kunnen uitslapen die dag en in elk geval hun verblijf bij de vader op een ontspannen manier kunnen afsluiten. Zij verzoekt het hof daarom te bepalen dat de kinderen om 11.00 uur bij haar worden teruggebracht in plaats van om 10.00 uur zoals de man heeft voorgesteld. Het hof ziet geen zwaarwegende redenen voor afwijzing van dit verzoek van de vrouw. Grief 2 in het incidenteel hoger beroep faalt.

5.3

Het hof zal de bestreden beschikking voor zover het de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft vernietigen en de volgende regeling vaststellen:

in de oneven week

vrijdag haalt de man de kinderen om 14.00 uur van school. Zondagavond brengt de man de kinderen naar de vrouw om 19.00 uur.

in de even week

vrijdag haalt de man de kinderen om 14.00 uur op van school en brengt hij de kinderen op zaterdag om 11.00 uur bij de vrouw thuis. Als er een voetbalwedstrijd is brengt de man de kinderen zaterdagochtend naar het voetbalcomplex van [F] in [E] op het tijdstip dat [de minderjarige1] aanwezig moet zijn voor een thuiswedstrijd of moet verzamelen voor een uitwedstrijd. De vrouw haalt de kinderen bij het voetbalcomplex op.

Tegen de door de rechtbank vastgestelde regeling voor de vakantiedagen zijn geen grieven gericht. Het hof zal die regeling daarom ongewijzigd overnemen in het dictum.

5.4

De vrouw stelt in grief 6 dat de rechtbank het ouderschapsplan ten onrechte niet aan de bestreden beschikking heeft gehecht. In het ouderschapsplan staan, aldus de vrouw, nog meer afspraken tussen partijen. Volgens de man heeft de rechtbank het ouderschapsplan terecht niet aangehecht, omdat partijen hierover geen overeenstemming hadden. Mocht het hof dit toch doen, dan verzoekt de man in zijn voorwaardelijk aangevoerde grief 3 een aantal passages te schrappen.

5.5

Grief 6 in het principaal hoger beroep faalt. Het ouderschapsplan is door beide partijen ondertekend en geldt dus tussen hen. Hierin staan inderdaad nog meer afspraken tussen partijen. Aangezien partijen het niet eens zijn over de door hen gewenste wijzigingen, blijven de overige afspraken van kracht. Het hof ziet geen aanleiding het ouderschapsplan alsnog aan deze beschikking te hechten. Gelet daarop komt het hof aan een beoordeling van de voorwaardelijk aangevoerde grief 3 in het incidenteel hoger beroep komt niet toe.

dwangsom

5.6

De vrouw stelt in grief 1 van het principaal hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte geen dwangsom aan de man heeft opgelegd voor niet-nakoming van de zorgregeling.

De man stelt dat het geen onwil van hem is als hij de zorgregeling niet kan nakomen. Hij heeft geprobeerd met de vrouw tot overeenstemming te komen en dat is grotendeels gelukt. Voor het opleggen van een dwangsom is volgens de man geen reden.

5.7

Het hof stelt vast dat de man de zorgregeling in hoofdlijnen naar behoren nakomt.

De constatering dat dit om praktische redenen niet altijd is gelukt, is onvoldoende reden om aan te nemen dat de man ook de gewijzigde regeling niet voldoende zal nakomen. Het opleggen van een dwangsom vindt het hof een (veel) te zware sanctie in deze situatie. Grief 1 in het principaal hoger beroep faalt.

alimentatie

5.8

Wijziging van een door de rechter vastgestelde of tussen partijen overeengekomen alimentatie is mogelijk als zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan (artikel 1:401 lid 1 BW).

De man is gaan samenwonen met [D ] en hij is onderhoudsplichtig (geworden) voor [de minderjarige3] . Dit zijn naar het oordeel van het hof relevante wijzigingen van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigen.

5.9

Het hof beoordeelt achtereenvolgens:

  • -

    verhoging van de behoefte van de kinderen met oppaskosten (5.11);

  • -

    het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man, en zijn draagkracht (5.2 tot met 5.16);

  • -

    het NBI van de vrouw, haar draagkracht en het daarvan voor de kinderen bestemde deel (5.17);

  • -

    de verdeling van de draagkracht van de man over alle kinderen voor welke hij onderhoudsplichtig is (5.18 tot en met 5.20)

  • -

    de zorgkorting (5.21 en 5.22), en

  • -

    een eventuele terugbetalingsplicht van de vrouw (5.23).

