Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7021

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
200.249.757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Waiverprocedure. Verklaring voor recht door kantonrechter toegewezen. Vonnis bekrachtigd door hof.

Geen sprake van mogelijke vordering vanwege andere schadeverdeling wegens eigen schuld als gevolg van schending toezichtrecht en schending zorgplicht door Vero Telemarketing, misbruik van bevoegdheid, overtreding verbod op cold calling door Dexia of wegens eerdere opzegging van de leaseovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.249.757

(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Arnhem: 4124139)

arrest van 8 september 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: opposante,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: geopposeerde,

hierna: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1 De procedure bij de rechtbank

Voor de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de inhoud van het verstekvonnis van 8 april 2015, het tussenvonnis van 2 november 2016 en het eindvonnis van 7 december 2016, die de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft gewezen.

2 De procedure in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 27 februari 2017 gericht tegen het eindvonnis;

- het herstelexploot (vanwege het verzuim om de dagvaarding aan te brengen) van 17

november 2017,
- de memorie van grieven van 12 februari 2019, met producties,

- de memorie van antwoord, met producties,

- de akte van [appellant] , met producties,
- de antwoordakte van Dexia, met producties.

2.2.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Tussen Dexia (als rechtsopvolgster onder algemene titel van Dexia Bank Nederland N.V. die rechtsopvolgster was van Bank Labouchere N.V., die rechtsopvolgster was van Legio-Lease B.V.) en [appellant] is op 12 oktober 1999 een effectenleaseovereenkomst tot stand gekomen met de naam “KoersExtra” en met contractnummer [00000] (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 240 maanden (20 jaar). De totaal overeengekomen leasesom bedroeg NLG 60.000,00 (omgerekend € 27.226,80).

3.2.

Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld per 25 augustus 2008. Op grond daarvan had [appellant] nog recht op € 1.607,13 zijnde het verschil tussen de waarde van de certificaten bij beëindiging van het contract onder verrekening van het aan Dexia verschuldigde restant van de hoofdsom en achterstallige posten.

3.3.

In het door Dexia overgelegde financiële overzicht is vermeld dat [appellant] op grond van de overeenkomst in totaal € 8.962,55 aan maandtermijnen aan Dexia heeft betaald en geen dividend heeft ontvangen.

[appellant] is niet ingegaan op het zogeheten Dexia-Aanbod, dat Dexia aan de afnemers van haar effectenleaseovereenkomsten heeft gedaan. Op 25 januari 2007 heeft het Gerechtshof Amsterdam de zogeheten ’Duisenberg-regeling’ voor aandelenleaseproducten algemeen verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade.1 [appellant] heeft door middel van een opt-out verklaring in de zin van artikel 7:908 lid 2 BW aangegeven niet aan deze regeling gebonden te willen zijn.

3.5.

In zijn arresten van 28 maart 2008 en 5 juni 2009 heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de rechtsregels en de beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op vorderingen tot schadevergoeding in effectenleasezaken als de onderhavige.2 Op 1 december 2009 heeft het Gerechtshof Amsterdam in een viertal arresten de uitspraak van de Hoge Raad uitgewerkt in het zogeheten ‘hofmodel’.3 In zijn arrest van 29 april 2011 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven.4

3.6.

Per brief van 25 januari 2012 heeft [appellant] aan Dexia meegedeeld zich haar rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voor te behouden.

3.7.

Per brief van 14 augustus 2014 heeft Dexia aan [appellant] medegedeeld dat zij alleen in aanmerking kan komen voor schadevergoeding als zij kan aantonen dat de verplichtingen uit de overeenkomst voor haar een onaanvaardbaar zware financiële last vormden volgens het hofmodel.

3.8.

