Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7183

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
21-001197-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wegens verschillende fiscale delicten en valsheid in geschrift veroordeelt het hof verdachte, die registeraccountant is geweest en daarna zelfstandig ondernemer is geworden, tot gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. Het hof heeft daarbij onder meer acht geslagen op de aard en omvang van de gepleegde delicten, het benadelingsbedrag en de hoedanigheid van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-09-2020
FutD 2020-2705
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001197-17

Uitspraak d.d.: 16 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 20 februari 2017 met parketnummer 08-996112-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 mei 2019 en 2 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte wegens de feiten 1, 2, 3 primair, 4 primair, 6 en 7 subsidiair tot gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden,
mr. M. Hendriks en mr. A.G. Haasnoot, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het door verdachte ingestelde hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het onder 5 primair en 5 subsidiair ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte, met vrijspraak van het onder 5 primair en 5 subsidiair tenlastegelegde, wegens de feiten 1, 2, 3 primair, 4 primair, 6 en 7 subsidiair veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover daarvoor vatbaar, vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover thans nog aan de orde, tenlastegelegd dat:

1.
[bedrijf 1] in of omstreeks de periode van 01 juli 2014 tot en met 29 juni 2015 in de gemeente [gemeente 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer rechtsperso(o)n(en) en/of een of meer natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, als ondernemer in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het 2e kwartaal van 2014, niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen/de Belastingdienst gestelde termijn heeft gedaan, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedraging(en);

2.
[bedrijf 1] op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 april 2013 tot en met 01 mei 2014, in de gemeente [gemeente 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer rechtsperso(o)n(en) en/of een of meer natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, als ondernemer in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968, (telkens) opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten de aangifte(n) voor de Omzetbelasting over

-het eerste kwartaal en/of tweede kwartaal en/of derde kwartaal en/of vierde kwartaal van 2013 en/of

-het eerste kwartaal van 2014,

onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen / de Belastingdienst, terwijl dat feit/die feiten er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in genoemd(e) (elektronische) aangiftebiljet(ten) (telkens) een te hoog bedrag aan voorbelasting in aftrek werd gebracht en/of (daardoor) een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting werd aangegeven, zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedraging(en);

3. primair
[bedrijf 1] in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 31 januari 2014 in de gemeente [gemeente 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer rechtsperso(o)n(en) en/of een of meer natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, als inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de Loonbelasting 1964, een of meermalen, (telkens) opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen over de maand(en) januari en/of februari en/of maart en/of april en/of mei en/of juni en/of juli en/of augustus en/of september en/of oktober en/of november en/of december van het jaar 2013, niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen/de Belastingdienst gestelde termijn heeft gedaan, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedraging(en);

3. subsidiair
[bedrijf 1] in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 31 januari 2014 in de gemeente(n) [gemeente 2] en/of [gemeente 3] , althans in Nederland, opzettelijk

- een of meer goed(eren), te weten een of meer geldbedrag(en) ten bedrage van ongeveer euro 6497,79 en/of euro 5.711,29, geheel of ten dele toebehorende aan of meer ander(en), te weten [naam 1] en/of [naam 2] en/of de belastingdienst, welk(e) goed(eren) hij anders dan door misdrijf, te weten als werkgever, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedraging(en);

4. primair
[bedrijf 2] op of omstreeks 25 september 2014 in de gemeente [gemeente 4] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer rechtsperso(o)n(en) en/of een of meer natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld of heeft doen stellen, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hierin bestaande dat de kilometeradministratie over het/de ja(a)r(en) 2009 en/of 2010 en/of 2011 en/of 2012 en/of 2013 aan de Belastingdienst beschikbaar werd gesteld, terwijl in die kilometeradministratie(s) niet de privé gereden kilometers was/waren vermeld en/of een of meer privé gereden kilometers als zakelijk heeft aangegeven en/of ten onrechte adres(sen) heeft opgevoerd en/of ten onrechte adres(sen) meermalen opgevoerd en/of onjuiste kilometerstand(en) opgegeven, zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedraging(en);

4. subsidiair
hij op of omstreeks 25 september 2014 in de gemeente [gemeente 4] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer rechtsperso(o)n(en) en/of een of meer natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld of heeft doen stellen, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hierin bestaande dat de kilometeradministratie over het/de ja(a)r(en) 2009 en/of 2010 en/of 2011 en/of 2012 en/of 2013 aan de Belastingdienst beschikbaar werd gesteld, terwijl in die kilometeradministratie(s) niet de privé gereden kilometers was/waren vermeld en/of een of meer privé gereden kilometers als zakelijk heeft aangegeven en/of ten onrechte adres(sen) heeft opgevoerd en/of ten onrechte adres(sen) meermalen opgevoerd en/of onjuiste kilometerstand(en) opgegeven;

6.
[bedrijf 2] in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 31 januari 2014 in de gemeente [gemeente 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer rechtsperso(o)n(en) en/of een of meer natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, als inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de Loonbelasting 1964, een of meermalen, (telkens) opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de Loonbelasting en Premie Volksverzekeringen over een of meer van de maand(en) van 2011 en/of 2012 en/of 2013, onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen / de Belastingdienst, terwijl dat feit/die feiten er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in genoemd(e) (elektronische) aangiftebiljet(ten) (telkens) -een te laag, althans een onjuist bedrag aan (te betalen) loonbelasting/premie volksverzekeringen werd vermeld / opgegeven / aangegeven, zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedraging(en);

7. primair
[bedrijf 2] op of omstreeks 01 december 2012 in de gemeente(n) [gemeente 2] en/of [gemeente 3] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer rechtsperso(o)n(en) en/of een of meer natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, opzettelijk een factuur [bedrijf 3] d.d. 01-12-2012, gericht aan [bedrijf 1] ,
zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken en/of dat vervalsen (telkens) hierin bestaan dat genoemde factuur niet door [bedrijf 3] is opgemaakt en aan [bedrijf 2] is gezonden, zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedraging(en);

7. subsidiair
hij op of omstreeks 01 december 2012 in de gemeente(n) [gemeente 2] en/of [gemeente 3] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer rechtsperso(o)n(en) en/of een of meer natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, opzettelijk een factuur [bedrijf 3] d.d. 01-12-2012, gericht aan [bedrijf 1] , zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken en/of dat vervalsen (telkens) hierin bestaan dat genoemde factuur niet door [bedrijf 3] is opgemaakt en aan [bedrijf 2] is gezonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verzoek getuigen te horen

In hetgeen is gesteld in punt 2.1 en 2.3 van de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota kan een impliciet – herhaald – verzoek worden gelezen om [getuige 1] alsnog te mogen horen. Het hof zal dit verzoek toetsen aan het noodzakelijkheidscriterium.