De gemaakte berekeningen zijn aangehecht en gewaarmerkt. Zij maken deel uit van deze beschikking. Aan de hand van deze gegevens komt het hof tot vaststelling van het door de man aan de vrouw verschuldigde bedrag (5.24).

5.10

Het hof hanteert 1 oktober 2018 als ingangsdatum, nu die datum niet in geschil is.

oppaskosten

5.11

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de behoefte van de kinderen in 2018 € 1.076,- per maand voor beide kinderen samen bedraagt. Na toepassing van de wettelijke indexering is dat € 1.097,52 per maand in 2019 en € 1.124,96 per maand in 2020. Voor de bepaling van de hoogte van het aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen zal het hof evenals de rechtbank deze behoefte vermeerderen met een bedrag van € 140,- per maand aan oppaskosten in 2019. Het hof houdt rekening met € 150,- per maand aan oppaskosten in 2020, nu de vrouw met een factuur heeft aangetoond dat de oppaskosten in dat jaar met

€ 10,- per maand zijn gestegen. Dat brengt de behoefte van de kinderen samen op:

€ 1.237,52 in 2019, en € 1.274,96 in 2020.

Bij de bepaling van de zorgkorting (zie hierna) bestaat geen aanleiding rekening te houden met deze oppaskosten, omdat de hoogte van de oppaskosten die de vrouw betaalt geen invloed heeft op de kosten die de man geacht kan worden te maken tijdens het verblijf van de kinderen bij hem. Dit betekent dat grief 1 in het incidenteel hoger beroep faalt.

NBI man

5.12

De draagkracht van de man is in geschil. De vrouw betwist in grief 2 dat de man als gevolg van schulden door het verbreken van hun samenleving de woning moest verkopen en verhuizen en dat hij daardoor zijn bedrijf niet meer kon aanhouden. Volgens de vrouw heeft de man de woning in [E] verkocht omdat [D ] daar niet wilde wonen en is het ook de eigen keuze van de man geweest om te stoppen met zijn eigen bedrijf en om in loondienst te gaan werken. De man betwist dat. Hij stelt dat de verkoop van de woning in [E] noodzakelijk was door de scheiding van de vrouw, dat hij daardoor moest verhuizen en hij daardoor zijn eigen bedrijf niet kon aanhouden. Ter onderbouwing hiervan heeft de man een overzicht van zijn schulden overgelegd.

5.13

De man heeft met afschriften van schulden aan de Belastingdienst en de Belastingsamenwerking Rivierenlanden niet aannemelijk gemaakt dat deze belastingschulden van in totaal ongeveer € 4.000,- de reden vormen voor de verkoop van de voormalige woning van partijen in [E] en dat er voor hem een noodzaak was het bedrijf te beëindigen. Nu de man werkzaam is als onderhoudsmonteur, behoort een herstart van zijn eigen bedrijf tot de mogelijkheden. Het inkomensverlies dat de man lijdt door te stoppen met zijn eigen bedrijf en tegen een lager maandinkomen in loondienst te gaan werken vindt het hof voor herstel vatbaar.

Nu de man op het moment dat hij de keuze maakte om in loondienst te gaan werken een alimentatieplicht naar de kinderen op zich had genomen, vindt het hof dit inkomensverlies verwijtbaar; de man had zich tegenover de kinderen als onderhoudsgerechtigden moeten onthouden van de gedraging die tot het inkomensverlies heeft geleid. Het hof gaat daarom bij de berekening van de draagkracht van de man uit van een jaarinkomen op basis van een gemiddelde winst uit onderneming van € 35.633,-. Dat is het bedrag dat de man verdiende ten tijde van het sluiten van het ouderschapsplan in 2018. Grief 2 in het principaal hoger beroep slaagt.

5.14

Nu grief 2 van de vrouw slaagt, volgt hieruit dat het NBI van de man van 1 oktober 2018 tot 6 juli 2019, de datum van de geboorte van [de minderjarige3] , ongewijzigd is. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat de in het ouderschapsplan overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken niet is nagekomen door de man. Het hof hanteert dan ook net als in het ouderschapsplan een zorgkorting van 25%. Dit betekent dat de man van 1 oktober 2018 tot 6 juli 2019 de in het ouderschapsplan van 13 juni 2018 van € 174,- per maand dient te voldoen, met ingang van 1 januari 2019 vermeerderd met de wettelijke indexering.

5.15

Het hof onderscheidt voor de vaststelling van de kinderalimentatie de volgende twee perioden:

I. van 6 juli 2019 tot de datum van de geboorte van het tweede kind van de man en [D ] , en

II. vanaf de datum van de geboorte van het tweede kind van de man en [D ] .

5.16

Uit de aangehechte draagkrachtberekeningen volgt dat de man een netto besteedbaar inkomen (NBI) heeft van:

- € 2.661,- per maand in 2019, en

- € 2.790,- per maand in 2020.