Nadat [appellant] in een telefoongesprek met de gemachtigde van Dexia heeft gezegd dat zij haar financiële gegevens niet wil verstrekken, heeft de gemachtigde van Dexia per brief van 27 november 2014 aan [appellant] gevraagd om indien zij zou menen geen recht meer te hebben op enige schadevergoeding, de bij de brief gevoegde ‘waiver’ binnen een maand te ondertekenen en retourneren. [appellant] heeft niet binnen de genoemde termijn gereageerd.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

Dexia heeft gevorderd een verklaring voor recht dat zij ten aanzien van de overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [appellant] verschuldigd is, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Omdat [appellant] niet is verschenen heeft de kantonrechter de vordering bij verstekvonnis van 8 april 2015 toegewezen.

4.2.

[appellant] heeft hiertegen verzet ingesteld en alsnog verweer gevoerd tegen de vordering van Dexia, waarna de kantonrechter in het bestreden vonnis van 7 december 2016 het verstekvonnis heeft bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

waiverprocedure
5.1. De onderhavige procedure betreft een zogenoemde waiverprocedure, dat wil zeggen een procedure waarin Dexia in rechte vastgesteld wil zien dat haar wederpartij – eventueel na betaling van een restantbedrag door Dexia – in rechte niets meer van haar te vorderen heeft uit hoofde van één of meerdere tussen partijen gesloten financiële effectenleaseovereenkomsten.

grieven

5.2.

[appellant] heeft tegen de beslissing van de kantonrechter een vijftal genummerde grieven aangevoerd. De grieven komen er in de kern op neer dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat Dexia uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst niets meer aan [appellant] verschuldigd is. [appellant] voert aan dat er, in afwijking van het hofmodel, bij de schadeverdeling geen deel wegens eigen schuld voor haar rekening moet blijven, omdat Dexia de overeenkomst met haar niet had mogen aangaan nu zij als klant werd aangebracht door Vero Telemarketing v.o.f. (hierna: Vero) zonder dat Vero over de vereiste vergunning of vrijstelling daarvoor beschikte (grief 1) en Vero haar bovendien heeft geadviseerd en [appellant] er daarom vanuit mocht gaan dat Vero jegens haar de zorgplicht naleefde (grief 2). Verder voert [appellant] aan dat zij de overeenkomst al eerder heeft opgezegd (grief 3), dat Dexia met deze procedure misbruik van haar bevoegdheid maakt (grief 4) en dat [appellant] ten onrechte in de proceskosten van de procedure bij de rechtbank is veroordeeld (grief 5). Als niet met een nummer aangeduide grief voert [appellant] ook nog aan dat Dexia het verbod op cold calling heeft overtreden, wat eveneens een reden zou moeten zijn om af te wijken van de schadeverdeling conform het hofmodel. Dexia heeft dit alles weersproken. Nu Dexia ook verweer heeft gevoerd tegen de stellingen omtrent cold calling, gaat het hof ervan uit dat Dexia deze ook als grief heeft begrepen, en het hof zal het gestelde omtrent cold calling dan ook als grief uitleggen.5

misbruik van bevoegdheid (grief 4)

5.3.

Volgens [appellant] heeft Dexia door het instellen van haar vordering misbruik van bevoegdheid gemaakt, omdat [appellant] toen Dexia deze procedure begon, belang had bij het afwachten van de ontwikkelingen in de jurisprudentie, en Dexia haar onevenredig in dit belang heeft geschaad. Volgens [appellant] was er bij aanvang van deze procedure nog onvoldoende duidelijkheid over de in rechte toe te passen beoordelingsmaatstaven, zoals blijkt uit de nadien gewezen arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 over de cliëntenremisier.6

5.4.