Het verzoek om – onder andere – [getuige 1] te mogen horen werd reeds gedaan bij appelschriftuur d.d. 12 januari 2018 door de voorgaande raadsman, mr. J.W. Schouten. Op dit verzoek is door het hof beslist bij tussenarrest van 8 mei 2019. Het verzoek ten aanzien van [getuige 1] werd afgewezen, nu het hof het horen van deze getuige niet noodzakelijk achtte.


Nu dit verzoek thans niet, althans onvoldoende nader is onderbouwd en evenmin is kenbaar gemaakt welke vraag/vragen aan [getuige 1] gesteld zouden moeten worden, sluit het hof aan bij zijn eerdere, bij genoemd tussenarrest genomen, beslissing te weten – zakelijk weergegeven – dat van de noodzaak om deze persoon als getuige te horen niet is gebleken. Het hof wijst daarom ook dit – herhaalde – verzoek af.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Op in zijn overgelegde pleitnota aangegeven gronden heeft de verdediging, mr. Hendriks, bepleit dat:

  1. door het niet als getuige kunnen horen van [getuige 2] en [getuige 1] de verdediging zodanig ernstig in haar belangen is geschaad, dat het proces als ‘unfair’ in de zin van artikel 6 EVRM moet worden aangemerkt;

  2. het openbaar ministerie handelt in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel, door [verdachte] wel en [getuige 2] en [getuige 1] niet te vervolgen voor feiten die tevens onder hun leiding en verantwoordelijkheid hebben plaatsgevonden.

Gevolg hiervan moet – zakelijk weergegeven – zijn dat het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk wordt verklaard, dan wel dat compenserende maatregelen in de strafoplegging worden getroffen.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer het volgende.


Met hetgeen door de verdediging is aangevoerd is niet (voldoende) onderbouwd dat, of waarom, sprake zou zijn van een oneerlijk proces.

Ten aanzien van [getuige 2] is inmiddels komen vast te staan dat het in verband met diens slechte gezondheidstoestand niet mogelijk is om hem als getuige te kunnen horen en het verzoek om [getuige 1] alsnog als getuige te mogen horen is, zoals hiervoor overwogen, afgewezen. De verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] zijn, anders dan de raadsman stelt, echter niet de enige bewijsmiddelen en het bewijs rust ook niet in overwegende mate op die verklaringen. Niet is onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat deze verklaringen als ontlastend zouden kunnen worden aangemerkt. De stelling dat deze verklaringen (voor zover ze al voor het bewijs worden gebruikt) als ‘sole’ en ‘decisive’ moeten worden aangemerkt mist dan ook feitelijke grondslag. Naast de verklaringen van verdachte, die zowel tegenover de opsporingsambtenaren als tegenover de eerste rechter de hem ten laste gelegde feiten grotendeels heeft bekend, gebruikt het hof de inhoud van het dossier voor het bewijs, een en ander zoals dit later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zal worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bij de beslissing over wie al dan niet zal worden vervolgd heeft in de eerste plaats te gelden dat op grond van het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel aan het openbaar ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid toekomt. Het hof komt het niet toe de wenselijkheid van de vervolging te toetsen. Het openbaar ministerie dient bij de beslissing tot vervolging van een verdachte over te gaan een redelijke en billijke afweging te maken. In de voorliggende zaak waren zowel verdachte als [getuige 2] en [getuige 1] werkzaam binnen [bedrijf 1] . Volgens de taakverdeling binnen het bedrijf had ieder van hen een eigen, specifieke taak. [getuige 2] gaf leiding aan het productieproces, [getuige 1] verzorgde de acquisitie en verdachte was verantwoordelijk voor de administratie en het doen van fiscale aangiften. Verdachte was destijds registeraccountant en heeft als zodanig status en kennis van administraties. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel, dat de marginale toetsing die het hof toekomt om de beslissing om alleen verdachte te vervolgen wegens de onderhavige fiscale delicten geen willekeurige beslissing is geweest en daarmee rechtmatig is genomen.

Het hof verwerpt, gelet op het voorgaande, het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging om deze reden.

De raadsman heeft voorts bepleit dat het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu – zakelijk weergegeven – sprake is van willekeur bij de vervolging van verdachte in verband met de onjuiste opgaves van intracommunautaire verwerving, terwijl bij tenminste 8400 andere ondernemers door de Belastingdienst fouten zijn geconstateerd in de aangiften op dit gebied.

Het hof overweegt dat in de eerste plaats onvoldoende is onderbouwd dat sprake zou zijn van vergelijkbare gevallen. Vast staat dat verdachte geruime tijd registeraccountant is geweest en dat hij als zodanig jarenlang werkzaam is geweest in de accountancy, onder meer als vennoot bij [bedrijf 4] . Met de hoedanigheid als registeraccountant, kennis en opgedane ervaring mag bij verdachte niet alleen op boekhoudkundig, maar ook op fiscaal terrein de nodige kennis worden verondersteld. Afgezien daarvan, op de internetsite van de Belastingdienst is voor verdachte, met zijn specifieke achtergrond, eenvoudig te lezen hoe intracommunautaire verwervingen in een aangifte OB verwerkt moeten worden. Dat het desondanks, zoals door de raadsman aangevoerd, kennelijk bij tenminste 8400 ondernemers fout is gegaan maakt dit niet anders. Van die ondernemers kan zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, immers niet worden gesteld dat zij zowel op boekhoudkundig als op fiscaal terrein over enige kennis beschikken.

Daar komt bij dat verdachte heeft toegegeven dat hij de intracommunautaire verwerving níet in zijn aangiften OB heeft vermeld en ook waarom hij dit heeft nagelaten terwijl uit de door de raadsman overgelegde informatie van de Belastingdienst blijkt dat door de bedoelde ondernemers de intracommunautaire verwerving op een verkeerde wíjze in de aangifte werd verwerkt.

Het hof verwerpt ook dit verweer.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 7 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewijs

In zijn pleitnota heeft mr. Hendriks in de punten 2.13 en 2.15, in samenhang bezien, betoogd dat de verklaringen van [getuige 2] van het bewijs moeten worden uitgesloten. Dit betoog is geplaatst in de sleutel van het treffen van compensatie voor het niet kunnen horen van [getuige 2] als getuige. Dit tegen de achtergrond dat de raadsman de verklaringen aanmerkt als ‘decisive”.

