Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7056

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
200.269.863/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gevorderde straat- en contactverbod wordt alsnog afgewezen. Voor het hof is onvoldoende vast komen te staan dat de vader gedurende een langere periode op ontoelaatbare wijze en stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de moeder en/of de kinderen, ook niet door de combinatie en/of aaneenrijging van verschillende of telkens dezelfde gedragingen. Het hof vindt dat evenmin voldoende vast is komen te staan dat er sprake is van een reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen van de vader jegens de moeder en/of de kinderen. De gedragingen die de moeder de vader heeft verweten zijn niet zodanig dat deze de ingrijpende maatregel van een straat- en contactverbod rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0635
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.269.863/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 194288)

arrest van 8 september 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende in [A] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: gedaagde,

hierna: de vader,

advocaat: mr. J.A.M. Staal-Olislaegers te Winschoten,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende in [B] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: eiseres,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. M. Helmantel te Sappemeer.

1 De procedure bij de rechtbank

Het verloop van de procedure blijkt uit het vonnis van 16 oktober 2019 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de rechtbank), zoals hersteld bij vonnis van 6 november 2019.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure bij het hof blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 13 november 2019, waarin de grieven zijn opgenomen en een incidentele vordering tot schorsing van de verdere tenuitvoerlegging op grond van artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) (met bijlagen);

- de memorie van antwoord in de hoofdzaak, tevens memorie van antwoord in het incident, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van 17 december 2019 (met één bijlage).

2.2

Naast onderhavige procedure is tussen de vader en de moeder bij dit hof aanhangig een hoger beroep van de vader gericht tegen een beschikking van de rechtbank van 16 juli 2019. Dit beroep is ingeschreven onder nummer 200.263.661/01.

2.3

Op 7 juli 2020 zijn [de minderjarige1] , geboren [in] 2003 (verder te noemen: [de minderjarige1] ) en [de minderjarige2] , geboren [in] 2006 (verder te noemen: [de minderjarige2] ) buiten aanwezigheid van partijen door het hof ieder afzonderlijk van elkaar gehoord met behulp van een beeldbelverbinding.

2.4

De mondelinge behandeling op 10 april 2020 heeft in verband met de coronamaatregelen geen doorgang gevonden. Deze zaak en de zaak tussen partijen met zaaknummer 200.263.661/01 zijn gelijktijdig behandeld op 8 juli 2020. De vader is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Raadsheer mr. Vermeulen en de moeder, bijgestaan door haar advocaat, hebben in verband met de coronamaatregelen aan de mondelinge behandeling deelgenomen met behulp van een beeldbelverbinding.

2.5

Met instemming van het hof hebben partijen na de mondelinge behandeling nog journaalberichten ingezonden, zij het met de in overweging 5.1 genoemde beperking:

- een journaalbericht van mr. Staal-Olislaegers van 11 augustus 2020 en een journaalbericht van mr. Helmantel van 14 augustus 2020, beiden inhoudende dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen;

- een journaalbericht van mr. Helmantel van 20 augustus 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Staal-Olislaegers van 21 augustus 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Helmantel van 24 augustus 2020.

De ingezonden stukken worden door het hof beschouwd als zijnde ingediend over en weer in beide procedures.

2.6

Partijen hebben in deze procedure arrest gevraagd. Heden wordt door het hof in beide procedures arrest gewezen, respectievelijk beschikking gegeven. Bij arrest van dit hof van 4 februari 2020 is de tenuitvoerlegging geschorst van een onderdeel van het vonnis van 16 oktober 2019, zoals hersteld bij vonnis van 6 november 2019, namelijk voor zover de veroordeling betrekking heeft op de [a-straat] te [B] .

3 De feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De vader heeft de kinderen erkend. Partijen oefenen samen het ouderlijk gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder.

3.2

Bij vonnis in kort geding van 20 december 2007 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen - kort gezegd - een straat- en contactverbod aan de vader opgelegd voor de periode van zes maanden na betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom en met een machtiging aan de moeder om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen.

3.3

In oktober 2008 zijn partijen een co-ouderschapsregeling overeengekomen in die zin dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de ene week bij de moeder verbleven en de andere week bij de vader.

3.4

Van april/mei 2011 tot begin 2014 heeft de vader een relatie gehad met [C] (verder: [C] ). Uit deze relatie is [in] 2013 geboren [de minderjarige3] (verder: [de minderjarige3] ).

3.5

De vader en de moeder hebben in 2014 hun relatie hervat en zijn (opnieuw) gaan samenwonen. Begin januari 2019 heeft/hebben zich bij de vader thuis een ernstige (gewelds)incident(en) voorgedaan, waarbij de vader, [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] betrokken zijn geweest.