Dit hof heeft reeds in verschillende uitspraken uiteengezet dat Dexia belang heeft bij haar vordering tot verklaring voor recht, om een einde te maken aan de situatie waarin zij nog jarenlang genoodzaakt wordt rekening te houden met onduidelijke, mogelijk nog jegens haar in te stellen vorderingen. Hoewel [appellant] hierdoor wordt genoodzaakt om nu duidelijk te maken welke vordering(en) zij nog op Dexia meent te hebben, is er naar het oordeel van het hof géén sprake van een zodanige onevenredigheid tussen het belang van Dexia om een einde te maken aan de bestaande onzekerheid en het belang van [appellant] om toekomstige rechtsontwikkelingen af te wachten, dat Dexia niet in redelijkheid tot het instellen van haar vordering kon komen. Dit mede gezien het feit dat sinds het beëindigen van de overeenkomst al meer dan 12 jaren zijn verstreken. Dexia heeft dan ook geen misbruik van haar bevoegdheid gemaakt door het instellen van onderhavige vordering. Nu [appellant] verder geen specifieke op haar situatie toegesneden feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan in deze zaak anders geoordeeld moet worden over het gestelde misbruik van bevoegdheid, verwerpt het hof daarom de vierde grief, onder verwijzing naar zijn eerdere uitgesproken arresten.7

5.5.

Op grond van bovengenoemde belangenafweging gaat het hof ook voorbij aan het verzoek van [appellant] (in haar akte van 2 juli 2019) om de zaak aan te houden of door te halen, in verband met te verwachten jurisprudentie van de Hoge Raad.

advisering door Vero (grief 2)
5.6. De Hoge Raad heeft in de arresten van 2 september 2016 kort gezegd geoordeeld (en bevestigd in zijn uitspraak van 12 oktober 2018) dat als Dexia een overeenkomst heeft gesloten met een particuliere belegger waarbij een andere instelling als cliëntenremisier is opgetreden, die de particulier daarbij tevens heeft geadviseerd om bij Dexia een bepaald effectenleaseproduct te kopen, terwijl deze cliëntenremisier niet beschikte over de daarvoor benodigde vergunning, sprake is van een (extra) onrechtmatigheidsgrond.8 De Hoge Raad overwoog in het arrest B /Dexia:

“5.6.1. (…) Dexia moet als professionele effecteninstelling (geacht worden te) weten dat een cliëntenremisier die tevens adviseert, de grenzen van de vrijstelling van art. 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 overschrijdt (…). Daarom lag het ook op haar weg om, als zij wist of behoorde te weten dat SpaarSelect mede in de hoedanigheid van beleggingsadviseur was opgetreden, te onderzoeken of SpaarSelect over de daartoe benodigde vergunning beschikte.

5.6.2.

Deze (extra) onrechtmatigheidsgrond is des te ernstiger omdat uit het (…) arrest Van Uden c.s. /NBG Finance [toevoeging Hof: Hoge Raad 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1725] volgt dat op degene die – zoals SpaarSelect, naar in cassatie veronderstellenderwijs moet worden aangenomen – als beleggingsadviseur optreedt, een bijzondere zorgplicht rust tegenover de cliënt, zulks mede ter bescherming van deze tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van lichtvaardigheid. De cliënt mag in beginsel ervan uitgaan dat de dienstverlener (…) die zorgplicht jegens hem naleeft. Hieruit volgt dat de cliënt bij een door de dienstverlener geadviseerde constructie minder snel bedacht hoeft te zijn op (en zich minder snel eigener beweging hoeft te verdiepen in) niet genoemde risico’s dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct als bedoeld in het arrest De Treek/Dexia.

5.6.3 (…)

Deze laatste bijzonderheid, waardoor de onderhavige procedure wordt getypeerd, moet Dexia zwaar worden aangerekend. Het gaat hier immers om een geval waarin een professionele financiële instelling een complex financieel product aan het beleggend publiek aanbiedt zonder eigen specifieke voorlichting aan de potentiële particuliere belegger. Juist in een zodanige verhouding moet de particuliere belegger kunnen vertrouwen op de (deskundigheid en) onpartijdigheid van de door hem ingeschakelde beleggingsadviseur. Indien deze beleggingsadviseur een cliëntenremisier is die, ter bescherming van de positie van de beleggers op de effectenmarkten (…), niet zonder vergunning als beleggingsadviseur mag optreden, maar die niet over een zodanige vergunning beschikt, en de aanbieder van het financiële product dit weet of behoort te weten, dient deze laatste - zoals het hof terecht heeft overwogen - te weigeren met de particuliere belegger te contracteren. De omstandigheid dat Dexia het onderhavige product toch zonder meer aan [eiser] heeft verkocht, is dus van groot belang bij de verdeling van de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige op de voet van art. 6:101 BW.”

