Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7170

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
200.273.473/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of partijen in overleg met het gebiedsteam tot een bindende afspraak zijn gekomen over het door de man te betalen bedrag aan kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.273.473/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 165686 en 167568)

beschikking van 8 september 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [A] ,
appellant,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H.C.L. Crozier te Sneek,

en

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. K.E. van Hoeve te Sneek.

1 De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 30 oktober 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2. De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 29 januari 2020;

- een journaalbericht van mr. Crozier van 24 maart 2020 met productie(s).

2.2

Bij brieven van 29 mei 2020 heeft het hof partijen bericht dat deze zaak zonder mondelinge behandeling zal worden afgedaan, op basis van de stukken in het dossier, tenzij het hof alsnog aanleiding zal zien om een mondelinge behandeling te bepalen. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld om, indien zij toch een mondelinge behandeling wensen, dat uiterlijk 15 juni 2020 aan het hof te berichten. Het hof heeft geen bericht van de man ontvangen. Namens de vrouw heeft mr. Van Hoeve het hof bericht akkoord te kunnen gaan met een schriftelijke afdoening. Het hof zal de zaak daarom afdoen op basis van de stukken in het dossier.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2014 (verder te noemen: [de minderjarige] ), over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

3.2

De vrouw heeft de rechtbank als nevenverzoek in de echtscheidingsprocedure verzocht te bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , primair met een bedrag van € 91,- per maand, subsidiair met een bedrag van € 59,- per maand, meer subsidiair met een bedrag van € 70,- per maand en uiterst subsidiair met een bedrag van € 34,- per maand.

3.3

De man heeft verweer gevoerd en mondeling ter zitting verzocht zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te bepalen op een bedrag van € 2,50 per maand.

3.4

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 19 juni 2019 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 19 juni 2019 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met een bedrag van € 2,50 per maand.

3.5

In een e-mail van [C] van het gebiedsteam Súdwest-Fryslân van 12 juli 2019 aan partijen staat het volgende:
‘We hebben vanochtend een gesprek in [B] gehad. Ik ga er verder niet inhoudelijk op in maar benoem hieronder de afspraken:
- De bezoekregeling van [de minderjarige] zal onder begeleiding van [D] vallen.
- Een mogelijk toekomstig ouderschapsplan zal ook met [D] worden opgesteld.
- Vanaf eind juli 2019 zal [appellant] in plaats van 2,50 euro de afgesproken 70 euro per maand aan kind alimentatie gaan betalen aan [geïntimeerde] .’

3.6

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover van belang, bepaald dat de man met ingang van 1 augustus 2019 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met een bedrag van € 70,- per maand, telkens bij vooruitbetaling - voor zover de termijnen nog niet zijn verstreken - aan de vrouw te voldoen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Met deze grief komt hij op tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met een bedrag van € 70,- per maand. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

4.2

De vrouw heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De rechtbank heeft geoordeeld dat voldoende vast is komen te staan dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met een bedrag van € 70,- per maand. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de heer [C] van het gebiedsteam in zijn e-mail aan partijen van
12 juli 2019 deze afspraak benoemt, dat de man ter zitting bij de rechtbank heeft gezegd dat hij op het voorstel om € 70,- per maand te betalen heeft gereageerd met de woorden ‘Oké dan’ en het feit dat de heer [C] ondanks het verzoek daartoe van de man niet bereid was de
e-mail van 12 juli 2019 te herzien.

5.2

De man heeft in zijn enige grief in hoger beroep betwist dat partijen de hiervoor genoemde afspraak hebben gemaakt. De man stelt dat in het gesprek met de heer [C] geen vaste afspraken zijn gemaakt over de kinderalimentatie.