Het hof heeft bovenstaand reeds gemotiveerd aangegeven dat de stelling dat verklaringen van [getuige 2] ‘decisive’ zijn feitelijke grondslag mist. Gelet daarop is er geen reden de verklaringen van [getuige 2] van het bewijs uit te sluiten.

Het hof verenigt zich met de onderstaande cursief weergegeven overwegingen van de rechtbank houdende de selectie van de bewijsmiddelen en nadere overwegingen met betrekking tot de vaststelling van de feiten en het bewijs. Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van het bewijs en de, in hoger beroep herhaalde, verweren terecht en op goede gronden heeft geoordeeld en zal die overwegingen, voor zover hierna is aangegeven, tot de zijne maken. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen en neemt – voor zover hierna is vermeld – de bewijsmotiveringen en de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen uit het vonnis over. De rechtbank overwoog onder meer:

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij de feiten 1, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 en 7 primair heeft gepleegd als feitelijk leidinggever dan wel opdrachtgever van/aan [bedrijf 1] respectievelijk [bedrijf 2] . De rechtbank zal daarom eerst de feitelijke en juridische verhouding tussen verdachte en deze twee vennootschappen weergeven. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op elk van de ten laste gelegde feiten.

[bedrijf 1]

Verdachte is in de ten laste gelegde periode van 1 januari 2013 tot en met 29 juni 2015 middels [bedrijf 5] voor 55% aandeelhouder van [bedrijf 1] geweest. Hij was bestuurder van [bedrijf 5] en had via de [stichting] alle aandelen van [bedrijf 5] in handen.

De activiteiten van [bedrijf 1] bestonden uit de productie en verkoop van kunststof

kozijnen en deuren. De benodigde profielen werden meestal in Duitsland ingekocht.

De administratie van [bedrijf 1] werd verzorgd door verdachte. Hij maakte ook de

fiscale aangiften en de jaarstukken op en diende deze bij de Belastingdienst in.

[bedrijf 1] is met ingang van 16 februari 2016 ontbonden nadat per 16 juni 2015 de activiteiten al gestaakt waren.

Gezien de positie en rol van verdachte binnen [bedrijf 1] was hij naar het oordeel van de rechtbank feitelijk leidinggever van de BV en dienen zijn gedragingen met betrekking

tot de aangiften omzetbelasting (hierna: OB) en loonbelasting/premie volksverzekeringen

(hierna: LB/PH) aan [bedrijf 1] toegerekend te worden.

[bedrijf 2]

De aandelen van [bedrijf 2] zijn voor 100% in bezit van [bedrijf 5] .

De activiteiten van [bedrijf 2] bestaan uit het leveren van managementdiensten en het verzorgen van financiële dienstverlening aan voornamelijk gelieerde partijen.

Op de ten laste gelegde data 1 december 2012 en 25 september 2014 en in de ten laste gelegde periode van 1 januari 2013 tot en met 31 januari 2014 was verdachte directeur (alleen en zelfstandig bevoegd) van [bedrijf 2] .

De kwartaalaangiften OB en de jaarrekeningen van [bedrijf 2] werden opgesteld en ingediend door verdachte. Hij verzorgde ook de dagelijkse administratie, stelde facturen op en verwerkte deze in een excel-bestand. Verder hield verdachte de debiteuren- en crediteurenadministratie bij.

Verdachte is naar het oordeel van de rechtbank eveneens feitelijk leidinggever van [bedrijf 2]

geweest en zijn gedragingen met betrekking tot de kilometeradministratie en

de aangiften LB/PH dienen dan ook aan [bedrijf 2] toegerekend te worden.

Met betrekking tot de feiten 1 en 2

Verdachte heeft toegegeven dat hij opzettelijk onjuiste aangiften OB over de vier kwartalen

van 2013 en het eerste kwartaal van 2014 heeft gedaan "om de liquiditeit binnen de club te

houden en [bedrijf 1] draaiende te houden".

Daarnaast heeft verdachte toegegeven dat hij de intracommunautaire verwervingen van [bedrijf 1] niet in de aangiften OB over 2013 en het eerste kwartaal van 2014 heeft vermeld.

Volgens verdachte wist hij niet dat hij deze verwervingen moest aangeven.

Met betrekking tot de aangifte OB over het 2e kwartaal van 2014 heeft verdachte verklaard

dat het hem ontschoten was om deze aangifte in te dienen.

Verdachte ontkent aldus – voor zover het de intracommunautaire verwervingen betreft – opzettelijk onjuiste aangiften OB te hebben gedaan. Ook ontkent hij opzet op het niet doen van de aangifte OB over het tweede kwartaal van 2014. De rechtbank overweegt met betrekking tot deze verweren als volgt.

Verdachte is registeraccountant en als zodanig jaren werkzaam geweest in de accountancy,

onder meer als vennoot bij [bedrijf 4] . Als registeraccountant heeft verdachte niet

alleen op boekhoudkundig, maar ook op fiscaal terrein de nodige kennis. Bovendien is op de

internetsite van de Belastingdienst voor een ieder eenvoudig te lezen hoe intracommunautaire verwervingen in een aangifte OB verwerkt moeten worden.

De rechtbank stelt verdachtes verklaring dat hij niet op de hoogte was van de verplichting om in de aangiften OB melding te maken van de intracommunautaire verwervingen van [bedrijf 1] dan ook als ongeloofwaardig terzijde. Hetzelfde geldt voor zijn verklaring dat hij vergeten is om aangifte OB over het tweede kwartaal van 2014 te doen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachtes opzet op het doen van onjuiste aangiften OB over 2013 en het eerste kwartaal van 2014 zich ook uitstrekt tot het niet vermelden van de

intracommunautaire verwervingen van [bedrijf 1] . De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte met opzet de aangifte OB over het tweede kwartaal van 2014 van

[bedrijf 1] niet heeft gedaan.

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot feit 3

Tijdens het boekenonderzoek door de Belastingdienst is geconstateerd dat [bedrijf 1]

in 2013 netto betalingen aan binnen de onderneming werkzame personen heeft verricht,

terwijl er in en over dat jaar geen aangiften LB/PH door [bedrijf 1] zijn gedaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat er in 2013 sprake is geweest van betalingen

door [bedrijf 1] aan de heren [naam 2] en [naam 1] . Beiden waren op uitleenbasis

werkzaam bij [bedrijf 1] maar in dienst van [bedrijf 6] , aldus verdachte.

