Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7023

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
200.253.274
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht.

In deze zaak gaat het om een verzekeringsdekkingsgeschil tussen geïntimeerde als verzekerde en Achmea als verzekeraar. Geïntimeerde heeft schade geleden aan de asbesthoudende daken van zijn twee varkensstallen. De vraag die partijen verdeeld houdt is of de schade aan de asbesthoudende daken op basis van de herbouwwaarde moet worden vergoed (de hoofdregel) of op basis van de vervangingswaarde, omdat sprake is van aanmerkelijke slijtage (de uitzondering). Het hof beantwoordt deze vraag anders dan de rechtbank en oordeelt dat sprake is van aanmerkelijke slijtage van de twee asbesthoudende daken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2020/109
NTHR 2020, afl. 6, p. 322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht,

zaaknummer gerechtshof 200.253.274

(zaaknummer rechtbank NL18.8730)

arrest van 8 september 2020

in de zaak van

de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

h.o.d.n. Interpolis,

gevestigd te Apeldoorn,

appellante,

in eerste aanleg: verweerster,

hierna: Achmea,

advocaat: mr. D.J. van der Kolk,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft in het (tussen)arrest van 26 februari 2019 een comparitie van partijen gelast na het aanbrengen van de zaak in hoger beroep (en dus nog voor de stukkenwisseling in hoger beroep). Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 29 mei 2019, waarvan proces-verbaal is opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

1.2

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de memorie van grieven (met producties 7-10),

- de memorie van antwoord (met één productie).

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het (bestreden) vonnis van 15 oktober 2018. Rechtsoverweging 2.6 van de feiten (het expertiserapport van 6 juni 2017 van [B] ) is onderdeel van grief 2; het hof komt hierop terug onder 4.1.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Het geschil en de beslissing in een notendop

3.1

In deze zaak gaat het in de kern om een verzekeringsdekkingsgeschil tussen [geïntimeerde] als verzekerde en Achmea als verzekeraar. [geïntimeerde] heeft schade geleden aan de asbesthoudende daken van zijn twee varkensstallen. De vraag die partijen verdeeld houdt is of de schade aan de asbesthoudende daken op basis van de herbouwwaarde moet worden vergoed (de hoofdregel) of op basis van de vervangingswaarde, omdat sprake is van aanmerkelijke slijtage (de uitzondering). Het hof beantwoordt deze vraag anders dan de rechtbank en oordeelt dat sprake is van aanmerkelijke slijtage van de twee asbesthoudende daken.

De polis(voorwaarden) en de schade-uitkering

3.2

[geïntimeerde] heeft voor zijn bedrijf een verzekeringsovereenkomst (een Bedrijven Compact Polis) met Achmea gesloten. Op deze overeenkomst zijn de Verzekeringsvoorwaarden BCP (Bedrijven Compact Polis Agrarisch) versie 5.4 (januari 2015) van toepassing.

De navolgende bepalingen zijn in deze zaak van belang:

Omvang van de verzekering

De verzekering dekt schade aan bedrijfsgebouwen die volgens het verzekeringsbewijs verzekerd zijn op deze voorwaarden, als de schade is ontstaan door hagel.

(…)

Uitsluitingen

Van de uitsluiting waar een * bij is geplaatst, is de volledige tekst aan het eind van dit hoofdstuk te vinden.

Van de dekking op deze voorwaarden is uitgesloten:

(…)

• Slijtage, corrosie, oxidatie of onvoldoende onderhoud, verzakking en

belasting (*) (2);

(…)

Uitsluitingen

De volgende uitsluitingen zijn op uw verzekering van toepassing voor zover daar in de betreffende paragraaf naar wordt verwezen.

(…)

2 Slijtage, corrosie, oxidatie [enz. hof]

De verzekering geeft geen dekking als de schade is veroorzaakt door of verband houdt met:

• slijtage, corrosie, oxidatie of onvoldoende onderhoud;

• verzakking, anders dan door sneeuwdruk;

• (…)

Schaderegeling

(…)

Door wie wordt de schade vastgesteld

De omvang van de schade en de hoogte van de kosten worden vastgesteld:

• ofwel in onderling overleg;

• ofwel, bij onderling goedvinden, door één expert;

• ofwel, als partijen dat wensen, door twee ter zake deskundige experts, waarvan er één wordt benoemd door de verzekerde en één door ons.

