Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7153

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
21-004481-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Cocaïne invoer vanuit Curaçao. Bij verdachte wordt een postpakket. Daarin zit onder andere cocaïne. Verdachte ontkent dat zij daarvan wist.

Het hof stelt vast dat verdachte haar adres ter beschikking heeft gesteld en dat zij daarmee op zijn minst voorwaardelijk opzet op het invoeren van de cocaïne heeft gehad. Verdachte wordt veroordeeld ter zake medeplichtigheid aan de invoer van cocaïne.

Het hof legt aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op, mede door de overschrijding van de redelijke termijn. Aan verdachte wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden opgelegd en een taakstraf van 200 uren.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Wetboek van Strafrecht 48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004481-16

Uitspraak d.d.: 16 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 3 augustus 2016 met parketnummer 05-740069-16 in de strafzaak tegen

[Voornamen & achternaam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum, -plaats en -land] ,

wonende aan de [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 12 februari 2018, 25 september 2018, 2 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. M.W.G.J. IJsseldijk, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Gelderland heeft verdachte veroordeeld ter zake van het primair laste gelegde feit.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
zij in of omstreeks de periode van 14 februari 2016 tot en met 18 februari 2016, althans in de periode van 01 februari 2016 tot en met 18 februari 2016, in de gemeente Arnhem en/of de gemeente Haarlemmermeer, in elk geval (elders) in Nederland, en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ongeveer) 1036,38 gram, althans (ongeveer) 900 gram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


subsidiair
[naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en), in of omstreeks de periode van 14 februari 2016 tot en met 18 februari 2016, althans in de periode van 01 februari 2016 tot en met 18 februari 2016 in de gemeente Arnhem en/of de gemeente Haarlemmermeer, in elk geval (elders) in Nederland, en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (in totaal) (ongeveer) 1036,38 gram, althans (ongeveer) 900 gram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of die onbekend gebleven perso(o)n(en) - al dan niet tegen betaling van (een) geld(bedrag) - haar, verdachtes, (woon)adres (als post-/afleveradres) ter beschikking te stellen.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Door en namens verdachte is ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het invoeren van cocaïne en dat zij daarom integraal moet worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte niet op de hoogte was van het feit dat het pakket naar haar was verstuurd en daarnaast dat zij geen wetenschap had van de inhoud van het pakket en derhalve ook geen wetenschap had van het feit dat het pakket mogelijkerwijs cocaïne zou bevatten. Subsidiair is door de raadsman bepleit dat de rol van verdachte hoogstens als die van een medeplichtige kan worden aangemerkt.

De advocaat-generaal heeft zich, in overeenstemming met het vonnis van de rechtbank, op het standpunt gesteld dat sprake is van het medeplegen van het invoeren van cocaïne.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op 18 februari 2016 aan het woonadres van verdachte aan de [woonadres] in Arnhem een pakket is afgeleverd dat uit Curaçao afkomstig was. Verdachte heeft dat pakket in ontvangst genomen. In dat pakket is op 14 februari 2016 door medewerkers van de douane op Schiphol een hoeveelheid van 1.036,38 gram aan cocaïne aangetroffen. Het pakket is gecontroleerd afgeleverd en verdachte is kort na de aflevering als één van de verdachten aangehouden op verdenking van invoer van die cocaïne. Bovenstaande staat in zoverre niet ter discussie.

Het hof leidt uit het dossier af dat medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] zich bezig hebben gehouden met het invoeren van cocaïne in Nederland vanuit Curaçao door pakketten, met daarin naast cocaïne onder meer voedingsmiddelen, te versturen naar afleveradressen in Nederland. Zowel [naam medeverdachte 1] als [naam medeverdachte 2] zijn thans onherroepelijk veroordeeld ter zake – kort gezegd – het medeplegen van het invoeren van cocaïne in februari 2016. De vraag die het hof heeft te beantwoorden is of verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het invoeren van cocaïne. De verklaringen van de medeverdachten over de rol van verdachte wijzen in die richting.

Verdachte heeft steeds volgehouden dat zij niets wist van de inhoud van het pakket dat zij op 18 februari 2016 ontving en dat zij van de verzending van dit pakket pas een dag van tevoren op de hoogte werd gesteld. Daartegenover staan de verklaringen van de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] , die allebei verklaren dat verdachte wel (al eerder) op de hoogte was van het pakket en de inhoud daarvan. Door en namens verdachte is aangevoerd dat die verklaringen van [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] leugenachtig zijn, althans dat zij ongeloofwaardig zijn. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] zouden verdachte een loer willen draaien naar aanleiding van een ruzie in de familiesfeer. Daarnaast is gewezen op enkele tegenstrijdigheden in de verklaringen van [naam medeverdachte 1] .