Verdachte heeft verder verklaard dat de kosten van het personeel per maand middels facturen zouden worden doorbelast door [bedrijf 6] aan [bedrijf 1] .

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting echter de

volgende feiten en omstandigheden vast.

- [bedrijf 1] heeft in 2013 geen facturen inzake doorberekening van loonkosten van de werknemers [naam 2] en [naam 1] van [bedrijf 6] ontvangen.

- Namens [naam 2] en [naam 1] is een verzoek tot faillietverklaring van [bedrijf 1] gedaan. In dit verzoek staat dat [naam 2] en [naam 1] op 1 januari 2013 voor onbepaalde tijd in dienst zijn getreden bij [bedrijf 1] als productiemedewerkers kunststofkozijnen. Zij werkten in de vestiging in [plaats] .

- In het digitale controledossier van de Belastingdienst is een excel-bestand met de naam

" [bedrijf 7] " opgenomen. In dit bestand staan de namen van [naam 2] en

[naam 1] met de omschrijving "salaris" op diverse data in 2013.

- In de woning van verdachte is een ordner met opschrift " [ordner 1] " en een ordner met opschrift " [ornder 2] " aangetroffen, met daarin:

• loonstroken [bedrijf 1] juli 2013 t/m december 2013 ten name van [naam 1] ;

• loonstroken [bedrijf 1] juli 2013 t/m december 2013 ten name van [naam 2] ;

• een jaaropgave 2013 op naam van [naam 1] .

- De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat [naam 2] en [naam 1] in de periode

2012 tot en met 2015 in dienst waren van [bedrijf 1] .

- De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [naam 2] en [naam 1] op 28 februari 2013 zijn

overgegaan van [bedrijf 6] naar [bedrijf 1] .

- In de periode dat [naam 2] en [naam 1] werkzaam waren voor [bedrijf 1] gaf

verdachte werkopdrachten aan beide heren.

De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang

bezien - af dat er in de maanden maart tot en met december van 20 l 3 sprake is geweest van

een dienstbetrekking tussen [bedrijf 1] en de heren [naam 2] en [naam 1] en dat

verdachte ten onrechte geen aangiften LB/PH over die maanden van 2013 heeft ingediend in verband met de loonbetalingen aan beide heren.

De rechtbank acht het onder 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot feit 4

Verdachte heeft verklaard dat hij als directeur/grootaandeelhouder van [bedrijf 2] op 25 september 2014 zijn kilometeradministratie over de jaren 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013 desgevraagd aan de Belastingdienst heeft overhandigd. Uit deze administratie zou

moeten blijken dat hij geen privégebruik heeft gemaakt van de verschillende door [bedrijf 2]

aan hem ter beschikking gestelde auto's. De controleambtenaren van de

Belastingdienst hebben echter aan de hand van CJIB-overzichten en APK-keuringen

vastgesteld dat de kilometeradministratie over de jaren 2011, 2012 en 2013 niet correct is. De kilometeradministratie over de jaren 2009 en 2010 is beoordeeld en akkoord bevonden.

Verdachte heeft toegegeven dat de door hem overgelegde kilometeradministratie niet juist was, onder meer omdat er fictieve zakelijke ritten in opgenomen waren teneinde de administratie sluitend te maken.

De rechtbank acht het onder 4 primair ten laste gelegde, voor zover dit ziet op de

kilometeradministratie over de jaren 2011, 2012 en 2013, wettig en overtuigend bewezen.

[…]

Met betrekking tot feit 6

Uit het dossier blijkt dat [bedrijf 2] over de jaren 2011, 2012 en 2013 verschillende auto's aan verdachte - in zijn hoedanigheid van directeur/grootaandeelhouder van de BV - ter beschikking heeft gesteld. Hiervan is geen aangifte LB/PH gedaan. Daarvan mag echter uitsluitend worden afgezien als een sluitende kilometeradministratie kan worden overgelegd aan de Belastingdienst. Nu de rechtbank met betrekking tot feit 4 reeds geoordeeld heeft dat de door verdachte overgelegde kilometeradministratie over de jaren 2011, 2012 en 2013 vals was, acht de rechtbank ook het onder 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot feit 7

Uit het dossier blijkt dat de factuur van [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] , gedateerd 1 december 2012, is aangetroffen op een usb-stick die verdachte aan de curator van [bedrijf 1] heeft overgedragen. Verdachte heeft verklaard dat hij deze factuur heeft opgemaakt met de bedoeling om de door [bedrijf 1] over het vierde kwartaal van 2012 af te dragen OB te verlagen. Ten tijde van het opmaken van de factuur wist verdachte dat [bedrijf 3] al failliet was.

Door achtereenvolgens:

- de factuur op naam van [bedrijf 3] op te maken, wetende dat die BV op

dat moment reeds failliet was;

- de op de factuur vermelde OB in vooraftrek te brengen in de aangifte OB van [bedrijf 1]

over het vierde kwartaal van 2012, en

- de factuur in digitale vorm aan de curator van [bedrijf 1] ter beschikking te stellen, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de factuur, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs te dienen van de rechtmatigheid van de vooraftrek van de OB, valselijk opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken. Het verweer van de raadsman dat verdachte de factuur niet als echt en onvervalst heeft gebruikt wordt verworpen.

Uit het dossier blijkt niet dat verdachte - zoals ten laste gelegd - als feitelijk leidinggevende

dan wel opdrachtgever van [bedrijf 2] heeft gehandeld, zodat hij van het onder 7 primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De rechtbank acht het onder 7 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

En voorts:

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's zijn dit bladzijden uit het dossier van de FIOD Belastingdienst, kantoor Arnhem nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt

vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe

bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 februari 2017 inhoudende:

[bedrijf 5] bezit 100% van de aandelen van [bedrijf 2] . De activiteiten

van [bedrijf 2] bestaan uit het leveren van managementdiensten en het verzorgen van financiële dienstverlening aan voornamelijk gelieerde partijen. De werkzaamheden worden door mij verricht. De kwartaalaangiften omzetbelasting en de jaarrekeningen worden opgesteld en ingediend door mij. Ik verzorg ook de dagelijkse administratie, stel facturen op en verwerk deze in Excel. Verder houd ik de debiteuren- en crediteurenadministratie bij.