(…)

Waardebasis

Bij gebouwen uitgezonderd (…)

De herbouwwaarde geldt als basis voor de schadevaststelling. (…)

Echter in de volgende gevallen hanteren wij de vervangingswaarde:

• als er sprake is van aanmerkelijke slijtage of achterstallig onderhoud van de beschadigde zaak;

• (…).

Uit de begrippenlijst die behoren bij de Verzekeringsvoorwaarden BCP zijn de navolgende bepalingen van belang:

Herbouwwaarde

Het bedrag dat nodig is voor herbouw van het gebouw onmiddellijk na de gebeurtenis op dezelfde plaats en met dezelfde bestemming.

(…)

Vervangingswaarde

De herbouwwaarde, verminderd met een aftrek wegens slijtage en/of achterstallig

onderhoud. (…)

3.3

Als gevolg van de zogenoemde supercel die op 23 juni 2016 over Zuidoost-Brabant trok, heeft [geïntimeerde] schade geleden aan de asbesthoudende golfplaten op twee varkensstallen (als verzekerde objecten benoemd als gebouw 100 en gebouw 101). Het dak op gebouw 100 was toen 41 jaren oud en het dak op gebouw 2 was toen 33 jaren oud. Achmea heeft een schadebedrag vergoed van € 8.450,- (excl. btw), namelijk 25% van de vastgestelde schade.

De interne richtlijn van Achmea

3.4

Achmea heeft de vergoeding van 25% van de schade gebaseerd op een door haar (Interpolis) gehanteerde “Interne richtlijn asbesthoudende dakbedekking en gevelbekleding” die als volgt luidt:

1. Doel van de richtlijn

We willen duidelijkheid en eenduidigheid verschaffen over de bepaling van de restlevensduur van asbestdaken en -gevelbekleding. Dit doen we voor schadebehandelaars, experts in geval van schade en aan acceptanten en risicoadviseurs in geval van acceptatie. Het middel dat we hiertoe bieden is een richtlijn met een beoordelingssysteem om de mate van verwering te bepalen van asbesthoudende dakbedekking en gevelbeplating van agrarische bedrijfsgebouwen. (…)

2 Omvang van de schade bepalen

Interpolis Bedrijven Compact Polis Agrarisch

Een asbestdak als onderdeel van een agrarisch bedrijfsgebouw behoort volgens de verzekeringsvoorwaarden BCP-agrarisch versie 5.2,. 5.3 en 5.4 tot het begrip bedrijfsgebouw.

De waardebasis die bij schaderegeling wordt gehanteerd voor het begrip bedrijfsgebouw is

herbouwwaarde, tenzij anders wordt vermeld op de polis. Als er sprake is van aanmerkelijke slijtage of achterstallig onderhoud wordt volgens de voorwaarden de schade op basis van vervangingswaarde vastgesteld.

Richtlijn

In praktijk blijkt dat asbesthoudende dakbedekking en gevelbekleding door ouderdom en invloeden van buitenaf behoorlijk aan slijtage onderhevig zijn. Ais er sprake is van 'aanmerkelijke slijtage' wordt volgens de verzekeringsvoorwaarden de schade op basis van vervangingswaarde vastgesteld. De vervangingswaarde is de herbouwwaarde, verminderd met een aftrek wegens slijtage en/of achterstallig onderhoud.

De volgende stappen moeten voor een asbestdak doorlopen worden om de mate van slijtage te bepalen:

1) Bepalen van de leeftijd van het dak.

2) Bepalen van score met het 'Beoordelingssysteem verwering asbestdaken', zie Tabel 1.

3) Op basis van uitkomst 1) en uitkomst 2) bepalen restlevensduur met 'Beoordeling restlevensduur op basis van leeftijd asbestdak en score verwering', zie Tabel 2.