Van dat inkomen heeft hij een deel nodig om de eigen noodzakelijke lasten te voldoen: het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bedraagt volgens de geldende formule 30% van het NBI - primair ter bestrijding van woonlasten - plus een bedrag ter bestrijding van de overige lasten. Dat bedrag is in 2018 € 920,-, in 2019 € 950,- en in 2020 € 975,-. Van het resterende inkomen is 70% beschikbaar voor de betaling van kinderalimentatie: de draagkracht. Dat ziet er voor de man schematisch als volgt uit.

jaartal

2019

2020

draagkrachtruimte

913

978

draagkracht

639

685

NBI vrouw

5.17

Het hof heeft daarnaast berekeningen van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw gemaakt. Daarna heeft het hof volgens dezelfde formule als bij de man de draagkracht van de vrouw vastgesteld. Schematisch is dat voor de vrouw:

jaartal

2019

2020

NBI

2.527

2.577

draagkrachtruimte

819

829

draagkracht

573

580

verdeling draagkracht man over al zijn kinderen

5.18

Het hof houdt, anders dan de vrouw wenst, rekening met alle kinderen voor welke de man onderhoudsplichtig is. Dat betekent dat het hof de draagkracht van de man verdeelt over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en het kind dat op 25 juli 2020 verwacht werd. Grief 5 in het principaal hoger beroep faalt.

5.19

Voor de vaststelling van de behoefte van het kind/de kinderen van de man en [D ] heeft het hof het NBI van [D ] berekend. Dat is in 2019 € 1.547,- en in 2020 € 1.551,-.

Opgeteld bij het NBI van de man van € 2.661,- betekent dit dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van de man en [D ] in 2019 in totaal € 4.208,-,- bedraagt. Na de geboorte van het tweede kind van de man en [D ] hebben de man en [D ] recht op een kindgebonden budget van € 2.103,- per jaar oftewel € 175,- per maand. In totaal bedraagt het netto besteedbaar gezinsinkomen dan in 2020 € 2.790,- + € 1.551,- = € 4.341,-. Het hof bepaalt de behoefte van [de minderjarige3] in periode II aan de hand van de behoeftetabel voor 2019 op € 575,- per maand. Na de geboorte van het tweede kind van de man en [D ] kan de behoefte van de beide kinderen samen aan de hand van de behoeftetabel voor 2020 worden bepaald op € 1.018,-.

5.20

Het hof verdeelt de draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de

kinderen. De totale behoefte van de drie kinderen bedraagt in periode I afgerond € 1.813,-, te weten € 1.238,- voor de kinderen van partijen en € 575,- voor [de minderjarige3] . Dat betekent dat van de draagkracht van de man van € 639,- uiteindelijk afgerond € 436,- beschikbaar is voor de kinderen van partijen. Vanaf het moment dat het tweede kind van de man en [D ] is

geboren, bedraagt de totale behoefte van de vier kinderen afgerond € 2.294,-, waarvan

€ 1.275,- ziet op de kinderen van partijen. Dat brengt mee dat van de draagkracht van de man van € 685,- vanaf dat moment afgerond € 382,- beschikbaar is voor de kinderen van

partijen.

zorgkorting

5.21

Beide ouders zijn onderhoudsplichtig voor de kinderen. Uitgangspunt is dat de ouder bij wie het kind de hoofdverblijfplaats heeft, alle ‘verblijfsoverstijgende kosten’ van het kind betaalt en dat elke ouder zelf de kosten draagt die samenhangen met het - feitelijk - verblijf van het kind bij hem of haar, de ‘verblijfskosten’. Als een kind tijdens de uitvoering van de zorgregeling bij de niet-verzorgende ouder verblijft, dan maakt die ouder kosten en levert dat bij de andere ouder een besparing op. Die zorgkosten worden globaal bepaald aan de hand van het gemiddelde aantal dagen per week dat het kind bij de niet-verzorgende ouder verblijft. De kinderen verblijven volgens de hiervoor in overweging 5.3 genoemde omgangsregeling gemiddeld twee dagen per week bij de man, de helft van de vakanties meegerekend. De kosten die de man gedurende dat verblijf voor de kinderen maakt, leveren een besparing op voor de vrouw. Dat bedrag wordt bepaald op 25% van de behoefte van de kinderen. Het hof ziet geen aanleiding om de zorgkorting op 15% vast te stellen omdat de man volgens de vrouw de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling niet altijd is nagekomen. Het hof gaat ervan uit dat de man de gewijzigd vast te stellen omgangsregeling nakomt, nu hij stelt dat dit voor hem haalbaar is en hij achter deze omgangsregeling staat. De oppaskosten worden bij het vaststellen van de zorgkorting overeenkomstig de aanbeveling van de Expertgroep alimentatienormen buiten beschouwing gelaten. Grief 3 in het principaal hoger beroep slaagt. Grief 4 in het principaal hoger beroep faalt.