De verstandhouding tussen de ouders is daarna ernstig verstoord geraakt waarbij ook het contact tussen de vader en zijn kinderen is verbroken.

3.6

Tussen partijen spelen nog (diverse) gerechtelijke procedures, onder meer over het gezag, het hoofdverblijf van de kinderen en de zorgregeling met de andere ouder.

4 De omvang van het geschil

4.1

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis van 16 oktober 2019 (hersteld op 6 november 2019) beslist dat de vader zich niet mag begeven naar of zich mag ophouden bij, op of rond het adres [b-straat] 2 te [B] , het adres [c-straat] 10 te [A] , en zich niet mag begeven in een straal van 100 meter in de nabijheid van de moeder en/of de kinderen van de vader en de moeder. Daarbij is bepaald dat dat mede inhoudt dat hij zich niet mag ophouden bij de scholen waarop de kinderen zitten, de sportvelden en sportaccommodaties waar de kinderen hun sporten uitoefenen. De voorzieningenrechter heeft de vader tevens veroordeeld tot betaling vaneen dwangsom aan de vrouw van € 100,- voor elke keer dat de man het verbod overtreedt, met een maximum van € 10.000,-. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Bij arrest van dit hof van 4 februari 2020 is de uitvoerbaarverklaring bij voorraad geschorst zoals hiervoor onder 2.6 vermeld.

4.2

De vader is met vier grieven in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader vordert het hof het bestreden vonnis van 16 oktober 2019 en het herstelvonnis van 6 november 2019 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken van de moeder af te wijzen, met veroordeling van de moeder in de kosten van beide instanties.

4.3

De moeder heeft verweer gevoerd en heeft op haar beurt incidenteel hoger beroep ingesteld. De moeder vordert in incidenteel hoger beroep te bepalen dat de vader niet op enigerlei wijze zelf of via derden contact mag leggen met de moeder en/of de kinderen, waarbij eveneens een dwangsom aan de vader dient te worden opgelegd ad € 100,- die de vader verbeurt aan de moeder voor elke keer dat de vader (een deel van) de uitspraak in appel overtreedt. De moeder heeft in hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep gevorderd primair de vader te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, en subsidiair, nu partijen ex-partners van elkaar zijn, kosten rechtens in beide instanties.

5 De beoordeling

Producties

5.1

De moeder heeft bezwaar gemaakt tegen de producties die de vader bij het journaalbericht van 21 augustus 2020 heeft ingediend. Zoals de moeder terecht heeft aangevoerd heeft het hof ter zitting partijen in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 21 augustus 2020 nog schriftelijk op elkaars standpunten te reageren als zij niet tot overeenstemming zijn gekomen. Daarbij heeft het hof partijen niet in de gelegenheid gesteld om nog nadere stukken in het geding te brengen. Het hof zal de door de vader bij zijn journaalbericht van 21 augustus 2020 ingebrachte stukken daarom buiten beschouwing laten.

Straat-/contactverbod

5.2

Het hof stelt voorop dat een straat- en contactverbod een ingrijpende maatregel is die inbreuk maakt op het recht op persoonlijke vrijheid, waaronder begrepen het recht op vrije verplaatsing. Voor het opleggen van een dergelijke ingrijpende maatregel moet sprake zijn van feiten en omstandigheden die in hoge mate zo’n inbreuk rechtvaardigen. In elk geval moet sprake zijn van een reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen van de vader jegens de moeder en/of de kinderen. De vraag of in dat geval een straat- en contactverbod noodzakelijk is moet vervolgens worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van de daarbij betrokken belangen van beide partijen (HR 24 mei 1985, ECLI:NL:PHR:1985:AC8901).

Het hof beantwoordt die vraag ontkennend en heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

5.3

Partijen hebben jarenlang een co-ouderschapsregeling gehad. Daarna hebben zij hun relatie hervat en samengewoond. Na een ernstig voorval met geweld op 2 januari 2019 is de relatie tussen partijen verbroken, zag de vader de kinderen plots helemaal niet meer en kwam geen omgangsregeling tot stand. Niet bestreden is dat de vader de zoon op die bewuste dag heeft mishandeld. Echter, deze mishandeling rechtvaardigt niet zonder meer de verboden zoals gegeven in het bestreden (herstelde) vonnis.

5.4

De vader heeft na het uiteengaan van partijen geen omgang meer met de kinderen gehad. Hij heeft in de maanden daarna wel meermalen contact gezocht. Dat is niet ongewoon of ontoelaatbaar. Gelet op het voorval in januari 2019 is het niettemin voorstelbaar dat het zoeken van contact van de vader door de moeder en/of de kinderen als intimiderend is ervaren. Daar staat echter tegenover dat partijen net uit elkaar waren en het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat in een relatiebreuk als de onderhavige de emoties soms hoog oplopen. Voor zover er toen sprake was van wangedrag of grievend gedrag, brengt dat nog niet mee dat dergelijk gedrag zich ook in de toekomst, als er meer tijd zou zijn verstreken, zou manifesteren. Het is daarom op zichzelf niet voldoende rechtvaardiging voor een straat- of contactverbod.