Ik ben middels [bedrijf 5] voor 55% aandeelhouder van [bedrijf 1]

geweest. De activiteiten van [bedrijf 1] bestonden uit de productie en verkoop van

kunststof kozijnen en deuren. De benodigde profielen werden meestal in Duitsland

ingekocht. Ik verzorg ook de administratie van [bedrijf 1] . Ik maak de fiscale

aangiften en de jaarstukken op en diende deze bij de Belastingdienst in.

[bedrijf 1] is met ingang van 16 februari 2016 ontbonden nadat per 16 juni 2015

de activiteiten al gestaakt waren.

Het klopt dat ik als verantwoordelijke en feitelijke leidinggevende binnen [bedrijf 1]

de ICV niet in de aangiften omzetbelasting, van de in de tenlastelegging genoemde

periodes, heb opgenomen […]. Ik moest nog de aangifte omzetbelasting over het 2e kwartaal van 2014 indienen.

Er is sprake geweest in 2013 van loonbetalingen aan personen, de werknemers [naam 2] en [naam 1] , die werkzaam waren bij [bedrijf 1]

Ik heb ook als directeur-grootaandeelhouder, zijnde de feitelijke leidinggevende van [bedrijf 2]

, de kilometeradministratie overhandigd aan de Belastingdienst waaruit zou

moeten blijken dat er geen privégebruik van de auto 's heeft plaats gevonden. Het klopt dat

deze administratie niet juist is opgesteld en dat er voor de jaren 2009 tot en met 2013 ten

onrechte geen rekening is gehouden met een correctie voor het privégebruik van ter

beschikking gestelde auto's.

Ik heb ook de factuur gedateerd 1 december 2012 van [bedrijf 3] en

gericht aan [bedrijf 1] opgemaakt. Ik heb die factuur opgemaakt voor [getuige 2]

om zo [getuige 2] een vordering op [bedrijf 1] te geven. Het klopt dat

[getuige 2] geen vordering had.

Ik sta sinds 20 augustus 1990 bij het NBA (Nederlandse Beroepsorganisatie Accountants) als registeraccountant geregistreerd. Ik ben werkzaam geweest als registeraccountant bij [bedrijf 4] en was ook vennoot van [bedrijf 4] . Ik ben daarna als onafhankelijk adviseur werkzaam geweest voor [bedrijf 8] , gespecialiseerd op het gebied van accountancy, belastingadvies en consultancy. Vanaf het najaar 2011 ben ik als onafhankelijk adviseur verbonden aan [bedrijf 9] .

2.

Een proces verbaal van verhoor d.d. 19 oktober 2015 zijnde de verklaring van de verdachte

(V-001-01)inhoudende:

Ik deed de aangiften OB van [bedrijf 1] aan de hand van de administratie in Exact.

Ik heb het gedaan, opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting bij [bedrijf 1] , om

de liquiditeit binnen de club te houden en [bedrijf 1] draaiende te houden.

Ik deed de aangiften omzetbelasting [bedrijf 1] aan de hand van de administratie

in Exact maar die cijfers heb ik gecorrigeerd door andere, te lage af te dragen OB aan te

geven in de aangiften OB van [bedrijf 1] .

3.

Een proces verbaal van verhoor d.d. 19 oktober 2015 zijnde de verklaring van de verdachte

(V-003-01) inhoudende:

Ik heb de factuur met kenmerk DOC-094 gemaakt. Het is een fout van mij geweest om een

factuur op te maken op het briefpapier van [bedrijf 3] . Ik had de bedoeling

met deze factuur om de BTW te verlagen van [bedrijf 1] en [getuige 2] had dan

een vordering op [bedrijf 1] gehad. De BTW op de factuur in het 4e kwartaal 2012 welke ik in aftrek heb gebracht in dat kwartaal heeft betrekking op deze factuur DOC-094 die u mij toont. Het bedrag qua omzetbelasting is niet in de administratie van [bedrijf 1]

in Exact verwerkt maar is wel in aftrek gebracht in het 4e kwartaal 2012 door mij.

4.

Een factuur van [bedrijf 3] , gedateerd 01-12-2012 en gericht aan [bedrijf 1]

inzake de overname van de voorraad Inoutic profielen en toebehoren, waarin

staat vermeld: "Zoals met u is overeengekomen" en het bedrag is gespecificeerd € 65.000 +

OB 21% € 78.650 (DOG-094).

5.

Een proces-verbaal-van verhoor d.d. 8 oktober 2015, zijnde de verklaring van de getuige [getuige 3]

(G002), voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Ik heb ongeveer in februari/maart 2013 met [verdachte] gesproken. Ik heb daar drie maanden [verdachte] op elk gebied geholpen. [naam 2] en [naam 1] waren in de periode 2012 t/m 2015 in dienst van [bedrijf 1] .

6.

Een geschrift (AMB-012, pag. 273) inhoudende het verzoek tot faillietverklaring van [bedrijf 1]

waarin staat dat de verzoekers tot faillietverklaring onder meer zijn: [naam 2] en [naam 1] . [naam 2] en [naam 1] zijn sinds 1 januari 2013 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [bedrijf 1] als productiemedewerkers kunststofkozijnen. Zij werkten in de vestiging in [plaats] .

7.

Een document (DOC-089, pag. 830) zijnde het digitale controledossier van de

Belastingdienst waarin staat een Excel-bestand met naam " [bedrijf 7] " met

een specificatie van het bedrag van € 107.856,-- In de specificatie staan de namen genoemd

van [naam 2] en [naam 1] met de omschrijving "salaris" op diverse data in 2013.

8.

Een geschrift zijnde een proces-verbaal van doorzoeking d.d. 4 augustus 2015 (AMB 020)

waaruit blijkt dat in de woning van verdachte een ordner met opschrift " [ordner 1] "

(A.04.01.006) en een ordner met opschrift " [ornder 2] "

(A.05.01.005) is aangetroffen, met daarin:

• Loonstroken [bedrijf 1] juli 2013 t/m december 2013 ten name van [naam 1] (DOC-

118 t/m DOC-123, pag. 1299 e.v.)

• Loonstroken [bedrijf 1] juli 2013 t/m december 2013 ten name van [naam 2] (DOC-125 t/m

DOC-130);

• Jaaropgave 2013 [naam 1] (DOC-116, pag. 1297).

9.

