Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7208

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
21-006569-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zware mishandelingen, bedreiging en twee overtredingen van de Wet wapens en munitie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006569-19

Uitspraak d.d.: 14 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 december 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-830268-18 en 18-231426-17, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

wonende te [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 31 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] die betrekking heeft op de zware mishandeling dient volledig te worden toegewezen tot een bedrag van € 11.671,22, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De andere vordering van [benadeelde partij] dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met afwijzing van de vordering voor het overige. De inbeslaggenomen goederen dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. P.Th. van Jaarsveld, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 5 december 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-830268-18 primair ten laste gelegde (zware mishandeling) en het in de zaak met parketnummer 18-231426-17 ten laste gelegde (bedreiging en twee overtredingen van de Wet wapens en munitie) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] die op de zware mishandeling ziet is volledig toegewezen tot een bedrag van € 11.671,22, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] die op de bedreiging ziet is toegewezen tot een bedrag van € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is die vordering afgewezen. De inbeslaggenomen goederen (verdovende middelen en een honkbalknuppel) zijn onttrokken aan het verkeer.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring op juiste wijze heeft beslist en dat het vonnis in zoverre kan worden bevestigd, maar dat de gronden van die beslissing op onderdelen aangevuld en verbeterd dienen te worden. Daarnaast behoeft het vonnis aanvulling ten aanzien van de verweren die in hoger beroep zijn gevoerd. Voorts komt het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs van het in de zaak met parketnummer 18-830268-18 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18-231426-17 onder 1 ten laste gelegde:

De verweren die met betrekking tot voornoemde feiten in hoger beroep zijn gevoerd, zijn in de kern gelijk aan de verweren die in eerste aanleg naar voren zijn gebracht. De verweren strekken tot vrijspraak van verdachte dan wel ontslag van alle rechtsvervolging en houden verband met de gang van zaken die verdachte voor zowel het gebeuren op 9 november 2018 als op 26 juni 2017 heeft geschetst. Dit alternatieve scenario komt er in beide gevallen op neer dat niet verdachte maar aangever [benadeelde partij] de agressor was die verdachte heeft aangevallen, dan wel daartoe aanstalten maakte. Op 9 november 2018 heeft verdachte zich daar naar eigen zeggen tegen verdedigd door met een sleutelmes in zijn hand een afweerbeweging te maken en op 26 juni 2017 heeft hij vuurwerk (“een rotje”) in de richting van aangever, gegooid. Van het dreigen met een wapen is op 26 juni 2017 absoluut geen sprake geweest, aldus verdachte.

De verweren van de verdediging zijn door de rechtbank terecht verworpen. Op grond van de bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn uitgewerkt - de hierna te noemen aanvullingen/verbeteringen daarbij in aanmerking genomen - stelt het hof vast dat verdachte aangever [benadeelde partij] op 9 november 2018 met een mes heeft gestoken en dat hij [benadeelde partij] ruim een jaar eerder, op 26 juni 2017 met een wapen heeft bedreigd. Net als de rechtbank en de advocaat-generaal gaat het hof bij deze feiten uit van de lezing van aangever. Het hof acht zijn verklaring geloofwaardig en betrouwbaar. In dat kader is van belang dat de verklaring van aangever zowel omtrent het gebeuren op 9 november 2018 als op 26 juni 2017 consequent is en op diverse onderdelen gesteund wordt door andere bewijsmiddelen in het dossier. Bovendien heeft hij zijn eigen rol in het geheel niet onbesproken gelaten. Dit maakt dat de verklaring van aangever bij het hof een geloofwaardige, authentieke indruk heeft gewekt.

Hetgeen verdachte tegenover de verklaring van aangever heeft gesteld, leidt niet tot twijfel aan de juistheid van de verklaring van aangever. In dat verband wijst het hof erop dat verdachte pas in een laat stadium met de geschetste alternatieve scenario’s is gekomen. Over cruciale zaken, zoals het gestelde gebruik van het sleutelmes bij het feit op 9 november 2018 en het afsteken van vuurwerk op 26 juni 2017 werd door hem pas in de loop van de procedure verklaard. Dit maakt het mogelijk dat verdachte zijn verklaring op de inhoud van het dossier heeft aangepast. Voorts is van belang dat verdachte gedurende de gehele procedure wisselend over zijn eigen handelen heeft verklaard en dat hij zijn verklaring telkens op belangrijke onderdelen heeft bijgesteld. Zijn verklaring vindt bovendien - anders dan die van aangever - weinig tot geen steun in ander bewijs.

