Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7145

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
21-004549-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep gericht tegen het feit waarvan hij is vrijgesproken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-vriendin, door haar tijdens een ruzie bij de keel te pakken en haar keel dicht te knijpen. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van een vriendin van zijn ex-vriendin.

Overweging over de redelijke termijn.

Veroordeling tot een taakstraf. Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Herroeping van een deel van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004549-17

Uitspraak d.d.: 11 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 21 augustus 2017 met parketnummer 18-830246-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 27 maart 2020, 5 augustus 2020 en 28 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot:

 niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het ingestelde hoger beroep tegen de vrijspraak van feit 2;

 de veroordeling ter zake de feiten 1 en 3 tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest;

 de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de zaak met parketnummer 18-830078-15 voor de duur van 53 dagen;

 afwijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor het overige;

 toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (€ 350,--) met wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. D.C. Vlielander, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het gehele vonnis van de rechtbank, dus ook tegen de vrijspraak van feit 2. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan tegen deze vrijspraak door de verdachte geen hoger beroep worden ingesteld. Daarom zal het hof het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk verklaren voor zover het betrekking heeft op feit 2.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte vrijgesproken van het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde en hem veroordeeld ter zake de feiten 1 en 3 tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met aftrek van het voorarrest. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (€ 350,--) is geheel toegewezen door de politierechter, met wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de zaak met parketnummer 18-830078-15 heeft de politierechter beslist dat deze wordt toegewezen tot 53 dagen en voor het overige wordt afgewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen omdat het tot een deels andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep aan de orde - ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 24 april 2017 te [plaats 1] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde] ) (met kracht) bij haar keel heeft vastgepakt en/of (vervolgens) haar keel heeft dichtgedrukt en/of dichtgeknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.
hij op of omstreeks 28 juni 2017 te [plaats 1] , in ieder geval in de gemeente [plaats 1] en/of te [plaats 2] , in ieder geval in de gemeente [plaats 2] , in ieder geval in het arrondissement Noord-Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk tegen voornoemde [slachtoffer] gezegd dat: ''Als ik straks dakloos ben, dan zijn jullie straks allemaal dakloos want dan steek ik huizen in de fik'' en/of ''Als ik niks heb, dan hebben jullie allemaal niks'' en/of ''Ik hoop dat je er tussen gaat staan dan verbouw ik je kop net zoals [benadeelde] en alle anderen'', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde wordt weersproken door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Verdachte ontkent het ten laste gelegde. Tegenover deze ontkenning staan echter de bij de politie afgelegde verklaringen van aangeefster [benadeelde] en getuige [getuige] die tezamen het wettig en overtuigend bewijs vormen dat verdachte het ten laste gelegde wel heeft begaan.

Het feit dat de aangifte van [benadeelde] niet direct na het voorval maar na circa 2 maanden is gedaan, doet naar het oordeel van het hof geen afbreuk aan de geloofwaardigheid ervan. Voorts is ook niet aannemelijk geworden dat -zoals verdachte stelt- getuige [getuige] liegt en hiertoe is aangezet door aangeefster om verdachte zwart te maken. Het hof neemt daarbij ten overvloede nog in aanmerking dat het slachtoffer [benadeelde] in de nacht van 24 op 25 april 2017 aan haar vriendin [getuige] via een WhatsApp bericht dat “het” haar pijn heeft gedaan. Dit kan, gelet op de context waarin dit bericht is gedaan, bezwaarlijk ergens anders op duiden dan op de mishandeling door verdachte op 24 april 2017.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 24 april 2017 te [plaats 1] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde] ) bij haar keel heeft vastgepakt en vervolgens haar keel heeft dichtgedrukt en dichtgeknepen, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