Een proces-verbaal van bevindingen van rechercheur [verbalisant 1] , werkzaam bij de

Belastingdienst/FIOD, d.d. 5 augustus 2015 (AMB-015), voor zover inhoudende, zakelijk

weergegeven:

Op 20 juli 2015 bezochten collega [verbalisant 2] en verbalisant het kantooradres van [kantoor curator] van curator [curator] inzake [bedrijf 1] . Wij werden te woord

gestaan door [naam 3] .

[naam 3] overhandigde ons in kopie reeds klaarliggende stukken die [verdachte] heeft

aangeleverd aan de curator. Onder de klaarliggende stukken bevonden zich:

- een USB-stick. [naam 3] verklaarde dat het de originele USB-stick betreft die [verdachte]

heeft aangeleverd aan de curator.

USB-stick zilverkleurig

Ik heb van de volgende bestanden (afkomstig van de USB-stick zilverkleurig) een afdruk op

papier gemaakt en heb aan de papieren afdrukken een DOC-nummer toegekend:

DOC-093 - [bedrijfsnaam] briefpapier blanco alleen met kop

DOC-094 - Factuur [bedrijf 3] aan de directie van [bedrijf 1] d.d.
01-12-2012

DOC-095 - [bedrijf 1] berekening btw 2012 (€ 254) en 2013 (€ 62.922).

In aanvulling op voormelde bewijsoverwegingen van de rechtbank en de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, gebruikt het hof nog voor het bewijs:

Een proces-verbaal van aanvang met dossiernummer [nummer] en codenummer AMB-001, d.d.
15 juli 2015 in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (dossierpagina’s 0076 en volgende) – zakelijk weergegeven – inhoudende:

als relaas van de verbalisant:

Vermoedelijke voeren van een valse administratie.

In het controle-rapport (DOC-051) staat: Belastingplichtige heeft voor de jaren 2011 t/m 2013 onterecht geen rekening gehouden met een correctie voor het privégebruik van ter beschikking gestelde auto's. [verdachte] heeft namens [bedrijf 2] een km-administratie overhandigd waaruit moet blijken dat er géén privégebruik auto plaatsvindt. De kilometeradministratie voor de jaren 2011 t/m 2013 is onjuist. [bedrijf 2] heeft gedurende de jaren 2009 t/m 2013 personenauto's ter beschikking gesteld aan [verdachte] (directeur groot aandeelhouder).

[bedrijf 2] dient in haar aangiften loonheffing het privégebruik van de auto aan te geven, tenzij een verklaring uitsluitend privégebruik of een sluitende kilometeradministratie kan worden overhandigd. [verdachte] heeft op 25 september 2014 een km-administratie over de jaren 2009 t/m 2013 overhandigd. Van deze personenauto's wordt door [verdachte] geen privégebruik aangegeven, niet in de aangifte IB [verdachte] privé, maar ook niet in de aangiften loonheffingen van [bedrijf 2] . Er is een kilometeradministratie overgelegd, maar deze blijkt op vele onderdelen niet correct te zijn. Dit is te controleren aan de hand van CJIB overzichten en de APK. De regels rond het privégebruik van de zakelijke auto en de eisen waaraan een rittenadministratie moet voldoen, mogen algemeen bekend worden verondersteld. Als dan een administratie niet overeenkomt met extern geverifieerde gegevens, geeft die administratie geen juist beeld van wat werkelijk is voorgevallen. Dat

veronderstelt bewustheid bij de opsteller.

Onderzoek Kilometeradministratie 2011

De km-administratie van het jaar 2011 is beoordeeld maar niet akkoord bevonden. Belastingplichtige heeft meerdere verkeersboetes ontvangen. Deze verkeersovertredingen zijn begaan op plaatsen waar de auto volgens de km-administratie niet is geweest. Het betreft de locatie:

Datum: 8-7-2011

Tijd: 21:37

Locatie: [locatie 1]

Feit: Voertuig laten staan in een park, plantsoen, of op openbare beplantingen

Route volgens administratie: [route 1]

Aangezien de kilometerstand doorlopend is opgenomen in de administratie en de auto op een plaats is geweest die niet in de administratie is opgenomen kan de administratie niet juist zijn. De administratie over het jaar 2011 wordt dan ook verworpen en een bijtelling dient plaats te vinden voor [verdachte] (IB) of [bedrijf 2] (LH). Aan [verdachte] stond deze auto met het kenteken [kenteken 1] ter beschikking.

Onderzoek Kilometeradministratie 2012.

De km-administratie van het jaar 2012 is beoordeeld maar niet akkoord bevonden. Belastingplichtige heeft meerdere verkeersboetes ontvangen. Deze verkeersovertredingen zijn begaan op plaatsen waar de auto volgens de km-administratie niet is geweest. Het betreft de volgende locaties:

Datum: 7-1-2012

Tijd: 14:13

Locatie: [locatie 2]

Feit: Parkeren buiten parkeervak

Route volgens administratie: Geen route opgenomen deze dag

Datum: 18-11-2012

Tijd: 16:48

Locatie: [locatie 3]

Feit: Niet stoppen voor rood licht

Route volgens administratie: Geen route opgenomen deze dag

De auto met het kenteken [kenteken 2] heeft op twee dagen gereden waarbij de ritten niet zijn opgenomen in de km-administratie. De km-administratie kan worden verworpen voor 2012 aangezien de kilometerstand volgens de administratie wel doorlopend is opgenomen. Aangezien de auto ter beschikking staat aan [verdachte] dient voor [verdachte] (IB) of [bedrijf 2] (LH) een bijtelling plaats te vinden.

Onderzoek Kilometeradministratie 2013

De km-administratie van het jaar 2013 is beoordeeld maar niet akkoord bevonden. Belastingplichtige heeft meerdere verkeersboetes ontvangen in 2013. Deze verkeersovertredingen zijn begaan op plaatsen waar de auto volgens de km-administratie niet is geweest. Het betreft de volgende locaties:

datum

tijd

locatie

feit

Route volgens administratie

23-1-2013

14:51

[locatie 4]

Snelheid 12 km/h

[route 2]

2-4-2013

19:29

[locatie 5]

Snelheid 11 km/h

[route 2]

22-5-2013

00:39

[locatie 6]

Snelheid 18 km/h

[route 2]

11-6-2013

11:53

[locatie 7]

Snelheid 13 km/h

[route 3]

21-7-2013

10:09

[locatie 8]

Snelheid 18 km/h

Geen route opgenomen deze dag

8-8-2013

10:27

[locatie 9]

Snelheid 10 km/h

[route 4]

