Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7179

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
ISD P20/0122
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Voor de beoordeling of de termijn bedoeld in artikel 5, vierde lid, EVRM is overschreden, dient de procedure in eerste en in tweede aanleg in zijn geheel te worden bezien.

Alles overziende is geen sprake van een overschrijding van de termijn.

De rechtbank heeft, in een procedure die voldoet aan de eisen van een eerlijk proces, snel na het uitbrengen van het advies van de penitentiaire inrichting geoordeeld over de noodzaak tot voortzetting van de maatregel.

Hoewel de behandeling van het beroep zeven maanden en daarmee onwenselijk lang heeft geduurd, is desalniettemin spoedig beslist als de uitzonderlijke omstandigheden in verband met het coronavirus, dat ingrijpende maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid noodzakelijk maakte, en de beschikbaarheid van de verdediging in aanmerking worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ISD P20/0122

Beslissing d.d. 3 september 2020

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1987,

verblijvende in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie (CTP) [TCP] .

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2020, inhoudende dat de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt voortgezet.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de betrokkene van 11 februari 2020;

- het uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 15 mei 2020;

- de aanvulling op het voortgangsverslag tenuitvoerlegging ISD-maatregel van Detentiecentrum Zeist van 17 augustus 2020.

Het hof heeft ter zitting van 20 augustus 2020 gehoord de veroordeelde, in aanwezigheid van een tolk in de Arabische/Syrische taal, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C.M.C. Laumanns, advocaat te Amsterdam, en de advocaat-generaal mr. E.J. Julsing-Nijenhuis.

Overwegingen:

Het standpunt van de betrokkene en zijn raadsvrouw

De veroordeelde heeft aangevoerd dat de maatregel lang genoeg heeft geduurd. Hij heeft erop gewezen dat hij lang in de gevangenis heeft gezeten, dat hij de taal heeft geleerd en dat hij alles heeft gedaan wat er van hem verwacht kan worden. Hij wil graag verder met zijn inburgering, hij heeft een uitkering, hij wil gaan werken, een woning zoeken, trouwen en zich definitief in Nederland vestigen. Het recidiverisico is inmiddels nihil.

Zijn raadsvrouw heeft gesteld dat de tenuitvoerlegging van de maatregel - en de daaraan voorafgaande procedure - buiten de schuld van veroordeelde gebrekkig is verlopen, waardoor de maatregel te lang duurt. Veroordeelde heeft lang in voorarrest gezeten voordat de oplegging van de ISD-maatregel heeft plaatsgevonden en dat voorarrest wordt niet verrekend. Ten onrechte zijn er twee voorwaardelijk opgelegde straffen ten uitvoer gelegd voor aanvang van de maatregel. Veroordeelde heeft lang moeten wachten op behandeling en er zijn verkeerde behandeltrajecten in gang gezet. Ten slotte heeft de behandeling van het onderhavige hoger beroep onnodig lang op zich laten wachten.

De raadsvrouw heeft gelet op voorgaande argumenten geconcludeerd tot beëindiging van de maatregel, althans de maatregel in duur te beperken.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de veroordeelde nog ondersteuning en hulp nodig heeft om recidivevrij te blijven. Wat de duur van de behandeling van het beroep betreft, kan worden volstaan met de constatering van de overschrijding. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing waarvan beroep.

Het oordeel van het hof

In het kader van de onderhavige procedure dient het hof te beoordelen of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is. Hierbij is ten eerste van belang of opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, ernstige (drugs)overlast en verloedering van het publieke domein. Daarnaast dient beoordeeld te worden of verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol meer is door een omstandigheid die buiten de macht van de veroordeelde ligt.