5.7.

In het genoemde geval heeft de Hoge Raad het billijk geacht dat bij de verdeling van de schade tussen Dexia en de afnemer de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, ook wanneer geen sprake is geweest van een onaanvaardbaar zware last voor de afnemer. Hiermee werd een afwijking aanvaard van de in het hofmodel gehanteerde schadeverdeling wegens eigen schuld van de afnemer.

5.8.

[appellant] stelt met een beroep op de voornoemde arresten dat er geen ruimte is om eigen schuld aan haar toe te rekenen en dat Dexia de volledige schade aan haar moet vergoeden.

5.9.

Het hof overweegt dat niet in geschil is dat [appellant] destijds telefonisch is benaderd door een persoon die zich presenteerde als een medewerker van Dexia (destijds Legio-Lease). Pas later is [appellant] gebleken dat een medewerker van het callcenter Vero haar had gebeld. Dexia schakelde Vero in teneinde haar effectenleaseproducten onder de aandacht van het publiek te brengen. Hieruit volgt dat Vero niet in eigen naam handelde, maar in naam van Dexia, met het doel om tussen Dexia als aanbieder en de potentiële afnemer een financiële effectenlease-overeenkomst te sluiten. Vero is derhalve opgetreden als vertegenwoordiger van Dexia.

5.10.

Uit de hiervoor genoemde arresten van 2 september 2016 (zoals geciteerd onder 5.7 hiervoor) volgt dat er reden is om af te wijken van het hofmodel indien sprake is van een (op de specifieke situatie van de particuliere belegger toegesneden) advies van een onafhankelijke beleggingsadviseur (en de overige in dat arrest bedoelde omstandigheden zich voordoen). De onderhavige situatie verschilt hiervan wezenlijk, reeds omdat [appellant] er in de totstandkomingsfase van de overeenkomst telkens van uit moet zijn gegaan contact te hebben gehad met Dexia, de aanbieder van de effectenleaseovereenkomst zelf. De overweging dat minder oplettendheid mag worden verwacht van een afnemer die is geadviseerd om effectenleaseproducten van Dexia af te nemen, geldt niet wanneer een advies afkomstig is van een adviseur van Dexia zelf. Voor de toepassing van de uitzondering op de schadeverdelingsregels van het hofmodel gaat het er immers om of de particuliere belegger meende van doen te hebben met Dexia zelf dan wel met een onafhankelijke beleggingsadviseur die hem advies zou geven. Hieruit volgt dat onderhavig geval geen afwijking van het hofmodel op de voet van HR 2 september 2016 (B /Dexia) rechtvaardigt.

5.11.

Voor zover [appellant] (in haar akte uitlating jurisprudentie) met haar betoog dat Vero (Legio-Lease) haar heeft geadviseerd (ook) heeft aangevoerd dat haar, niet alleen naar analogie met de 2 september 2016-arresten, maar ook rechtstreeks een beroep op de billijkheidscorrectie toekomt als bedoeld in artikel 6:101, lid 1, slot, BW stuit dit beroep af op het volgende. Vast staat dat [appellant] in de totstandkomingsfase van de overeenkomst er blijkens de hierboven weergegeven stellingen telkens van uit moet zijn gegaan contact te hebben gehad met Dexia (destijds Legio-Lease). Nu deze situatie niet verschilt van die waarin medewerkers van Dexia betrokken zijn bij de telefonische verkoop van de eigen producten, heeft [appellant] moeten begrijpen dat het aanprijzen van een product, door of namens een commercieel bedrijf als dat van Dexia, iets anders is dan het verkrijgen van een onafhankelijk en deskundig advies over de vraag of de aanschaf daarvan rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden en behoeften van haar als (potentiële) klant voor haar geschikt is. [appellant] heeft Vero aangezien voor Dexia, en mocht daarom van Vero geen onafhankelijk advies verwachten (Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590m en in gelijke zin Conclusie A-G Wissink 8 mei 2020 onderdeel 3, ECLI:NL:PHR:2020:464).

aanbrengen door Vero (grief 1)

5.12.