5.5

De moeder heeft in dat verband aangevoerd dat de vader op 10 juli 2019 op de straat voor het huis geparkeerd heeft gestaan waarbij de kinderen thuis waren en zij niet. Het hof stelt voorop dat er toen geen straatverbod gold. Bovendien heeft de vader daarvoor een verklaring gegeven. Zijn weidesleep was gestolen en hij zag er één op het weiland bij de woning aan het [b-straat] 2 staan. Hij wilde controleren of het de zijne was voordat hij naar de politie zou gaan. Dat heeft de moeder niet bestreden. Daarmee staat vast dat de vader niet meer heeft gedaan dan daar even parkeren op de openbare weg. Het is naar het oordeel van het hof daarom geen reden voor een straat- en/of contactverbod

5.6

Ter zitting van het hof is besproken wat nadien de contacten tussen de vader en de moeder en/of de kinderen zijn geweest:

a. De moeder stelt dat de vader geregeld langzaam reed over de [a-straat] die parallel aan haar straat loopt en heeft een logboek in het geding gebracht waarin zij omschrijft wanneer de vader gezien is in de periode van 2 augustus 2019 tot 2 oktober 2019. Het logboek vermeldt de keren dat de werkbus van de vader rijdend op de [a-straat] is gezien. De vader heeft daartegen ingebracht dat de moeder hem heeft gezien in de uitoefening van zijn dagelijkse bezigheden. Het hof stelt vast dat partijen in een klein dorp wonen op korte afstand van elkaar. Geen van beiden heeft ervoor gekozen om daar verandering in aan te brengen. De vader woont niet alleen in de buurt maar heeft daar zijn sociale leven en zijn onderneming en zijn klanten. De moeder woont bij een belangrijke toegangsweg tot het dorp en tot de snelweg. Niet in geschil is dat de vader steeds moet omrijden als hij die weg zou moeten vermijden. Dat de vader regelmatig over de [a-straat] rijdt is dan ook niet ongewoon.

De vader heeft gemotiveerd weersproken dat hij langzaam over de [a-straat] heeft gereden en dat hij daarbij zwaaide. Zo laat deze weg langzaam rijden helemaal niet toe, aldus de vader. Nu de moeder haar stelling niet nader heeft onderbouwd zal het hof daaraan voorbij gaan. Overigens is komen vast te staan dat het door de moeder geschetste probleem in de tussentijd is opgelost. Immers, de [a-straat] ligt hoger dan de straat waaraan de moeder woont. Omdat er tussen de eigen straat en de [a-straat] bosjes zitten kunnen ze vanuit het huis van de moeder de [a-straat] niet meer zien. De vader is op de [a-straat] dan ook niet zichtbaar en kan de moeder en/of de kinderen daar geen (ernstige) hinder geven.

b. De vader is meermalen gezien bij een vriend van de vader die aan het begin van de straat van de moeder woont. Niet in geschil is dat hij daar meermalen geklust heeft. Dat de vader daar dus geparkeerd stond en aanwezig was, zoals het logboek vermeldt, is verklaarbaar en niet zonder meer ontoelaatbaar. Dat de vader gezwaaid heeft en hen nagekeken heeft en [de minderjarige1] tweemaal heeft nageroepen als hij haar zag, maakt dat op zichzelf niet anders.

c. Uit het logboek blijkt voorts dat de vader met zijn vriend enkele malen door de straat heeft hard gelopen. Vast is echter komen te staan dat die straat weliswaar doodlopend is voor auto’s, maar niet voor fietsers en voetgangers, zodat de suggestie van de moeder dat hij daar niets te zoeken had, en het niet anders kan zijn dan dat het vaders bedoeling is geweest in de nabijheid van haar huis te vertoeven geen hout snijdt.

Ten aanzien van de hiervoor onder a-c vermelde momenten heeft de vader zijn aanwezigheid op bepaalde momenten bij de woning van de moeder naar het oordeel van het hof aldus voldoende verklaard. Uit het logboek blijkt niet dat hij de moeder en/of de kinderen heeft opgezocht of (hinderlijk) heeft aangesproken of heeft gedwongen zijn aanwezigheid te dulden.