Er is bij veroordeelde sprake van onbehandelde problematiek op het gebied van middelenverslaving, waardoor het recidiverisico als hoog moet worden ingeschat. Mogelijk is er ook sprake van psychische problematiek, waarvoor nadere diagnostiek vereist is. Een traject bij de Forensische Verslavingskliniek (FVK) [FVK] is op 31 januari 2020 stopgezet in verband met een taal- en cultuurbarrière en twijfel aan de inzet en motivatie van de veroordeelde. Hij is sinds 30 april 2020 geplaatst bij het Centrum voor Transculturele Psychiatrie (CTP) [TCP] , maar over het behandelperspectief is nog geen duidelijkheid. Hoewel veroordeelde binnen CTP [TCP] een semi-begeleide verlofstatus heeft, verloopt de behandeling met problemen. Veroordeelde is wel aanwezig bij de behandelafspraken binnen de kliniek, maar lijkt niet werkelijk gemotiveerd. Zijn problematiek is moeilijk te bepalen omdat zijn uitspraken over zijn verleden niet consistent en betrouwbaar zijn. Hij komt afspraken met de reclassering niet goed na. Veroordeelde is meerdere keren positief getest op cannabis en benzodiazepinen. Er is een incident geweest waarbij veroordeelde zich opgesloten heeft in zijn kamer. De reden daarvan is niet helder geworden. In zijn kamer werd vervolgens veel medicatie aangetroffen die niet van de veroordeelde is. Er is (nog) geen goed zicht op het behandelperspectief. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid en overlast in het publieke domein.

De raadsvrouw heeft gesteld dat voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van de maatregel, zonder titel twee voorwaardelijke straffen ten uitvoer zijn gelegd. Het hof heeft onvoldoende gegevens om dit te verifiëren. Hoe dan ook ziet het hof in deze zaak geen reden een eventuele onrechtmatige detentie die geen verband houdt met de maatregel, op enige wijze in mindering te brengen op de duur van die maatregel.

Over het verdisconteren van het voorarrest in de duur van de maatregel, merkt het hof op dat artikel 38n, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht alleen de opleggingsrechter de mogelijkheid biedt om de tijd die in voorlopige hechtenis is doorgebracht – al dan niet gedeeltelijk – op de duur van de maatregel in mindering te brengen. Dat is echter in het onderhavige geval niet gebeurd, niet in eerste aanleg en niet in hoger beroep.

Veroordeelde is na de stabilisatieperiode en binnen een half jaar nadat het arrest van het gerechtshof Amsterdam onherroepelijk was geworden, in verband met zijn verslavingsproblematiek, geplaatst in de FVK [FVK] . Nadat deze behandeling was gestopt vanwege de taal- en cultuurbarrière en de gebrekkige motivatie en inzet van de veroordeelde, is hij binnen drie maanden doorgeplaatst naar een daartoe gespecialiseerde kliniek. Dat de behandeling binnen deze laatste kliniek, mede door het gedrag van de veroordeelde, niet probleemloos verloopt, wordt zowel door veroordeelde als door de kliniek bevestigd. Gelet hierop kan echter niet gesteld worden dat er niet voortvarend is gehandeld, dat de verkeerde behandeling is gekozen of dat voortzetting van de maatregel niet zinvol meer is door een omstandigheid die buiten de macht van de veroordeelde ligt.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming en aanvulling van die gronden worden bevestigd.

Ten slotte heeft de veroordeelde gesteld dat de behandeling van het beroep te lang heeft geduurd. Zowel artikel 6:6:17 van het Wetboek van Strafvordering als artikel 5, vierde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt eisen aan de voortgang van de behandeling door de appelrechter van het hoger beroep tegen een beslissing tot voortzetting van de maatregel. Het hof dient daarop zo spoedig mogelijk respectievelijk spoedig (de Engelse tekst bezigt het woord "speedily") te beslissen.