4) Bepalen van het afschrijvingspercentage volgens de volgende formule:

leeftijd asbestdak / (leeftijd asbestdak + restlevensduur asbestdak) x 100%

5) Als de afschrijving meer dan 60% is, is er sprake van aanmerkelijke slijtage en is de waardebasis van het asbestdak vervangingswaarde. De minimale vervangingswaarde van het asbestdak bedraagt 15% van de herbouwwaarde.

Het TNO-rapport van 2011

3.5

Deze onder 3.4 genoemde richtlijn is gebaseerd op een rapport van TNO van 30 augustus 2011 (TNO-060-UT-2011-01522) “Beoordeling van schade aan asbestcementdaken in de agrarische sector”.

In de samenvatting van dit rapport staat onder meer vermeld:

In de agrarische industrie zijn asbestcement golfplaten op grote schaal toegepast als dakbedekking op schuren en stallen. Door veroudering en externe factoren zoals weersinvloeden en ammoniakdampen raken de asbestcement platen gecorrodeerd en verweerd. (…) Het dak gaat uiteindelijk lekken en wordt onbruikbaar.

Er bestaat echter nogal onduidelijkheid over het begrip ‘verweerd’ en al in het verleden ging men op zoek naar een éénduidige methode om de verwering vast te stellen. Ook bij Achmea Agro kampt men met hetzelfde probleem: Hoe kan verwering aan- en veroudering van- een asbestcementdak éénduidig en objectief worden vastgesteld ?

In opdracht van Achmea Agro is door TNO daarom een onderzoek uitgevoerd dat

bestaat uit de volgende onderdelen:

1. Een literatuurstudie naar bestaande methoden, waaronder ook eerder door TNO uitgevoerd onderzoek, om de verweringsgraad van asbestcement daken objectief vast te stellen;

2. het ontwikkelen van een eenvoudig te hanteren beoordelingssystematiek waarmee Achmea Agro op basis van de beschikbare expertise de mate van verwering in relatie tot de fysieke sterkte op objectieve wijze kan schatten.

Het gebruik van min of meer kwantitatieve methoden biedt nauwelijks extra informatie ten opzichte van een visuele beoordeling. Gebleken is dat een eenvoudig te hanteren beoordeling op basis van visuele inspectie de beste methode is om de mate van verwering op objectieve wijze te kunnen schatten.

Door gebruik te maken van een score-tabel worden alle relevante gegevens en externe factoren die van belang zijn voor het bepalen van de restlevensduur in een puntenscore vastgelegd. Aan de hand van deze puntenscore in combinatie met de leeftijd van de dakbeplating wordt daarna een schatting gegeven van de restlevensduur van het asbestcement dak.

De beschreven systematiek dient als leidraad voor de schade-expert bij het bepalen van de fysieke (rest)levensduur van de dakbeplating. Aan de milieuaspecten van asbestcement daken (emissie van asbestvezels naar het milieu) wordt door Achmea Agro in ander verband aandacht besteed.

Onderstaande criteria zijn in de beoordelingssystematiek verwerkt:

• het productiejaar van de dakplaat (leeftijd),

• aanwezigheid van een coating,

• het gebruik van het gebouw,

• de hellingshoek van het dak,

• de montage en conditie van het plaatmateriaal (interne matrix),

• de conditie van het oppervlak door verwering,

• ventilatie binnen het gebouw.

De objectiviteit van de criteria kan worden vergroot door middel van duidelijk

instructies in de vorm van een protocol en het leveren van illustraties c.q. foto’s die

als vergelijkingsmateriaal gebruikt kunnen worden.

De e-mailwisseling tussen [geïntimeerde] en Achmea

3.6

Na de schademelding door [geïntimeerde] is hij voor het eerst op 28 juni 2016 bezocht door de schade-expert van Achmea, de heer [B] . Per e-mail van 14 juli 2016 heeft [B] een schadeoverzicht gestuurd met een begroting van de (voorlopige) schade. In een e-mailwisseling van 29 augustus 2016 tussen [B] en [geïntimeerde] wordt gesproken over de kwestie van de schadeafwikkeling betreffende de asbesthoudende daken. Zo schrijft [B] : “Bij asbestdaken is er onder andere sprake van aanmerkelijke slijtage en schrijven we ook af op de voorwaarden 5.4”.