8-8-2013

10:45

[locatie 8]

Snelheid 8 km/h

[route 4]

20-8-2013

16:34

[locatie 10]

Snelheid 23 km/h

[route 2]

13-9-2013

22:12

[locatie 11]

Snelheid 6 km/h

[route 4]

13-9-2013

22:28

[locatie 6]

Snelheid 10 km/h

[route 4]

Er heeft een APK keuring plaatsgevonden op 25-11-2013 bij autobedrijf [bedrijf 10] . Volgens de keuringsgegevens bedraagt de km-stand op deze datum 133.278 km. Volgens de administratie is de eindstand van de kilometers op die dag 97.118. Hieruit blijkt dat de km-administratie niet de juiste stand aangeeft. Niet alle ritten zijn in de administratie verwerkt. De combinatie van de verkeersboetes en de niet kloppende kilometerstand volgens de APK keuring leiden ertoe dat de km-administratie over 2013 wordt verworpen. Aangezien [verdachte] deze auto tot zijn beschikking had dient voor [verdachte] of [bedrijf 2] de bijtelling privé gebruik auto verwerkt te worden. De bijtelling voor het privé gebruik auto had door belastingplichtige in de aangiften loonheffing verwerkt moeten worden.

Ten aanzien van de overige door de raadsman aangevoerde bewijsverweren overweegt het hof nog het volgende.

Voor zover in de voormelde bewijsoverwegingen van de rechtbank ten aanzien van het feitelijk leidinggeven aan de verschillenden ten laste gelegde strafbare gedragingen nog nadere aanvulling behoeven, overweegt het hof dat het in de onderhavige zaak niet gaat om, zoals de raadsman lijkt te bedoelen, het in het productieproces aansturen van personeel door het geven van werkopdrachten, dan wel het feitelijk uitvoeren van enkele basale handelingen in de salarisadministratie. Het gaat in de onderhavige zaak om het doen van aangiften OB en LB/PH over verschillende periodes. Zoals hiervoor overwogen en door verdachte erkend was verdachte degene die zich hiermee binnen de ondernemingen als enige bezighield en hij was hier binnen de organisaties ook verantwoordelijk voor.

Verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van betrokkenheid bij het onder 5 ten laste gelegde valselijk opmaken van de kilometeradministratie. Deze vrijspraak was niet gelegen in de omstandigheid dat niet bewezen kon worden dat de betreffende kilometeradministratie over de aangegeven periodes vals zou zijn. Verdachte werd vrijgesproken omdat specifiek was ten laste gelegd dat het valselijk opmaken van die administratie had plaatsgevonden op of omstreeks 25 september 2015 en voor het plegen van dat feit op die specifieke datum is geen bewijs voorhanden. Een gevolg van deze vrijspraak kan dan ook niet zijn dat (ook) vrijspraak moet volgen van het gebruik van die (valse) kilometeradministratie. Voor zover het verweer hierop is gericht, wordt het verworpen.

Ten aanzien van het gebruik (en de bestemming om te worden gebruikt) van de op een USB-stick aangetroffen factuur op naam van [bedrijf 3] overweegt het hof dat verdachte deze factuur heeft meegenomen in de vooraftrek. Daarmee is niet alleen feitelijk gebruik gemaakt van de valse factuur, maar hieruit vloeit ook het oogmerk tot het gebruik daarvan voort. Om een post in vooraftrek te kunnen opvoeren, moet immers worden beschikt over een onderliggend stuk en daartoe heeft verdachte kennelijk de betreffende factuur (valselijk) opgemaakt.

Het te dien aanzien gevoerde verweer wordt daarom verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4 primair, 6 en 7 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
[bedrijf 1] in de periode van 1 juli 2014 tot en met 29 juni 2015 in Nederland, als ondernemer in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het 2e kwartaal van 2014, niet heeft gedaan, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging;

2.
[bedrijf 1] op verschillende tijdstippen in de periode van 23 april 2013 tot en met 1 mei 2014, in Nederland, als ondernemer in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten de aangifte voor de Omzetbelasting over

- het eerste kwartaal en tweede kwartaal en derde kwartaal en vierde kwartaal van 2013, en

- het eerste kwartaal van 2014,

onjuist heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen/de Belastingdienst, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid hierin bestaan, dat in genoemde (elektronische) aangiftebiljetten telkens een te hoog bedrag aan voorbelasting in aftrek werd gebracht en daardoor een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting werd aangegeven, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedragingen;
3. primair
[bedrijf 1] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 januari 2014 in Nederland, als inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de Loonbelasting 1964, meermalen, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen over de maanden maart en april en mei en juni en juli en augustus en september en oktober en november en december, van het jaar 2013, niet heeft gedaan, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedragingen;

4. primair
[bedrijf 2] op 25 september 2014 in Nederland, als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hierin bestaande dat de kilometeradministratie over de jaren 2011 en 2012 en 2013 aan de Belastingdienst beschikbaar werd gesteld, terwijl in die kilometeradministraties niet de privé gereden kilometers waren vermeld en privé gereden kilometers als zakelijk waren aangegeven en ten onrechte adressen waren opgevoerd en ten onrechte adressen meermalen waren opgevoerd en onjuiste kilometerstanden waren opgegeven, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

6.
[bedrijf 2] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 januari 2014 in Nederland, als inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de Loonbelasting 1964, meermalen, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen over de maanden van 2011 en 2012 en 2013, onjuist heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen/de Belastingdienst, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid hierin bestaan, dat in genoemde (elektronische) aangiftebiljetten telkens een te laag bedrag aan te betalen loonbelasting/premie volksverzekeringen werd vermeld/opgegeven/aangegeven, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

7. subsidiair
hij op 1 december 2012 in Nederland, opzettelijk een factuur van [bedrijf 3] d.d. 1-12-2012, gericht aan [bedrijf 1] , zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan dat genoemde factuur niet door [bedrijf 3] is opgemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

Het onder 2 en 6 bewezen verklaarde levert telkens op:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze opzettelijk niet voor dit doel beschikbaar stellen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Het onder 7 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

valsheid in geschrift.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft (in punt 4.9 van de pleitnota) aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat er sprake zou zijn van noodweerexces. De onderbouwing voor dit verweer is vermeld in punt 4.3 van de pleitnota en behelst – zakelijk weergegeven – de omstandigheid dat verdachte bang was voor [getuige 1] die geld uit de onderneming verduisterde, die erg dominant was en die een pistool op zak had. [getuige 1] dwong verdachte investeringen te doen, aldus de raadsman. Een verdere argumentatie ontbreekt.