Ten slotte zijn er feitelijk gezien diverse vraagtekens bij de verklaring van verdachte te plaatsen. Zo laat zich moeilijk voorstellen hoe verdachte op 9 november 2018 met zijn linkerarm een klap met een ploertendoder heeft kunnen afweren, terwijl hij met zijn rechterhand tegelijkertijd zowel het sleutelmes zou hebben uitgeklapt, daarmee (ook) een afweerbeweging zou hebben gemaakt én ook nog de hond van zich zou hebben afgeduwd. Ten aanzien van de situatie op 26 juni 2017 doen zich soortgelijke vragen voor, zoals hoe verdachte een rotje heeft afgestoken, terwijl hij naar eigen zeggen ook bezig was zijn handschoenen aan te trekken, en dat terwijl getuigen niets over dergelijke handelingen hebben verklaard. Verdachte heeft voornoemde vraagpunten niet kunnen ophelderen.

Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof verdachtes verklaring omtrent de ten laste gelegde gebeurtenissen op 9 november 2018 en 26 juni 2017 ongeloofwaardig en zijn de in dat kader opgeworpen alternatieve scenario’s niet aannemelijk geworden. Overeenkomstig het vonnis kan het in de zaak met parketnummer 18-830268-18 primair en het in de zaak met parketnummer 18-231426-17 onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

Zoals hiervoor overwogen zijn de feiten die aan het beroep op noodweer(-exces) ten grondslag zijn gelegd (ook) in appel niet aannemelijk geworden. Van een noodweersituatie ten aanzien van verdachte was op 9 november 2018 noch op 26 juni 2017 sprake.

Ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 18-231426-17 onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten is door de verdediging geen verweer gevoerd. Deze feiten kunnen overeenkomstig het vonnis wettig en overtuigend worden bewezen.

Alle bewezenverklaarde feiten zijn strafbaar en verdachte is een strafbare dader.

Aanvulling en verbeteringen bewijsmiddelen;

De bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn opgenomen worden als volgt aangevuld en/of verbeterd.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18-830268-18 primair ten laste gelegde:

De in het vonnis onder 1 opgenomen verklaring van verdachte is niet op de daar vermelde wijze terug te vinden in het proces-verbaal van de zitting van 21 november 2019. Het hof neemt daarom in plaats daarvan als verklaring van verdachte op:

1. De door verdachte ter zitting van 21 november 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend - zakelijk weergegeven - :

U vraagt mij naar het feit ten laste gelegd onder parketnummer 18-830268-18. Ik kwam die avond thuis. Ik kwam met mijn auto aanrijden en toen zag ik dat aangever op straat liep met zijn hond.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18-231426-17 onder 1 ten laste gelegde:

De in het vonnis onder 1 opgenomen verklaring van verdachte is niet op de daar vermelde wijze terug te vinden in het proces-verbaal van de zitting van 21 november 2019. Het hof schrapt dit bewijsmiddel.

Aan het onder 2 opgenomen bewijsmiddel voegt het hof toe als verklaring van aangever (na: (…) uit de richting waar [naam] stond.): “Enkele tellen later hoorde ik geen tweede knal en daarom keek ik in de richting van [naam] . Ik zag dat hij zijn arm en het tasje langs zijn lijf had hangen richting de grond. Ik zag een witte stip op de tegel waar zijn arm naar wees.” (p. 2).

Deze waarneming van aangever strookt met het sporenonderzoek dat nadien is uitgevoerd (bewijsmiddel 5).

Aan het onder 4 opgenomen bewijsmiddel voegt het hof als verklaring van de getuige toe (na: De tweede man deinsde terug.): “Ik kan beide mannen als volgt omschrijven:

Man 1 (de man met het wapen):

(…)

- heeft als auto een blauwe Polo. Dat weet ik omdat ik hem wel vaker in een blauwe Polo zie stappen.

Man 2:

(…)

- heeft als auto een grijze Polo. Dat weet ik omdat ik hem wel vaker in een grijze Polo zie stappen.”

Het hof voegt als bewijsmiddel 6 toe:

6. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van relaas d.d. 6 oktober 2017, opgenomen in het onder 2 genoemde dossier, voor zover inhoudende als relaas verbalisant:

Ten tijde van het incident (het hof begrijpt: op 26 juni 2017) bleken de verdachten in het bezit te zijn van de volgende personenauto’s:

Verdachte [verdachte] :

Volkswagen Polo, blauw, voorzien van kenteken [kenteken 1] .

Verdachte [benadeelde partij] :

Volkswagen Polo, grijs, voorzien van kenteken [kenteken 2] .

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en noodzakelijk. Deze strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ter terechtzitting van het hof zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden aan het licht gekomen die een strafmatigend of strafverhogend effect op de op te leggen straf zouden moeten hebben.