[appellant] meent ook dat het volgende aanleiding is voor het toerekenen van de gehele schade aan Dexia, in afwijking van de verdeling conform het hofmodel: Dexia heeft Vero ingeschakeld om cliënten aan te brengen terwijl zij wist of behoorde te weten dat Vero daarmee handelde als cliëntenremisier (degene die cliënten aanbrengt bij een andere onderneming), hetgeen viel onder de vergunningplicht van artikel 7 lid 1 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Nu Dexia ook wist of behoorde te weten dat Vero niet de vrijstelling voor de vergunningsplicht had aangevraagd die zij als cliëntenremisier op grond van de Vrijstellingsregeling Wte had kunnen verkrijgen, had Dexia zich op grond van artikel 41 Nadere regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999) van het doen van zaken met Vero dienen te onthouden.

5.13.

Het hof verwijst naar haar overweging onder 5.9 hiervoor, dat Vero slechts optrad als vertegenwoordiger van Dexia, en overweegt verder als volgt. Zelfs wanneer daarmee een bepaalde regel van het toezichtrecht zou zijn geschonden, dan betekent dat op zichzelf nog niet dat de schadeverdeling dient af te wijken van het hofmodel (Conclusie A-G Wissink 8 mei 2020 onderdeel 3, ECLI:NL:PHR:2020:464). In HR 2 september 2016 (B./Dexia) is de schending door Dexia van een toezichtrechtelijk contracteerverbod relevant, omdat dit verbod ertoe strekt om de afnemer te beschermen tegen het aangaan van een beleggingsovereenkomst na advies door een adviseur zonder de benodigde vergunning. Het ging daar om een regel van toezichtrecht die verband hield met de voor de schadeverdeling in effectenleasezaken relevante vraag of de afnemer bedacht diende te zijn op, en zich eigener beweging diende te verdiepen in, niet door zijn adviseur vermelde risico’s. Die risico’s waren dat werd belegd met geleend geld, dat de leaseovereenkomst voorzag in een geldlening, dat over die lening rente moest worden betaald en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald. In het geval door Dexia en haar vertegenwoordiger de regels voor het aanbrengen van cliënten zijn geschonden, heeft dat geen directe weerslag op de in aanmerking te nemen mate van eigen schuld van de afnemer voor het aangaan van een overeenkomst met de hiervoor vermelde risico’s. Nu [appellant] wist dat zij benaderd werd door Dexia zelf en niet te maken had met een onafhankelijke financieel adviseur, had zij zich uit eigener beweging in genoemde risico’s moeten verdiepen. Daarom strandt het beroep van [appellant] om op deze grond af te wijken van de schadeverdeling conform het hofmodel.

5.14.

Het betoog van [appellant] dat Vero effectenorders doorgaf en dat Dexia zich van het aannemen daarvan had moeten onthouden, faalt om dezelfde reden.

5.15.

[appellant] stelt ook nog dat Dexia aansprakelijk is voor het handelen van Vero op grond van artikel 6:171 BW. Dexia is evenwel reeds op grond van artikel 3:66 BW verantwoordelijk voor het handelen van haar vertegenwoordiger Vero en zij bestrijdt dat ook niet. Nu hiervoor is overwogen dat Dexia (Vero) geen (extra) verwijt treft, gaat het beroep op deze grondslag niet op. Uit het voorgaande volgt dat grieven 1 en 2 niet slagen.

het overtreden van het verbod op cold calling
5.16. [appellant] stelt dat zou moeten worden afgeweken van de eigen schuldverdeling conform het hofmodel omdat Dexia het verbod op cold calling heeft overtreden. Dit verbod stond ten tijde van het aangaan van de overeenkomst in artikel 26 NR 1999 en luidde als volgt:

Een effecteninstelling mag een derde met wie de effecteninstelling nog geen effectentransactie heeft gesloten of die uit andere hoofde nog geen cliënt is van de effecteninstelling, telefonisch of in persoon alleen (doen) benaderen, indien deze daar vooraf uitdrukkelijk schriftelijk mee heeft ingestemd, tenzij sindsdien deze instemming schriftelijk is herroepen dan wel zes maanden zijn verstreken en er gedurende die periode door de effecteninstelling geen overeenkomst als bedoeld in artikel 25 dan wel 36 van het besluit met de cliënt is gesloten.