3.
hij op 28 juni 2017 te [plaats 1] [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling en met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk tegen voornoemde [slachtoffer] gezegd dat: ''Als ik straks dakloos ben, dan zijn jullie straks allemaal dakloos want dan steek ik huizen in de fik'' en ''Als ik niks heb, dan hebben jullie allemaal niks'' en ''Ik hoop dat je er tussen gaat staan dan verbouw ik je kop net zoals [benadeelde] en alle anderen''.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met brandstichting

en

bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-vriendin, door haar tijdens een ruzie bij de keel te pakken en haar keel dicht te knijpen. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn ex-vriendin en heeft haar pijn toegebracht.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van aangeefster Kempinga. Door zijn handelen heeft verdachte bij aangeefster gevoelens van angst en onveiligheid teweeg gebracht.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 augustus 2020 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, waaronder ook veroordelingen voor geweldsdelicten.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 28 augustus 2020 naar voren gebracht dat hij op eigen initiatief een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven. Hij heeft nu woonruimte bij en begeleiding van het Leger des Heils in [plaats 1] en is na het behalen van de benodigde certificaten werkzaam als heftruckchauffeur. Dit wordt bevestigd in een brief van de ambulant begeleider [begeleider] d.d. 31 juli 2020. [begeleider] beschrijft verdachte als een gedreven en gemotiveerde man die probeert een plaats in de samenleving te krijgen. Het onderbreken van dit proces zou zeer onwenselijk zijn, aldus [begeleider] .

Het hof stelt vast dat in de appèlfase de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM is overschreden, nu niet binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel een eindarrest is gewezen. Het hof is echter van oordeel dat, gelet op de voortvarendheid van de behandeling van de zaak in eerste aanleg, hieraan geen consequenties dienen te worden verbonden. De strafrechtelijke procedure als geheel is namelijk binnen vier jaar na aanvang van verdachtes vervolging afgedaan.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf - zoals opgelegd door de rechter in eerste aanleg - een passende bestraffing is. Gelet op hetgeen omtrent verdachtes gewijzigde persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting van het hof naar voren is gekomen, mede in aanmerking genomen het tijdsverloop, ziet het hof echter aanleiding om hiervan af te zien. Het hof ziet in deze omstandigheden aanleiding om hem een taakstraf van na te melden duur op te leggen.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 13 juli 2015 onder parketnummer 18-830078-15 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.

De verdachte is in die zaak op 10 juli 2016 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd van 365 dagen niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De officier van justitie heeft op 3 juli 2017 een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland. Deze vordering strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is derhalve gegrond, zodat het gerechtshof op grond van het bepaalde in artikel 6:6:21 van het Wetboek van Strafvordering in beginsel kan gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel of gedeeltelijk moet worden ondergaan.

Het spreekt voor zich dat het voor de effectiviteit van deze regeling van belang is dat aan het overtreden van de gestelde algemene voorwaarde strenge gevolgen worden verbonden. Aan de hand van de omstandigheden van het geval zal moeten worden bepaald welke reactie op de overtreding van de voorwaarde passend en geboden is. Uitgangspunt is dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel dient te worden ondergaan. Daarvan wordt slechts afgeweken in het geval dat is gebleken van bijzondere omstandigheden of van een situatie waarin de ernst van het strafbaar feit dat tot de vordering tot herroeping heeft geleid de (volledige) herroeping disproportioneel zou doen zijn.

Naar het oordeel van het gerechtshof doet, gelet op de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die situatie zich hier voor. Het hof zal deze vordering daarom toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd alsnog gedeeltelijk, en wel voor de duur van 53 dagen, moet worden ondergaan.

Voor het overige zal het hof de vordering afwijzen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 350,00 (immateriële schade). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 63, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 24 april 2017.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat het gedeelte van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 13 juli 2015 onder parketnummer 18-830078-15 opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd alsnog gedeeltelijk, en wel voor de duur van 53 (drieënvijftig) dagen, wordt ondergaan.

Het hof verstaat dat verdachte bedoelde 53 (drieënvijftig) dagen reeds heeft ondergaan.

Wijst de vordering voor het overige af.

Aldus gewezen door

mr. J. Hielkema, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. M. van der Horst, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 11 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M. van der Horst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.