Gesteld noch gebleken is dat voor verdachte op enig moment sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed geboden was. Het bestaan van een dergelijke situatie is ook anderszins niet aannemelijk geworden. Een beroep op noodweer kan daarom niet slagen. Nu geen sprake is van een noodweersituatie is het beroep op noodweerexces hetzelfde lot beschoren.

Voor zover bedoeld mocht zijn een beroep te doen op psychische overmacht of (zoals in punt 4.5 genoemd) verontschuldigbare rechtsdwaling, stelt het hof vast dat te dien aanzien geen aanknopingspunten voorhanden zijn. Het hof gaat hier daarom aan voorbij.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zestal misdrijven die alle tot doel hadden om financieel gewin te behalen. Zo heeft hij feitelijke leiding gegeven aan het doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting, loonbelasting en premie volksverzekeringen door twee bedrijven waar hij mede-eigenaar van was, te weten [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Voor laatstgenoemd bedrijf heeft verdachte een vervalste kilometeradministratie bij de belastingdienst ingediend met betrekking tot een periode van drie jaren. Ten slotte heeft verdachte een factuur valselijk opgemaakt. Het benadelingsbedrag dat door het handelen van verdachte voor de Belastingdienst – en daarmee voor de samenleving – is ontstaan, wordt door het hof begroot op een bedrag rond de tweehonderdduizend euro. Het hof passeert het door de raadsman in hoger beroep overgelegde controlerapport d.d. 1 september 2020, opgemaakt door [naam 4] , nu aan dit rapport – gelet op de inhoud van dit arrest – niet de juiste uitgangspunten ten grondslag liggen, terwijl het niet is opgemaakt op basis van het gehele voorliggende strafdossier, doch slechts op basis van door verdachte aangeleverde stukken en met hem gevoerde gesprekken.

Naast de hoogte van het benadelingsbedrag hebben ook de hoeveelheid gepleegde feiten, zowel wat het aantal ervan als ook de verschillende soorten/gebieden betreft, de periode waarover de feiten zijn gepleegd van december 2012 tot en met 29 juni 2015 als ook de hoedanigheid van de verdachte als registeraccountant, invloed op de aard en omvang van de op te leggen straf.

In het onderhavige geval geldt op grond van de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) als uitgangspunt voor de op te leggen straf, bij een benadelingsbedrag van € 125.000,00 tot € 250.000,00 oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van tussen de negen en twaalf maanden. Verdachte heeft – als voormeld – niet alleen op verschillende gebieden (OB, LB/PH) valse aangiften gedaan, maar hij deed dat ook over verschillende tijdvakken en alles bij elkaar hebben de handelingen van verdachte betrekking op een aantal jaren waarover die aangiften werden gedaan. Ten slotte kan niet voorbij worden gegaan aan de omstandigheid dat verdachte is opgeleid tot- en jarenlang werkzaam is geweest als registeraccountant. Hij was naar eigen zeggen1 gespecialiseerd op het gebied van accountancy, belastingadvies en consultancy. Dit maakt dat het bij herhaling doen van valse belastingaangiftes aan verdachte, die als registeraccountant niet alleen een voorbeeldfunctie had maar die met zijn handelen de goede naam en het aanzien van zijn hele beroepsgroep schade berokkent, zwaar wordt aangerekend.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf tevens acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 augustus 2020 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder wegens soortgelijke delicten is veroordeeld.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het tijdsverloop en overweegt in dat verband het volgende.

Verdachte is op 19 oktober 2015 voor het eerst als verdachte door opsporingsambtenaren van de FIOD gehoord. Dit is nu bijna vijf jaren geleden. Het dossier in deze stafzaak is omvangrijk en de zaak is, mede gelet op de hoeveelheid en de aard van de feiten, niet als eenvoudig te omschrijven.

De behandeling van de strafzaak in eerste aanleg is, met een vonnis op 20 februari 2017, relatief vlot en zeker tijdig afgerond.

Nadat verdachte op 3 maart 2017 hoger beroep instelde tegen het vonnis van de rechtbank, stond de zaak bij het hof gepland voor een behandeling ter zitting op 23 augustus 2017. Die behandeling werd op verzoek van de verdediging (wegens de vakantie van verdachte) voor onbepaalde tijd aangehouden. Toen de zaak vervolgens was gepland voor een behandeling ter zitting op 24 januari 2018, kon ook deze behandeling niet doorgaan omdat verdachte de samenwerking met zijn toenmalige raadsman had beëindigd. Op 24 april 2019 kon een eerste behandeling ter zitting in hoger beroep uiteindelijk doorgaan, maar vanwege de van de zijde van de verdediging ingediende onderzoekswensen had deze eerste zitting het karakter van een regiezitting. Uit die zitting vloeide voort dat op verzoek van de verdediging getuigen zijn gehoord. De inhoudelijke behandeling heeft uiteindelijk plaatsgevonden op de terechtzitting van het hof van 2 september 2020.

Onder al deze omstandigheden stelt het hof vast dat weliswaar sprake is van een procedure die onwenselijk lang heeft geduurd, maar die – mede door de vlotte afdoening in eerste aanleg – niet een geheel buiten de invloedssfeer van de verdediging liggende onredelijke vertraging heeft opgeleverd, dat daarin aanleiding kan worden gevonden voor matiging van de op te leggen straf.

Het hof acht, gelet op het voorgaande, bezien in onderling verband en samenhang, oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van voorarrest passend en geboden. Voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel, ziet het hof thans geen aanleiding meer.

Voor zover de raadsman heeft bedoeld te verzoeken om in geval van een veroordeling toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet worden volstaan met afdoening van de zaak zonder oplegging van straf of maatregel.

Ook de door verdachte aangevoerde bezwaren tegen oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf maken niet dat het hof tot oplegging van een andere straf of strafmodaliteit komt. Met oplegging van een andere, of mildere straf wordt naar het oordeel van het hof onvoldoende recht gedaan aan de voormelde aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de rol die verdachte daarbij steeds heeft gespeeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 51, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5 primair en 5 subsidiair tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 7 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4 primair, 6 en 7 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 primair, 4 primair, 6 en 7 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. A. van Maanen, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. W.M. Weerkamp, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,

en op 16 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. A. van Maanen voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Gelet op de verklaring van verdachte, zoals die is weergegeven in bewijsmiddel 1.