5.17.

Zoals het hof in eerdere arresten heeft overwogen, volgt het hof Dexia in haar betoog dat zij [appellant] als potentiële afnemer mocht (laten) benaderen om te peilen of zij interesse had in aanvullende informatie over een product van Dexia en dat dit geen strijd oplevert met het verbod op cold calling.9 Dexia heeft hiertoe verwezen naar een brief van 1 juli 1999 van de Stichting Toezicht Effectenverkeer (hierna: STE) aan de Nederlandse Vereniging van Banken, waarin voor zover van belang, staat:

De STE acht het niet in strijd met artikel 26 NR '99 of enig andere bij of krachtens het Besluit toezicht effectenverkeer 1995 geldende regel, als een effecteninstelling een (potentiële) cliënt benadert met uitsluitend het doel vast te stellen of betrokkene interesse heeft in aanvullende informatie, bijvoorbeeld in de vorm van reclamemateriaal, informatiebijeenkomsten of anderszins, mits de gekozen benadering niet als agressief valt aan te merken en niet bedoeld is om op basis van de in dat kader verstrekte informatie effectendiensten voor die cliënt te verrichten.

5.18.

Het hof volgt deze uitleg over de reikwijdte van het verbod op cold calling en overweegt dat uit de stellingen van partijen niet blijkt dat Dexia (Vero) zich in het eerste telefoongesprek niet heeft beperkt tot het peilen van belangstelling voor een bepaald product en het aanbieden van toe te sturen nadere informatie daarover. Dat het peilen van belangstelling voor een product met enige aanprijzing van het product gepaard gaat, maakt het volgens het hof niet anders, zo lang er geen sprake is van de door de STE genoemde agressieve benadering of direct aanbieden (telefonische verkoop) van effecten. Hetgeen [appellant] verder stelt over het telefonisch contact met Vero betreft slechts algemeenheden, waaronder de instructie voor medewerkers van Vero. Ook hieruit blijkt niet dat de medewerkers van Vero zich in het eerste telefoongesprek met [appellant] niet beperkten tot het peilen van haar belangstelling, al dan niet onder aanprijzing van het product en het verkrijgen van toestemming om informatiemateriaal toe te sturen. Nu uit de stellingen van [appellant] verder niets concreets blijkt over de inhoud van haar telefonisch contact met de medewerker van Vero, de informatievoorziening van Vero aan haar en de totstandkoming van de overeenkomst, is de stelling dat sprake is geweest van schending van het verbod op cold calling naar het oordeel van het hof niet (voldoende) onderbouwd. Het vorenstaande brengt dan ook mee dat deze grief eveneens faalt en dat [appellant] ook op dit punt geen vordering op Dexia heeft.

eerdere beëindiging overeenkomst (grief 3)

5.19.

Met haar derde grief komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat Dexia op basis van de door Leaseproces namens [appellant] op 21 april 2006 aan Dexia verzonden brief niet hoefde te begrijpen dat [appellant] met die brief overging tot tussentijdse beëindiging van de overeenkomst. Aan deze stelling had [appellant] in eerste aanleg het rechtsgevolg verbonden dat Dexia de eindafrekening diende te corrigeren, nu deze niet 25 augustus 2006 als datum diende te hebben, met aftrek van een bedrag aan achterstallige maandtermijnen, maar 21 april 2006 en zonder aftrek van achterstallige maandtermijnen.

5.20.