Hierop heeft [geïntimeerde] geantwoord: “-> t.a.v. schadeafhandeling: Ik heb nooit bericht ontvangen bij mijn weten dat er sprake is van afschrijving in geval van asbesthoudende dakbedekking. Enkel dat de voorwaarden aangaande aansprakelijkheid i.g.v. schade aan

derden door asbest uitgesloten zijn. In de voorwaarden die ik in bezit heb (5.4) is aangegeven dat de dekking gebaseerd is op vervangingswaarde. In de nieuwe voorwaarden 5.5 (per 1 juli dus) is deze regel wel als zodanig opgenomen. (…) Nogmaals, deze regel staat niet opgenomen in de vigerende voorwaarden 5.4. Dit lijkt me toch vrij eenduidig.”

Daarna hebben partijen hierover nog verder gedebatteerd per e-mail.

3.7

Per e-mail van 14 oktober 2016 heeft de schadebehandelaar van Achmea aan [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven: “Op 10 oktober 2016 ontving ik uw e-mail waarin u vraagt waar in de voorwaarden versie 5.4 is opgenomen dat bij een asbesthoudend dak wordt uitgegaan van vervangingswaarde in plaats van herbouwwaarde. In deze e-mail kom ik hierop terug.

Afschrijving asbestdak

In de verzekeringsvoorwaarden versie 5.4 geldt de herbouwwaarde als basis van de

schadevaststelling. Echter kan hiervan in bepaalde gevallen worden afgeweken. Zo zal er wanneer er sprake is van een aanmerkelijke slijtage vervangingswaarde als waardebasis genomen worden, vervangingswaarde is de herbouwwaarde verminderd met aftrek wegens slijtage of achterstallig onderhoud. U kunt dit terugvinden in Hoofdstuk 1 Gebouwen, Schaderegeling, waardebasis, bladzijde 16.

In praktijk blijkt dat asbesthoudende dakbedekking en gevelbekleding door ouderdom en invloeden van buitenaf behoorlijk aan slijtage onderhevig zijn. Als er sprake is van ‘aanmerkelijke slijtage’ wordt volgens de verzekeringsvoorwaarden de schade op basis van vervangingswaarde vastgesteld.

Contra-expert

De polis biedt de mogelijkheid om de schade vast te laten stellen door een door verzekerde ingeschakelde expert, de contra-expert. Wanneer er bij schade geen overeenstemming wordt bereikt over de schadeomvang tussen onze expert en de contra-expert wordt de schade door een derde deskundige bindend vastgesteld.

Deze derde deskundige blijft daarbij binnen de grenzen van de schadevaststellingen van de andere experts.”

[geïntimeerde] heeft van deze mogelijkheid tot contra-expertise geen gebruik gemaakt.

3.8

Per e-mail van 3 december 2016 van [geïntimeerde] aan [B] heeft [geïntimeerde] onder meer geschreven over de voortgang van de afwikkeling van de schade: “In oktober en november hebben we rooi en opruimwerkzaamheden verricht om de asbestsanering uit te kunnen voeren en de daken te vervangen. (…) 15 november is daarop aangevangen met de asbestsanering van het voorste gedeelte van stal 2 en 3. Daags erna was er vrijgave en kon dit gedeelte dicht gemaakt worden met nieuwe platen. Bedoeling was dat saneerders direct daarna de rest van de asbestplaten gingen verwijderen. Helaas was er deze dagen sprake van zeer slechte weersomstandigheden door aanhoudende regenval, en waren we gedwongen de rest van de werkzaamheden in overleg uit te stellen. (…) Situatie is nu dus dat we twee halve nieuwe (niet afgewerkte) daken hebben en dat de rest, tegelijk met de reparaties aan de asbestvrije daken en monteren van de goten, pas in het nieuwe jaar afgewerkt kan worden. (…)