d. De moeder heeft nog aangevoerd dat de vader op 23 november 2019 als een geschminkte piet verkleed aanwezig was bij het voetbalveld waar [de minderjarige2] een wedstrijd had. Niet gesteld is dat de vader zijn aanwezigheid bij de moeder en/of de kinderen kenbaar heeft gemaakt of ze heeft aangesproken of lastig gevallen. Dat neemt niet weg dat vast staat dat de vader het toen daar geldende verbod heeft overtreden. Het hof realiseert zich dat dit kan gebeuren, daar waar partijen zo dicht bij elkaar wonen, en heeft geen aanwijzingen dat de vader doelbewust in strijd daarmee heeft gehandeld.

e. Recent heeft de vader [de minderjarige1] schriftelijk gefeliciteerd met haar slagen. Het straatverbod verbood dat niet en ook overigens is dat niet aan te merken als onrechtmatig handelen. Het bij de kaart gevoegde bedrag van € 66,66 maakt dat niet anders. De moeder wijst er weliswaar op dat meerdere zessen verwijzen naar de duivel maar de vader heeft daarvoor een andere, aannemelijke, verklaring gegeven. Volgens de vader is de zes zijn lievelingsgetal. Hoewel het bedrag zonder nadere toelichting mogelijk voor onrust kan hebben gezorgd, is het hof van oordeel dat de vader zich daarmee niet onrechtmatig heeft gedragen.

f. De vader is op de dag van de diploma-uitreiking weliswaar op de school van [de minderjarige1] geweest maar niet voor haar maar voor de dochter van zijn vriendin die die dag ook haar diploma kreeg. De vader heeft [de minderjarige1] vermeden. Niet bestreden is dat er 1,5 uur tussen de uitreikingen zat en dat de vader de moeder en/of de kinderen niet is tegengekomen.

g. Voorts stelt de moeder dat de vader [de minderjarige1] via sociale media heeft benaderd. Vast staat dat de vader een foto van [de minderjarige1] en haar slagen op zijn Facebook-account heeft gezet. Die foto was afkomstig van een besloten Instagram-account van [de minderjarige1] waartoe de vader geen toegang had. Hoewel vanuit de vader invoelbaar, ware het verstandiger geweest dat de vader niet zonder instemming van [de minderjarige1] zulke handelingen zou hebben verricht. Dit rechtvaardigt echter niet het opleggen van een verbod daartoe met dwangsom.

Al met al leiden deze door de moeder geschetste voorvallen niet, ook niet in onderlinge samenhang bezien, tot de conclusie dat een zo ingrijpende maatregel als een straat- en contactverbod gerechtvaardigd is.

5.7

De moeder stelt ten slotte nog dat de vader geweld niet schuwt en dat er veel huiselijk geweld is geweest. Ze stelt dat de vader strafrechtelijk vervolgd wordt voor misbruik van [de minderjarige3] en de mishandeling van [de minderjarige2] . Het hof memoreert dat de zaak over [de minderjarige3] is geseponeerd als gevolg van gebrek aan bewijs. Voor de verdenking van huiselijk geweld heeft de vader van het OM een transactievoorstel ontvangen. Dat er naast het incident in januari 2019 sprake is geweest van huiselijk geweld door de vader jegens de moeder en/of de kinderen, is door de vader weersproken en niet met andere informatie onderbouwd dan de verklaring van de moeder zelf. De moeder heeft daarbij nog op het recente rapport en advies van de raad gewezen maar het hof heeft daar niet de beschikking over en kan dat daarom evenmin meewegen.

5.8

Gelet op het hiervoor overwogene, is voor het hof onvoldoende vast komen te staan dat de vader gedurende een langere periode op ontoelaatbare wijze en stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de moeder en/of de kinderen, ook niet door de combinatie en/of aaneenrijging van verschillende of telkens dezelfde gedragingen. Het hof vindt dat evenmin voldoende vast is komen te staan dat er sprake is van een reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen van de vader jegens de moeder en/of de kinderen. De gedragingen die de moeder de vader heeft verweten zijn niet zodanig dat deze de ingrijpende maatregel van een straat- en contactverbod rechtvaardigen. Het hof zal daarom het bestreden vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van de moeder (alsnog) integraal afwijzen.

5.9

De vader heeft ter zitting verklaard dat hij zijn best doet om de contacten met de moeder en de kinderen te vermijden en dat zal blijven doen. Gelet op de ernstig verstoorde verhouding tussen de vader en de moeder alsook de complexe situatie voor de kinderen lijkt dat onontkoombaar. Beide ouders doen er verstandig aan om met intensieve hulp te zoeken naar een rol voor de vader (op afstand) in het leven van de kinderen.

5.10

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu de vader en de moeder een relatie met elkaar hebben gehad en de procedures mede ook de uit die relatie geboren kinderen betreft.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van 16 oktober 2019 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de rechtbank), zoals hersteld bij vonnis van 6 november 2019, en opnieuw rechtdoende;

wijst het door de moeder in eerste aanleg gevorderde af;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, I.A. Vermeulen en M.P. den Hollander, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 8 september 2020.