Het hof acht na te noemen overwegingen van de rechtbank die tot oplegging van deze straf hebben geleid juist en neemt die onverkort over:

“De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft op 26 juni 2017 aangever, zijn buurman, bedreigd door op klaarlichte dag en midden op straat een vuurwapen op zijn hoofd te richten. Deze handelwijze van verdachte heeft een enorme impact op aangever gehad. In de periode voorafgaand aan en na dit incident liepen de gemoederen tussen verdachte en aangever steeds hoger op, waarbij vanuit beide kanten gedurende lange tijd berichten zijn verstuurd met allerhande verwensingen. De rechtbank weegt - in het voordeel van verdachte mee - dat ook aangever zich in deze fase bepaald niet onbetuigd heeft gelaten. Dat neemt echter niet weg dat het bijzonder kwalijk is dat verdachte. aangever de stuipen op het lijf heeft gejaagd door hem te bedreigen. In de woning van verdachte is bovendien een tas aangetroffen met daarin zeer schrikwekkende voorwerpen en bovendien een papier met daarop de tekst “ [naam] DOOD”. Voorts heeft verdachte op 26 juni 2017 een vlindermes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voorhanden gehad.

Uiteindelijk heeft dit langlopende conflict ertoe geleid dat verdachte op 9 november 2018 met een mes in de arm van aangever heeft gestoken. Als gevolg hiervan heeft aangever een steekwond in zijn arm opgelopen, waaraan hij twee keer geopereerd moest worden. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Naast het lichamelijke letsel, heeft het handelen van verdachte ook psychisch gezien een grote impact gehad, zo blijkt uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder wegens gewelddelicten met justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank heeft verder gelet op de psychologische onderzoeksrapportage van 9 augustus 2019, opgemaakt door D. Breuker, Forensisch GZ-psycholoog. De conclusie van dit rapport

luidt, zakelijk weergegeven, dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van

de geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Hiervan was ten tijde van het ten laste gelegde ook sprake en deze antisociale persoonlijkheidsstoornis beïnvloedde verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Er wordt geadviseerd om het plegen van het ten laste gelegde feit, indien bewezen, volledig toe te rekenen. De rechtbank kan zich met dit advies verenigen en neemt dat over.

De reclassering adviseert in haar rapportage van 25 oktober 2019 om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod en een locatieverbod en een locatiegebod.

De rechtbank neemt als uitgangspunt bij de op te leggen straf de oriëntatiepunten die zijn opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Volgens deze oriëntatiepunten wordt voor het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen), in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend en geboden geacht. Voor bedreiging, waarbij een (nep) vuurwapen wordt getoond, staat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Gelet op voorgaande oriëntatiepunten en het feit dat verdachte zich ook nog tweemaal schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Wet Wapens en Munitie, ziet de rechtbank aanleiding een hogere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Gelet op de psychologische onderzoeksrapportage en gelet op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden op te leggen. Gelet op de houding van verdachte ter zitting en het feit dat hij eerst na lang aandringen enige motivatie liet zien om aan bijzondere voorwaarden mee te werken, acht de rechtbank de kans van slagen daarvan minimaal. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden passend en geboden.”

Beslag

Evenals de rechtbank acht het hof de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de verdovende middelen en de honkbalknuppel, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer omdat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] (parketnummer 18-830268-18)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.671,22, bestaande uit € 9.000,- aan immateriële schade en € 2.671,22 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 18-830268-18 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade komt het hof echter tot een andere beslissing dan de rechtbank. Na raadpleging van de letsellijst van het schadefonds en toegekende vergoedingen in soortgelijke zaken, acht het hof de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,- redelijk en voor toewijzing gereed. Het rechtstreekse verband tussen het bewezenverklaarde handelen en de gestelde schade is in zoverre voldoende aannemelijk geworden.

Ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade beschikt het hof over onvoldoende informatie om de schade waarvan mogelijk sprake is, op geld te waarderen. Het alsnog de beschikking verkrijgen over die informatie zal een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Om die reden kan de benadeelde partij daarom in zoverre thans niet in zijn vordering worden ontvangen en kan die vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wat betreft het toekennen van de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, beslist het hof conform de rechtbank.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] (parketnummer 18-231426-17)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 750,- aan immateriële schade en € 181,29 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank juist op deze vordering heeft beslist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 18-231426-17 onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 2 STK verdovende middelen;

- 2 STK hennep;

- 1 STK honkbalknuppel.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-830268-18 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.671,22 (zevenduizend zeshonderdeenenzeventig euro en tweeëntwintig cent) bestaande uit € 2.671,22 (tweeduizend zeshonderdeenenzeventig euro en tweeëntwintig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-830268-18 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.671,22 (zevenduizend zeshonderdeenenzeventig euro en tweeëntwintig cent) bestaande uit € 2.671,22 (tweeduizend zeshonderdeenenzeventig euro en tweeëntwintig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 73 (drieënzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 november 2018.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-231426-17 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-231426-17 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2017.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. L.J. Bosch, voorzitter,

mr. G.A. Versteeg en mr. R.R.H. Laurens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 14 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Laurens is buiten staat dit arrest te ondertekenen.