Als laatste wil ik hierbij aangegeven dat ik akkoord ben met de schadevaststelling door u als expert. (…)

Niet akkoord ben ik vooralsnog met de voorgestelde dekking. Gelet op de vigerende

verzekeringsvoorwaarden (agro 5.4 waarin uitdrukkelijk geen uitsluiting staat voor asbesthoudende dakbedekking) meen ik recht te hebben op herbouwwaarde. Dus net als bij de asbestvrije dakbedekking, ook hier 100 % schadeloosstelling (onder aftrek van het eigen risico uiteraard ). Ik heb hiervoor contact opgenomen met stichting Achmea rechtsbijstand voor een eerste advies hierin.”.

3.9

Per e-mail van 21 december 2016 heeft [B] aan [geïntimeerde] onder meer geschreven: “Je gaf mij aan dat je via Rechtsbijstand (…) een toelichting wilt op ons afschrijvingsbeleid. Dit beleid is zoals eerder verteld gebaseerd op een interne richtlijn

Interpolis heeft recent besloten om deze interne richtlijn nader te onderbouwen met het TNO-rapport waarvan dit is afgeleid. (…)

Algemene toelichting

Asbestdaken en -gevels zijn onderhevig aan slijtage. De leeftijd is hierbij een belangrijke factor.

De slijtage wordt veroorzaakt door onder andere neerslag, wind, temperatuurwisselingen en atmosferische verontreinigingen.

Daarnaast zijn factoren als ligging, hellingshoek en mate van mosgroei van invloed.

Als gevolg van een gestaag proces van verwering en veroudering verzwakken asbestdaken en -gevels en worden deze gevoeliger voor beschadigingen door bijvoorbeeld wind en hagel.

De mate van slijtage wordt op basis van een interne richtlijn vastgesteld.

Deze richtlijn is gebaseerd op het rapport van TNO ‘Beoordeling van schade aan asbestcement daken in de agrarische sector van 30-08-2011 (TNO-060-UT-2011-01523).

De ervaring leert dat het merendeel van de asbest daken momenteel voor meer dan 75% is versleten.

Tijdens de calamiteit van 23 juni 2016 is ervoor gekozen de schades uniform te regelen op basis van een afschrijving van 75%.

Toelichting ingevulde richtlijn [geïntimeerde]

In de bijlage tref je de interne richtlijn aan zoals die is ingevuld voor de stallen object 100 en 101.

Hieruit blijkt dat de afschrijving voor object 100 -> 100% is en voor object 101 -> 94%.

De richtlijn stelt een minimale vervangingswaarde van 15%.

Voor [A] en omgeving is uniform gekozen voor 25% vervangingswaarde over alles.

Een kopie van het TNO-rapport heb ik toegevoegd.”

De inzet van deze procedure

3.10

[geïntimeerde] heeft zich steeds op het standpunt gesteld (zowel vóór als tijdens deze procedure) dat geen sprake is van aanmerkelijke slijtage van de asbesthoudende dakplaten op de twee schuren. [geïntimeerde] onderbouwt zijn standpuntdoor te stellen dat Achmea het begrip “(aanmerkelijke) slijtage” niet heeft opgenomen in de begrippenlijst van de verzekeringsvoorwaarden en dat Achmea slechts aan de hand van een interne richtlijn, die geen deel uitmaakt van de verzekeringsvoorwaarden, heeft vastgesteld dat sprake zou zijn van (aanmerkelijke) slijtage. Voorts bestrijdt [geïntimeerde] dat het afschrijvingspercentage van 94% respectievelijk 100% (voor object 100/schuur 2 respectievelijk object 101/schuur 3) impliceert dat sprake is van aanmerkelijke slijtage, want afschrijving is niet gelijk te stellen aan slijtage. [geïntimeerde] vordert daarom (primair) de volledige schade op basis van herbouwwaarde aan de twee asbesthoudende daken, te weten het (restant) bedrag van € 25.350,- (excl. btw) met nevenvorderingen.