5.3

De vraag of een (mondelinge) overeenkomst met een bepaalde inhoud is tot stand gekomen, moet worden beantwoord aan de hand van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2043). Het is in de eerste plaats aan de vrouw, die zich op de rechtsgevolgen ervan beroept, om de feiten en omstandigheden te schetsen op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat partijen een afspraak over de kinderalimentatie hebben gemaakt. De vrouw heeft daartoe op de zitting bij de rechtbank gesteld dat partijen in overleg met het gebiedsteam met elkaar hebben afgesproken dat de man een bedrag van € 70,- per maand zal voldoen. Zij heeft daarbij verwezen naar de voorafgaande aan die zitting ingebrachte e-mail van de heer [C] van 12 juli 2019, waarin deze de afspraken benoemt. Daarnaast heeft de man ter zitting erkend dat tijdens het overleg is gesproken over een bijdrage van de man van € 70,- per maand en dat hij heeft gezegd: ‘Oké dan’. De man heeft daar ter zitting tegenover gesteld dat hij met die opmerking bedoeld heeft te zeggen dat hij erover wilde nadenken. Verder heeft de man verklaard dat zowel hij als zijn advocaat nog achter de e-mail hebben aangebeld, maar dat de heer [C] geen aanleiding heeft gezien zijn e-mail aan te passen. De man zou nooit hebben ingestemd met dat bedrag omdat zijn draagkracht ontoereikend is. In hoger beroep heeft de man verder aangevoerd dat partijen één gesprek met het gebiedsteam hebben gehad van maximaal één uur en dat de heer [C] geen kennis had van de zaak. Van de gemaakte draagkrachtberekeningen was hij niet op de hoogte.

5.4

Het hof stelt voorop dat de stelling van de vrouw dat partijen een afspraak hebben gemaakt dat de man € 70,- per maand aan alimentatie zou gaan betalen pas in de loop van de procedure bij de rechtbank is ingenomen, simpelweg omdat die afspraak ook pas medio juli 2019 zou zijn gemaakt. Het hof moet het daarom doen met de stellingen die daarover over en weer vanaf dat moment zijn ingenomen.
Het hof is van oordeel dat uit de e-mail van de heer [C] , en de omstandigheid dat hij deze niet heeft willen aanpassen, kan worden afgeleid dat hij in elk geval de veronderstelling heeft gehad dat er tussen partijen een afspraak over de alimentatie is gemaakt. Echter, in het licht van alle omstandigheden van het geval, oordeelt het hof dat te weinig om als vaststaand aan te nemen dat er die ochtend een dergelijke vaste afspraak is gemaakt. Het gaat immers om de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen geven. In het bijzonder is de vraag of de vrouw uit de bewoordingen van de man ‘Oké dan’ heeft mogen afleiden dat hij onvoorwaardelijk akkoord was met het besprokene. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend.
In de eerste plaats acht het hof van belang dat op dat moment de procedure over de kinderalimentatie nog liep, en partijen beiden werden bijgestaan door advocaten. Dat de man zich – mede gezien zijn beperkingen – zonder overleg met zijn advocaat zou hebben willen binden lijkt minder waarschijnlijk. Het hof neemt verder in aanmerking dat de beweerdelijke afspraak zou zijn gemaakt kort nadat de rechtbank bij beschikking voorlopige voorzieningen van 19 juni 2019 de kinderalimentatie had bepaald op een bedrag van € 2,50 per maand, terwijl ook uit een andere berekening in de procedure die bij de rechtbank liep, was gebleken dat de man zoveel draagkracht niet had, zodat niet zonder meer valt in te zien dat de man opeens met een bedrag van € 70,- per maand akkoord zou zijn. Ook is de vraag of het overleg met het gebiedsteam daartoe wel de geëigende plek was, nu dat overleg (mede) bedoeld was om de omgangsregeling op gang te brengen, en onweersproken vast staat dat de heer [C] niet op de hoogte was van de procedure rond de kinderalimentatie. De vrouw heeft daarom niet zonder meer mogen aannemen dat de man met de door hem gebruikte bewoordingen onvoorwaardelijk heeft willen instemmen met de voorgestelde kinderalimentatie. Ten slotte acht het hof het feit dat zowel de man als zijn advocaat nog contact heeft gezocht met de heer [C] , omdat volgens hen in diens e-mail ten onrechte een alimentatie-afspraak staat vermeld, een aanwijzing dat in elk geval de man niet van mening was dat die afspraak er lag.
Nu de vrouw overigens geen omstandigheden heeft geschetst die tot het oordeel kunnen leiden dat partijen op 12 juli 2019 een bindende afspraak over de alimentatie hebben gemaakt, komt deze niet vast te staan.

5.5

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat dit met zich brengt dat de verzoeken van de vrouw tot het vaststellen van kinderalimentatie dienen te worden afgewezen. Gelet op de procesregels voor de beoordeling van een zaak in hoger beroep (de zogenaamde devolutieve werking van het hoger beroep), liggen nu echter in beginsel alle standpunten van partijen ten aanzien van de kinderalimentatie weer ter beoordeling aan het hof voor. Het hof zal het inleidend verzoek van de vrouw op dat punt dan ook opnieuw beoordelen.