Bij het opleggingsarrest van 17 mei 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:1703), onherroepelijk geworden op 4 juni 2019, heeft het gerechtshof Amsterdam bepaald dat het openbaar ministerie binnen zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank zal berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Op 8 januari 2020 heeft het Detentiecentrum Zeist hierover advies uitgebracht. Vervolgens heeft de rechtbank op 28 januari 2020 beslist tot voortzetting van de tenuitvoerlegging. Hiertegen heeft de veroordeelde beroep ingesteld op 11 februari 2020.

Vanaf 16 maart 2020 kon het gerechtshof als gevolg van de maatregelen tegen het coronavirus slechts een zeer beperkt aantal zaken behandelen. Het personeel van het gerechtshof kon maar beperkt worden ingezet. Ter bescherming van procespartijen, van personeel in het gerechtsgebouw, van de instellingen waar de gedetineerden verbleven en van de vervoersdienst van het ministerie van Justitie en Veiligheid, werden zo min mogelijk zittingen gehouden waarbij gedetineerden fysiek aanwezig waren. Tegelijkertijd was in eerste instantie het horen via een videoconferentie slechts beperkt mogelijk.

Sinds 11 mei 2020 kunnen grotere aantallen zaken worden behandeld, maar is een achterstand in de afhandeling van zaken opgebouwd terwijl door de nog steeds geldende maatregelen tegen het coronavirus de zittingscapaciteit nog niet op het oude niveau is. Op 25 juni 2020 is in overleg met de raadsvrouw de zittingsdatum bepaald op 20 augustus 2020. De raadsvrouw was niet op een eerdere datum beschikbaar.

Voor de beoordeling of de termijn bedoeld in artikel 5, vierde lid, EVRM is overschreden, dient de procedure in eerste en in tweede aanleg in zijn geheel te worden bezien. Daarbij geldt dat een langere behandeling in beroep aanvaardbaar is als in eerste aanleg een toetsing heeft plaatsgevonden door een rechter volgens een procedure die voldoet aan de eisen van een eerlijk proces (zie Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) 4 december 2018, nr. 10211/12 en 27505/14, ro. 255 (Ilnseher tegen Duitsland)). Verder moeten in de beoordeling de omstandigheden van het geval worden betrokken, waaronder de complexiteit van de zaak, het gedrag van de autoriteiten en gedetineerde en hetgeen voor deze laatste op het spel stond (zie EHRM 9 juli 2009, 11364/03, ro. 106 (Mooren tegen Duitsland)).

Wat dit laatste betreft, stelt het hof vast dat aan de veroordeelde een vrijheidsbenemende maategel is opgelegd, die grotendeels ten uitvoer wordt gelegd in klinieken. Er is geen sprake van een complexe zaak. Desalniettemin is naar het oordeel van het gerechtshof in deze zaak, alles overziende, geen sprake van een overschrijding van de termijn. De rechtbank heeft, in een procedure die voldoet aan de eisen van een eerlijk proces, snel na het uitbrengen van het advies van de penitentiaire inrichting geoordeeld over de noodzaak tot voortzetting van de maatregel. Hoewel de behandeling van het beroep zeven maanden en daarmee onwenselijk lang heeft geduurd, is desalniettemin spoedig beslist als de uitzonderlijke omstandigheden in verband met het coronavirus, dat ingrijpende maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid noodzakelijk maakte, en de beschikbarheid van de verdediging in aanmerking worden genomen.

Beslissing

Het hof:

Bevestigt, met aanvulling van gronden, de beslissing van de rechtbank Amsterdam van

28 januari 2020 met betrekking tot de veroordeelde [veroordeelde].

Aldus gedaan door

mr. A.B.A.P.M. Ficq als voorzitter,

mr. M.E. van Wees en mr. E.A.K.G. Ruys als raadsheren,

en drs. E.M.M. Mol en drs. R.J.A. van Helvoirt en als raden,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.G. Nijenhuis als griffier,

en op 3 september 2020 in het openbaar uitgesproken.

Mr. A.B.A.P.M. Ficq, mr. E.A.K.G. Ruys, de raden en de griffier zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.