Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7006

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
200.266.666
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek; beëindiging gezamenlijk gezag. Onvoldoende basis om samen gezag te blijven uitoefenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.266.666

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 456466)

beschikking van 8 september 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. P. van der Geest te Utrecht,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. W. Vahl te Barneveld.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 16 juni 2020 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

In voormelde tussenbeschikking heeft het hof bepaald dat een datum voor een mondelinge behandeling zal worden vastgesteld.

1.3

Het verdere verloop blijkt uit:

- een e-mailbericht van mr. Vahl van 13 augustus 2020 met productie.

1.4

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2020.

Aanwezig waren:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- [C] namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

2 De motivering van de beslissing

2.1

Ingevolge artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van een van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

2.2

Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat aannemelijk is geworden dat

wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Het hof heeft daarvoor de volgende redenen.

2.3

Tijdens het huwelijk van partijen was er sprake van verslavingsproblematiek bij de vader en van huiselijk geweld. De moeder heeft hierdoor weinig vertrouwen in de vader. De vader heeft de kinderen voor het laatst gezien op 16 maart 2020, tijdens de crematie van zijn vader. Omdat het contact tussen de vader en de kinderen via [D] liep, heeft de vader de kinderen als gevolg van het beleid ten aanzien van het coronavirus sindsdien niet meer gezien.

2.4

[de minderjarige1] heeft in juli 2020 laten weten dat er op dit moment geen ouderschapsbemiddeling kan plaatsvinden. Er is volgens [de minderjarige1] geen enkele communicatie tussen de ouders onderling. De communicatie loopt uitsluitend via de advocaten. In januari 2020 is [de minderjarige2] met een hechtingsstoornis, contactstoornis en ADHD gediagnosticeerd. [de minderjarige2] zal worden behandeld door de [E] . [de minderjarige1] vindt dat er eerst duidelijkheid moet zijn over de behandeling en ontwikkeling van [de minderjarige2] voordat ouderschapsbemiddeling gestart kan worden.

2.5

De raad heeft op de mondelinge behandeling geadviseerd tot beëindiging van het gezamenlijk gezag. Nu er geen communicatie is tussen de ouders, [de minderjarige1] onvoldoende basis ziet voor ouderschapsbemiddeling en de vader weinig tot geen zicht heeft op de kinderen, is gezamenlijk gezag volgens de raad niet goed mogelijk.

2.6

Het hof vindt dat het gelet op de hiervoor weergegeven belaste voorgeschiedenis van partijen aan de vader is om het vertrouwen van de moeder terug te winnen als hij samen met haar invulling aan het gezag over de kinderen wil geven. Een eerste stap daartoe is dat de vader openheid van zaken geeft over hoe zijn leven er nu uitziet. De vader zegt dat hij niet meer verslaafd is, dat hij van nature geen agressief persoon is en dat het nu goed met hem gaat. Bewijsstukken die dit onderbouwen ontbreken. Gebleken is dat de vader zich niet aan alle voorgeschreven urinecontroles onderworpen.

Verder is geen verslaglegging van de hulpverleners van de vader overgelegd. Dit gebrek aan openheid van de vader en zijn aanhoudende verwijten aan het adres van de moeder zorgen voor spanningen bij de moeder en belemmeren een normale vorm van communicatie tussen de ouders over de kinderen. Onder deze omstandigheden ziet het hof net als de rechtbank en de raad onvoldoende basis voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag.

2.7

De grieven falen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

3 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 2 juli 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, A. Smeeïng-van Hees en R.A. Eskes, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 8 september 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.