De overeenkomst is uiteindelijk door Dexia beëindigd per 25 augustus 2006 op grond van de voorwaarden van de overeenkomst, naar het hof begrijpt omdat [appellant] na intrekking van haar incasso-machtiging in verzuim raakte met het betalen van meerdere maandtermijnen. Het hof overweegt allereerst dat de in het geding zijnde brief van 21 april 2006 primair een sommatiebrief is, waarin Leaseproces Dexia met een beroep op nietigheid althans vernietigbaarheid althans ontbinding, sommeert om alle uit hoofde van de overeenkomst betaalde bedragen binnen twee weken terug te betalen. Aan de zin “Voor zover nodig wordt het contract hierbij tevens opgezegd en zullen door cliënte geen verdere betalingen meer gedaan worden” ontleent [appellant] thans een beroep op een voortijdige beëindiging van de overeenkomst zoals dat volgens de voorwaarden mogelijk was. [appellant] heeft niet betwist dat Dexia hierop aan Leaseproces heeft geantwoord dat deze (standaard) brief door haar niet als een beëindiging werd beschouwd, maar dat opzegging wel mogelijk was, door middel van een formulier, al dan niet na het opvragen van een berekening van de financiële gevolgen van tussentijdse beëindiging op dat moment. Niet gesteld of gebleken is dat [appellant] hierop toen heeft gereageerd, al dan niet met de stelling dat zij het formulier onredelijk bezwarend achtte en de overeenkomst zonder gebruikmaking van dat formulier wenste te beëindigen. Verder is niet gebleken dat [appellant] na ontvangst van de eindafrekening van 25 augustus 2006 heeft geprotesteerd over het feit dat zij geen afrekening per eind april 2006 had gekregen. Op grond hiervan deelt het hof de conclusie van de kantonrechter dat Dexia de brief van 21 april 2006 niet als een tussentijdse opzegging had behoeven aan te merken.

5.21.

Daarbij komt nog dat [appellant] niet concreet aangeeft welk nadeel voor haar uit de beëindiging enige maanden later is voortgevloeid. De post achterstallige contractsverplichtingen van € 408,42 zou dan niet op de opbrengst in mindering zijn gebracht, maar daar staat tegenover dat de opbrengst mogelijk lager was uitgevallen gelet op het koersverloop op de beurs. Grief 3 slaagt dan ook niet.

bewijsaanbieding

5.22.

Uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel is dat [appellant] (i) de door haar gestelde vorderingen onvoldoende heeft geconcretiseerd en daardoor de stellingen van Dexia niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat daaruit niet de onjuistheid van de stellingen van Dexia afgeleid kan worden, dan wel (ii) stellingen heeft ingenomen die op inhoudelijke gronden worden verworpen en daarom niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Aan de in de memorie van grieven opgenomen bewijsaanbiedingen gaat het hof daarom voorbij.

proceskosten (grief 5)
5.23. Aangezien uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis in stand blijft, faalt ook de laatste grief, waarmee [appellant] betoogt dat de kantonrechter haar ten onrechte in de proceskosten heeft veroordeeld.

6 De slotsom

6.1.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grieven falen en het vonnis van de kantonrechter te Arnhem van 7 december 2016 moet worden bekrachtigd.

6.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Dexia zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 726,-

- salaris advocaat € 1.611,- (1,5 punten x tarief II ad € 1.074,-)

6.3.

Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 7 december 2016;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Dexia vastgesteld op € 726,- voor griffierecht en op € 1.611,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, J.H. Kuiper en S.E. Vlaanderen-Schüttenhelm, is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020.

1 Gerechtshof Amsterdam 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033.

2 Hoge Raad 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837 en Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815.

3 Gerechtshof Amsterdam 1 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK:4978, BK4981, BK4982 en BK4983.

4 Hoge Raad 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4003.

5 Conform Hoge Raad 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959 en Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:2019:505.

6 Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 en ECLI:NL:HR:2016:2015.

7 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 mei 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4120 r.o. 5.5 en 17 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6551 r.o. 5.4.

8 Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 (B /Dexia) en ECLI:NL:HR:2016:2015 (Dexia /O) en 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.

9 Zie o.m. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3369 en 25 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5241.