De rechtbank heeft deze primaire vordering in het vonnis van 15 oktober 2018 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl) toegewezen, minus een bedrag van € 7.335,- dat [geïntimeerde] als subsidie heeft gekregen voor de sanering van de asbestdaken, met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2016 en met veroordeling van Achmea in de proceskosten. Achmea heeft hieraan voldaan door betaling van € 20.840,35 op 25 oktober 2018.

Achmea is met vijf grieven tegen het oordeel van de rechtbank opgekomen; de grieven 3 en 4 vormen de kern van het geschil in hoger beroep, waarmee Achmea stelt dat sprake is van aanmerkelijke slijtage van de asbesthoudende dakplaten op de twee schuren.

Aanmerkelijke slijtage?

3.11

Achmea heeft betoogd dat slijtage ziet op achteruitgang van een product en dat bij de beoordeling van aanmerkelijke slijtage rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van het product. De schade-expert kan niet louter op visueel waarneembare elementen beoordelen of sprake is van aanmerkelijke slijtage van de asbesthoudende dakplaten; daarom moeten ook de technische aspecten worden meegewogen. Het rapport van TNO moet daarvoor handvatten bieden om in de praktijk de verwering van een dak met asbesthoudende (cement)platen concreet te kunnen beoordelen. De door TNO beschreven aspecten (zoals veroudering van de asbestcementplaten, de weersomstandigheden en de ammoniakdampen van een dierenstal) en systematiek dienen als leidraad voor de schade-expert bij het bepalen van de fysieke (rest)levensduur van de dakbeplating, aldus nog steeds Achmea. De interne richtlijn met de bijbehorende twee tabellen is gebaseerd op het TNO-rapport. In die richtlijn is aangegeven dat sprake is van aanmerkelijke slijtage bij een (afschrijvings-)percentage van 60% of meer.

3.12

De kern van het geschil draait om de vraag of de schade aan de asbesthoudende daken (die onderdeel vormen van de verzekerde gebouwen) op basis van de herbouwwaarde moet worden vergoed (de hoofdregel) of op basis van de vervangingswaarde, omdat sprake is van aanmerkelijke slijtage (de uitzondering). Achmea beroept zich op die uitzondering, zodat het vanwege de door Achmea ter comparitie na aanbrengen erkende stelplicht en bewijslast op haar weg ligt om te onderbouwen dat sprake is van aanmerkelijke slijtage van de twee asbesthoudende daken.

3.13

Niet in geschil is dat partijen er (stilzwijgend) voor hebben gekozen om de schade vast te laten stellen door de schade-expert van Achmea, zoals neergelegd in de schaderegeling (pagina 15 van de verzekeringsvoorwaarden; zie ook onder rov. 3.2). De schade-expert [B] heeft onder meer de schade aan de asbesthoudende dakplaten van de beide schuren onderzocht en heeft hiervoor gebruik gemaakt van de interne richtlijn van Achmea die gebaseerd is op het TNO-rapport van 2011. De inhoud van dit TNO-rapport, onder meer over de levensduur van asbestcementdaken en over de handleiding/beoordeling van asbestcementdaken, is niet (gemotiveerd) bestreden door [geïntimeerde] . De interne richtlijn van Achmea is op dit TNO-rapport gebaseerd, zo staat onbestreden vast. Het feit dat de interne richtlijn met de bijbehorende tabellen 1 en 2 (de matrix) geen onderdeel uitmaken van de onderhavige verzekeringsovereenkomst betekent niet dat de schade-expert hiervan geen gebruik zou mogen maken bij de vaststelling van de schade, waaronder ook de mate van (aanmerkelijke) slijtage. De interne richtlijn is door de schade-expert als hulpmiddel/instrument gebruikt ter objectivering en onderbouwing van de schade aan de twee asbesthoudende daken. De door [B] ingevulde tabel 1 (Beoordelingssysteem verwering asbestdaken van beide schuren) is inhoudelijk niet (gemotiveerd) betwist: er is sprake van ongecoate dakplaten op schuren die gebruikt worden voor dieren/mestopslag, er is tevens sprake van enkele beschadigingen (gaten, afgebrokkelde randen, beginnende scheurvorming, bevestigingsbouten deels verdwenen of weggeroest), de conditie van het oppervlak is licht-matig aangetast (enkele vezelstructuren zijn zichtbaar) en er is mosgroei aanwezig. Een en ander is ook zichtbaar gemaakt op de overgelegde en overtuigende foto’s van de beide schuren (bewijsstuk 4 verweerschrift). Vast staat ook dat het dak van schuur/stal 2 (object 100) 41 jaren oud was en dat het dak van schuur/stal 3 (object 101) 33 jaren oud was toen de schade ontstond. De beoordeling van de levensduur van de asbesthoudende dakplaten van beide schuren/stallen is vervolgens door [B] in een matrix (tabel 2, Beoordeling restlevensduur op basis van leeftijd asbestdak en score verwering) geplaatst, waarvan de uitkomst is dat schuur/stal 2 voor 100% is afgeschreven en schuur/stal 3 voor 94%. Daaraan doet niet af dat [B] blijkens het proces-verbaal ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard dat sprake kan zijn van een kwaliteitsverschil in (asbesthoudende) platen en dat hij niet heeft kunnen achterhalen wat de kwaliteit van de asbestdaken van [geïntimeerde] is en wie de leverancier daarvan is (geweest). [B] heeft een en ander immers in tabel 2 verantwoord.