5.6

Het hof komt in dit verband in de eerste plaats toe aan de stellingen van de vrouw dat partijen zouden zijn overeengekomen dat de man een kinderalimentatie van respectievelijk
€ 91,- per maand of € 59,- per maand aan de vrouw zou voldoen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vrouw, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende nader heeft gesteld om aan te nemen dat partijen met elkaar een dergelijke onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige] zijn overeengekomen. Het hof neemt de motivering van de rechtbank op dit punt na eigen onderzoek over.

5.7

Uit de artikelen 1:397 en 1:404 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de gezamenlijke onderhoudsverplichting van partijen jegens [de minderjarige] wordt begrensd door enerzijds de behoefte van [de minderjarige] en anderzijds de draagkracht van partijen, de zogenoemde wettelijke maatstaven.
De behoefte

5.8

Het hof begrijpt de stelling van de man in zijn beroepschrift aldus dat de behoefte van [de minderjarige] in de beschikking voorlopige voorzieningen van 19 juni 2019 juist is berekend op
€ 382,- per maand (2019). De vrouw heeft noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep een stelling ingenomen over de hoogte van de behoefte van [de minderjarige] . Het hof zal er daarom van uitgaan dat de behoefte van [de minderjarige] € 382,- per maand bedraagt.
De draagkracht van partijen

5.9

Het hof begrijpt uit het beroepschrift van de man verder dat hij ook ten aanzien van de draagkracht van partijen aansluiting wenst te zoeken bij de beschikking voorlopige voorzieningen van 19 juni 2019. Naar het oordeel van het hof dient de draagkracht van partijen in principe zoveel mogelijk te worden vastgesteld aan de hand van het actuele inkomen van partijen. Beide partijen hebben naar het oordeel van het hof echter onvoldoende inzage gegeven in hun actuele financiële situatie. Het hof constateert dat de meest recente financiële gegevens waar het hof over beschikt de jaaropgaven 2018 van de man en de vrouw zijn, die ook de basis vormden voor de hiervoor genoemde beschikking voorlopige voorzieningen. Dit leidt tot een draagkracht aan de zijde van de vrouw van € 421,- per maand en aan de zijde van de man van € 25,- per maand, zoals ook de rechtbank in voornoemde beschikking heeft berekend, welke berekeningen volgens het hof juist zijn. Het hof is ook niet op de hoogte van de meest recente situatie omtrent het contact van de man met [de minderjarige] . Het hof zal daarom uitgaan van de situatie ten tijde van de beschikking voorlopige voorzieningen en een zorgkorting van 5% hanteren.

5.10

Het vorenstaande leidt tot een bijdrage door de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 2,50 per maand.

De ingangsdatum

5.11

De rechtbank heeft als ingangsdatum voor de kinderalimentatie 1 augustus 2019 gehanteerd, zijnde de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop de afspraak van

€ 70,- per maand zou zijn gemaakt. Deze afspraak is niet komen vast te staan. Nu de man echter niet expliciet heeft gegriefd tegen deze ingangsdatum en bovendien het bedrag van de definitieve kinderalimentatie gelijk is aan dat van de voorlopige kinderalimentatie, ziet het hof geen reden alsnog van een andere datum uit te gaan dan die waarvan de rechtbank is uitgegaan, zijnde 1 augustus 2019.

Conclusie

5.12

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de daarbij vastgestelde kinderalimentatie voor [de minderjarige] betreft, en opnieuw beschikkende bepalen dat de man met ingang van 1 augustus 2019 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met een bedrag van € 2,50 per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.

5.13

Voor zover de man vanaf 1 augustus 2019 meer kinderalimentatie voor [de minderjarige] heeft betaald dan het vast te stellen bedrag van € 2,50 per maand, is dat onverschuldigd betaald. Omdat de behoefte van [de minderjarige] is bepaald op € 382,- per maand, de man daarin naast het op te leggen bedrag aan kinderalimentatie ook voorziet in de vorm van zorgkosten en de draagkracht van de vrouw € 421,- per maand bedraagt, zijn er onvoldoende aanwijzingen dat de vrouw niet tot terugbetaling in staat is.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van
30 oktober 2019, voor zover het de daarbij vastgestelde kinderalimentatie betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man met ingang van 1 augustus 2019 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met een bedrag van € 2,50 per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, J.G. Idsardi en
A.W. Beversluis, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 8 september 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.