Het hof leidt uit het dossier af dat, voorafgaand aan de verzending van het pakket dat in februari 2016 is afgeleverd aan het adres van verdachte, in september 2015 ook een pakket met daarin cocaïne is verzonden aan het adres van verdachte, welk pakket door de douane op Schiphol is onderschept maar vervolgens niet gecontroleerd is afgeleverd. In het dossier is WhatsApp-communicatie tussen verdachte en [naam medeverdachte 1] uit september 2015 aanwezig. Zij communiceren daarin kennelijk over een door verdachte te ontvangen pakket. Uit de correspondentie blijkt niet dat verdachte daar bezwaar tegen heeft. Deze berichtenwisseling eindigt met de opmerking dat ‘het ding’ is vastgehouden dan wel achtergehouden en dat verdachte niets meer moet aannemen indien het nog komt. Verdachte verklaart hierover dat zij op dat moment vermoedde dat het een en ander geen zuivere koffie was en dat zij dacht dat het mogelijk om drugs ging. Verdachte verklaart dat zij toen tegen [naam medeverdachte 1] heeft gezegd dat verdachte dat soort akkefietjes niet meer wilde. Ook heeft zij verklaard dat zij naar aanleiding van dit voorval in september 2015 het contact met [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] heeft verbroken. De WhatsApp-communicatie van verdachte met [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] die zich in het dossier bevindt, ondersteunt die verklaring niet, aangezien verdachte ook na september 2015 nog contact met [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] heeft gehad.

Wat betreft de gang van zaken in februari 2016 stelt het hof vast dat [naam medeverdachte 1] verdachte op 17 februari 2016 via WhatsApp bericht dat haar broer [naam medeverdachte 2] haar heeft gevraagd of verdachte haar deur in de gaten wil houden. Ook vraagt [naam medeverdachte 1] daarin of verdachte een bericht aan [naam medeverdachte 1] wil sturen als het zover is. Het hof begrijpt dit contact tussen verdachte en [naam medeverdachte 1] aldus dat het gaat om de ontvangst van het pakket door verdachte. Het hof stelt vast dat verdachte niet vraagt wat [naam medeverdachte 1] bedoelt en concludeert daaruit dat verdachte dus kennelijk begrijpt wat [naam medeverdachte 1] aan verdachte probeert te vertellen. Het hof stelt verder vast dat verdachte in ieder geval niet afwijzend op de verzoeken van [naam medeverdachte 1] reageert. Op 18 februari 2016 gaat de communicatie tussen [naam medeverdachte 1] en verdachte over het pakket verder. Verdachte stuurt die dag een bericht aan [naam medeverdachte 1] wanneer het pakket is afgeleverd. [naam medeverdachte 1] begeeft zich daarop richting de woning van verdachte en zij wordt daarop ook door verdachte binnengelaten. Uit deze correspondentie noch uit de overige inhoud van het dossier blijkt naar het oordeel van het hof dat verdachte aan [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] ondubbelzinnig duidelijk heeft gemaakt dat zij niet wilde fungeren als ontvanger van het pakket dat in februari 2016 bij de woning van verdachte is afgeleverd. Ook blijkt niet dat verdachte anderszins heeft getracht de aflevering van het pakket af te wijzen.

Op basis van bovenstaande stelt het hof vast dat verdachte weliswaar pas op 17 februari 2016 wist dat er een pakket dat aan [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] toebehoorde op haar adres zou worden bezorgd, maar dat zij niettemin op de hoogte was van de bezorging van het pakket. Verdachte heeft de aflevering van dat pakket geaccepteerd en er zijn, behalve verdachtes verklaring op dat punt voor wat betreft haar communicatie naar [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] na het voorval in september 2015, geen contra-indicaties dat verdachte het pakket niet wilde ontvangen in februari 2016. Het hof stelt daarnaast op basis van de verklaring van verdachte over haar ervaring in september 2015 vast dat verdachte zich bewust is geweest van de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat er in pakketten van [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] drugs zouden zitten. Ook stelt het hof vast dat de verklaring van [naam medeverdachte 2] over de betrokkenheid van verdachte bij de ontvangst van het pakket en haar wetenschap van de inhoud daarvan – gelet op de overige inhoud van het dossier – als voldoende geloofwaardig is aan te merken. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte derhalve op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het invoeren van cocaïne in Nederland door het ontvangen van pakket in februari 2016.