Vervolgens heeft Achmea in de interne richtlijn bepaald dat als de afschrijving meer dan 60% bedraagt, dan sprake is van aanmerkelijke slijtage (met een minimale vervangingswaarde die 15% bedraagt van de herbouwwaarde). Deze door [B] ingevulde tabellen en de interne richtlijn zijn aan [geïntimeerde] gestuurd per e-mail van 21 december 2016, toen de renovatie van de asbesthoudende dakplaten nog niet voltooid was (volgens zijn eigen e-mail van 3 december 2016, zie onder rov. 3.8). [geïntimeerde] heeft afgezien van een contra-expertise na het aanbod daartoe in de e-mail van 14 oktober 2016 en ook nadat hij kennis had genomen van de interne richtlijn en de door [B] ingevulde tabellen. Na voltooiing van de renovatie/sanering van de beide daken zijn de asbesthoudende dakplaten door [geïntimeerde] afgevoerd zonder nader overleg met of enige mededeling hierover aan Achmea.

3.14

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep (memorie van antwoord onder 78-79) nog aangevoerd dat in het TNO-rapport (steeds) gesproken wordt over het ‘verweren’ van asbestcementplaten hetgeen wat anders is dan aanmerkelijke slijtage, zo verstaat het hof dit betoog. Inderdaad spreekt het TNO-rapport niet over aanmerkelijke slijtage (in deze zaak een verzekeringsrechtelijk begrip in de polis), maar is het onderzoek van TNO gericht op het ‘verweren’ van de asbestcementplaten (waarbij de sterkte van de dakplaten afneemt, gevoeliger wordt voor beschadigingen door wind/hagel enz.). Hiervoor heeft TNO een systematiek ontwikkeld die als leidraad dient voor de schade-expert bij het bepalen van de fysieke (rest)levensduur van de dakplaten. Het TNO-rapport is, zoals eerder geoordeeld, een hulpmiddel voor het bepalen van de mate van slijtage van de asbesthoudende dakplaten en is door Achmea neergelegd in de vijf beschreven stappen in de interne richtlijn (zie onder rov. 3.4). Bij een afschrijving van 60% of meer is sprake van aanmerkelijke slijtage (stap 5). Bij [geïntimeerde] was sprake van 100% respectievelijk 94% afschrijving, zodat Achmea heeft geconcludeerd dat sprake was van aanmerkelijke slijtage. Dit is aan [geïntimeerde] met de onderbouwende stukken kenbaar gemaakt in de e-mail van 21 december 2016. Het ligt dan op de weg van [geïntimeerde] om hiertegen onderbouwde bezwaren in te dienen, bijvoorbeeld door het (laten) inschakelen van een contra-expert dan wel door het (zelf) inschakelen van een eigen expert. Dit heeft [geïntimeerde] niet gedaan. Daarmee heeft [geïntimeerde] het beroep van Achmea op vergoeding van de schade op basis van de vervangingswaarde van de beide asbesthoudende daken vanwege aanmerkelijke slijtage onvoldoende gemotiveerd bestreden. Achmea heeft aldus de door haar ingeroepen uitzondering dat sprake is (geweest) van aanmerkelijke slijtage van de beide asbesthoudende daken gemotiveerd onderbouwd. Het betoog van [geïntimeerde] ten slotte, dat geen sprake is van aanmerkelijke slijtage van de (verzekerde) gebouwen hetgeen wat anders is dan aanmerkelijke slijtage van de asbesthoudende daken gaat niet op. Herbouw betekent reconstructie of wederopbouw, wat dus ook kan gelden voor de afbouw van een beschadigd gedeelte van een gebouw. De asbesthoudende daken zijn onderdeel van de verzekerde gebouwen en gelden ook volgens Achmea als onderdeel van