5.22

De zorgkosten worden - mits beide partijen voldoende draagkracht hebben - geheel of gedeeltelijk in mindering gebracht op de bijdrage die aan de verzorgende ouder wordt betaald. De man en de vrouw hebben samen niet genoeg draagkracht om in de totale behoefte van de kinderen te voorzien. Het tekort moeten zij ieder voor de helft dragen en daarom zal het hof de zorgkorting niet volledig in mindering brengen op de bijdrage.

terugbetalingsverplichting vrouw

5.23

Nu uit de berekeningen blijkt dat voor de vrouw alle periodes samen bezien in vergelijking met de overeengekomen kinderalimentatie in het ouderschapsplan een terugbetalingsverplichting aan de man zou ontstaan, ziet het hof aanleiding de kinderalimentatie met ingang van de datum van deze beschikking gewijzigd vast te stellen. De vrouw heeft het verweer gevoerd dat zij de bedragen die zijn uitgegeven ten behoeve van de kinderen niet aan de man kan terugbetalen, doordat haar spaargeld nu op is omdat de man op grond van de bestreden beschikking bedragen aan kinderalimentatie heeft ingehouden ter verrekening. Onder deze omstandigheden vindt het hof het niet redelijk dat een terugbetalingsplicht voor haar zou ontstaan. Dat betekent dat de man tot 15 september 2020 de in het ouderschapsplan overeengekomen bijdrage van € 174,- per kind per maand, vermeerderd met de wettelijke indexering, aan de vrouw dient te voldoen. Grief 7 in het principaal hoger beroep slaagt.

5.24

Uit de berekeningen volgt dat de man na gedeeltelijke aftrek van de zorgkorting de volgende bedragen aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen:

I. van 6 juli 2019 tot de datum van de geboorte van het tweede kind van de man en [D ] in 2020 € 138,- per kind per maand, en

II. vanaf de datum van de geboorte van het tweede kind van de man en [D ] € 128,- per kind per maand.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 17 juni 2019, en opnieuw beschikkende:

wijzigt het ouderschapsplan van 13 juni 2018, voor zover het de omgangsregeling en de kinderalimentatie betreft als volgt:

stelt de volgende omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vast:

in de oneven week

vrijdag haalt de man de kinderen om 14.00 uur van school. Zondagavond brengt de man de kinderen naar de vrouw om 19.00 uur.

in de even week

vrijdag haalt de man de kinderen om 14.00 uur op van school en brengt hij de kinderen op zaterdag om 11.00 uur bij de vrouw thuis. Als er een voetbalwedstrijd is brengt de man de kinderen zaterdagochtend naar het voetbalcomplex van [F] in [E] op het tijdstip dat [de minderjarige1] aanwezig moet zijn voor een thuiswedstrijd of moet verzamelen voor een uitwedstrijd. De vrouw haalt de kinderen bij het voetbalcomplex op;

- de kinderen verblijven de helft van de vakanties bij de man, waarbij de ouder bij wie de kinderen op dat moment verblijven de kinderen naar de andere ouder zal brengen;

- de kinderen brengen de feestdagen die aansluitend in het weekend vallen door bij de ouder bij wie ze op dat moment zijn;

- de kinderen brengen de feestdagen die niet aansluitend in het weekend vallen voor de helft van de tijd bij de man door, in onderling overleg tussen de ouders te verdelen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van:

  • -

    6 juli 2019 tot de datum van de geboorte van het tweede kind van de man en [D ] in 2020 € 138,- per kind per maand, en

  • -

    vanaf de datum van de geboorte van het tweede kind van de man en [D ] € 128,- per kind per maand

als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen,

met ingang van 1 januari 2021 te vermeerderen met de wettelijke indexering;

bepaalt dat de vrouw eventueel te veel ontvangen kinderalimentatie niet aan de man hoeft terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Eskes, A. Smeeïng-van Hees en

M.H.F. van Vugt, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. R. Feunekes, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op

15 september 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

NBI man 2019

NBI vrouw 2019

NBI nieuwe partner man 2019

NBI man 2020

NBI vrouw 2020

NBI nieuwe partner man 2020