Voor wat betreft de rol van verdachte bij de invoer van cocaïne stelt het hof verder vast dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte haar adres ter beschikking heeft gesteld als afleveradres van pakketten waarin de cocaïne zou worden ingevoerd. Hoewel de bijdrage van verdachte aan de invoer van cocaïne in de vorm van het ter beschikking stellen van haar woning zeker niet marginaal is geweest – de ontvangst van het pakket vormde immers het sluitstuk van de invoer –, had verdachte geen uitvoerende rol bij het invoeren van de cocaïne zelf en handelde zij vooral zonder veel vragen te stellen in opdracht van haar medeverdachten. Anders dan de advocaat-generaal, is het hof daarom van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking. Wel acht het hof op basis van het voorgaande medeplichtigheid bewezen, aangezien verdachte willens en wetens haar adres heeft afgestaan voor de invoer van cocaïne.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair
[naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en), in of omstreeks de periode van 14 februari 2016 tot en met 18 februari 2016, althans in de periode van 01 februari 2016 tot en met 18 februari 2016 in de gemeente Arnhem en/of de gemeente Haarlemmermeer, in elk geval (elders) in Nederland, en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht (in totaal) (ongeveer) 1036,38 gram, althans (ongeveer) 900 gram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of die onbekend gebleven perso(o)n(en) - al dan niet tegen betaling van (een) geld(bedrag) - haar, verdachtes, (woon)adres (als post-/afleveradres) ter beschikking te stellen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Medeplichtigheid aan/tot opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, en waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Door de raadsman van verdachte is uiterst subsidiair verzocht om bij een strafoplegging te volstaan met een taakstraf, al dan niet met een voorwaardelijk gevangenisstraf. Daartoe is aangevoerd dat sprake is van een schending van de redelijke termijn en dat verdachte daaronder psychisch heeft geleden, alsmede dat de straf die de rechtbank aan verdachte heeft opgelegd in het licht van de gevangenisstraf van zes maanden die dit hof aan [naam medeverdachte 1] heeft opgelegd, bijzonder zwaar is.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ruim één kilogram cocaïne in een rol als medeplichtige, door haar adres beschikbaar te stellen als afleveradres voor een pakket waarin die cocaïne is opgestuurd vanuit Curaçao. Dat is een ernstig feit waarmee verdachte heeft bijgedragen aan het in stand houden van de illegale handel in voor de volksgezondheid schadelijke drugs en daarmee gepaard gaande criminaliteit. Verdachte heeft zich daarbij kennelijk vooral laten leiden door het financiële gewin.

Het hof stelt vast dat blijkens de oriëntatiepunten voor straftoemeting bij een invoer van 1.000 tot 1.500 gram aan harddrugs als uitgangspunt geldt dat een gevangenisstraf tussen de acht tot twaalf maanden wordt opgelegd. Gelet op de rol van verdachte in de onderhavige invoer is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden in beginsel passend en geboden is.

Het hof heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 3 augustus 2020. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking kwam met politie en justitie. Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat zij ten gevolge van deze zaak psychische klachten heeft. Verder heeft zij aangevoerd dat zij niet meer als oppasouder kan fungeren omdat zij geen verklaring omtrent het gedrag krijgt. Dit alles valt verdachte zwaar. Het hof heeft op basis van het voorgaande de overtuiging dat verdachte van dit feit daadwerkelijk is geschrokken en dat verdachte zich wel twee keer zal bedenken alvorens zij zich weer inlaat met criminele bezigheden. Wel stelt het hof vast dat verdachte in deze strafprocedure op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar betrokkenheid bij het strafbare feit.

In strafverminderende zin weegt het hof daarnaast mee dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in hoger beroep is geschonden. Ook wanneer het aan de onderzoekswensen van de verdediging toe te schrijven tijdsverloop van de totale behandelduur wordt afgetrokken, resteert nog een behandelduur die de redelijk te achten duur van vierentwintig maanden met ongeveer vier maanden overschrijdt. De overschrijding vormt voor het hof één van de redenen af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Hoewel het hof dus geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen, rechtvaardigt de ernst van het feit een forse strafoplegging. Het hof zal de als uitgangspunt genomen onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden dan ook geheel voorwaardelijk opleggen en daarnaast ook een taakstraf opleggen. Het hof acht passend en geboden de oplegging van een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren, welke taakstraf wordt vervangen door honderd dagen hechtenis indien verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal op de taakstraf in mindering worden gebracht.

Beslag

Bij verdachte is een tweetal voorwerpen in beslag genomen. Uit het dossier blijkt niet dat deze zijn teruggegeven. Het hof zal de inbeslaggenomen doos waarin de cocaïne is verstuurd verbeurdverklaren op grond van artikel 33a, tweede lid onder a in combinatie met artikel 33a, eerste lid onder c van het Wetboek van Strafrecht. Deze doos, met goednummer PL0600-2016079405-1050877, is verstuurd door medeverdachte [naam medeverdachte 2] en behoort derhalve aan hem toe. [naam medeverdachte 2] was onmiskenbaar bekend met het gebruik van deze doos in verband met het strafbare feit, zodat verbeurdverklaring daarvan gerechtvaardigd is.

Voor wat betreft het aardappelschilmesje, met goednummer PL0600-2016079405-1050866, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een voor verbeurdverklaring vatbaar voorwerp als bedoeld in artikel 33a, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Het hof zal bepalen dat dit goed aan verdachte, als beslagene, zal worden teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

Doos, kleur wit, met inhoud etenswaren en geschenkartikelen, goednummer PL0600-2016079405-1050877.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

Mes, kleur rood, merk Solingen, goednummer PL0600-2016079405-1050866.

Aldus gewezen door

mr. M. Keppels, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. J. Corthals, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Maaren, griffier,

en op 16 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.