de verzekerde zaak. Het zijn ook de asbesthoudende daken waaraan de schade is opgetreden. Partijen hebben hun debat over de vervangings- respectievelijk herbouwwaarde dan ook, vanzelfsprekend, steeds betrokken op de asbesthoudende daken zelf en niet op de stallen in hun geheel. De grieven 3 en 4 slagen. Het aanbod van [geïntimeerde] om te bewijzen dat de asbesthoudende dakplaten niet aan slijtage onderhevig waren, passeert het hof nu hij zijn betwisting op dit punt onvoldoende concreet heeft onderbouwd (vgl. artikel 149 lid 1, 2e volzin Rv). Aan een deskundigenbericht hierover heeft het hof geen behoefte (nog daargelaten dat de asbesthoudende dakplaten er niet meer zijn).

De vorderingen van [geïntimeerde]

3.15

De primaire vordering van [geïntimeerde] om een schade-uitkering onder de polis op basis en ter grootte van herbouwwaarde strandt. De subsidiaire nakomingsvordering van [geïntimeerde] , waaraan de rechtbank niet is toegekomen, behelst een schade-uitkering door de rechter ‘in goede justitie te bepalen’. Deze subsidiaire vordering strandt ook. Hiervoor heeft het hof al geoordeeld dat Achmea op goede, onderbouwde gronden heeft aangetoond dat sprake is van aanzienlijke slijtage van de asbesthoudende daken op de twee schuren: de afschrijving van de oude daken lag boven de 90%. Achmea heeft de schade aan de beide daken vergoed door uit te gaan van een restlevensduur van 25% en heeft daarom 25% van de herbouwwaarde van de twee daken vergoed. Voor een hogere uitkering ziet het hof geen grond.

4 De slotsom

4.1

De grieven 3 en 4 slagen. De grieven 1 (passeren bewijsaanbod) en 2 (het expertiserapport van [B] ) behoeven geen bespreking meer, evenals grief 5 (veeggrief). Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en het door [geïntimeerde] gevorderde zal worden afgewezen. Omdat Achmea al heeft voldaan aan de veroordelingen in het bestreden vonnis, zal de vordering van Achmea tot terugbetaling hiervan worden toegewezen als hierna vermeld.

4.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure voor de rechtbank aan de zijde van Achmea zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.950,-

- salaris advocaat € 1.390,- (2 punten x tarief III).

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Achmea zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 81,-

- griffierecht € 2.020,-

totaal verschotten € 2.101,-

- salaris advocaat € 2.782,- (2 punten x appeltarief III).

4.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten met de wettelijke rente toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 15 oktober 2018 en doet opnieuw recht;

wijst af de vorderingen van [geïntimeerde] ;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Achmea wat betreft de rechtbank vastgesteld op € 1.950,- voor verschotten en op

€ 1.390,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 2.101,- voor verschotten en op € 2.782,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen Achmea heeft betaald als gevolg van de veroordelingen van de rechtbank in het vonnis van 15 oktober 2018, te weten een bedrag van € 20.840,35, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 oktober 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, R.A. Dozy en H. Wammes, is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020.