Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7143

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
21-005009-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005009-18

Uitspraak d.d.: 11 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 maart 2018 met parketnummer 18-830005-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

ter zitting opgegeven postadres: [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven weken voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. C. Eenhoorn, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 5 maart 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en verdachte wegens het onder 1 tenlastegelegde (medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden onvoorwaardelijk, met aftrek van voorarrest.

Tegen dit vonnis is door verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld. Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde feit, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve voor zover het betreft de opgelegde straf. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met een of meer anderen telen van 339 hennepplanten. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van illegale hennepteelt. Hennep bevat de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennepteelt en de handel in het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving schade wordt berokkend.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, in combinatie met het feit dat verdachte in 2013 wegens een soortgelijk feit onherroepelijk is veroordeeld, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, zoals opgelegd door de rechtbank, in beginsel gerechtvaardigd is.

Het hof ziet echter reden om hiervan af te wijken. Uit het justitiële documentatieregister

d.d. 30 juli 2020 blijkt dat verdachte sinds het onderhavige feit niet meer met justitie in aanraking is geweest. Dit, samen met het gegeven dat dit feit dateert van 5 april 2016, zal het hof – conform de eis van de advocaat-generaal – aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. M.C. Fuhler, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,

en op 11 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Wemes en mr. Fuhler zijn beiden buiten staat dit arrest te ondertekenen.