Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6999

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
200.280.396
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 350 lid 3, aanhef en onder c en e, Fw. Bekrachtiging tussentijdse beëindiging WSNP. Schending informatieplicht en verplichting tot boedelafdracht. Ontbreken concreet aflossingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.280.396

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/18/11 R)

arrest van 7 september 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant, hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. L.M. van Rooij.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), van 8 januari 2018 is, op verzoek van [appellant] , de toepassing van de wettelijke schuldsane-ringsregeling uitgesproken. Hierbij is [B] tot bewindvoerder benoemd.

1.2

Bij vonnis van de rechtbank van 30 juni 2020 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellant] tussentijds beëindigd. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 7 juli 2020 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 30 juni 2020. [appellant] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en te bepalen dat de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing blijft.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, de brief met bijlage(n) van 15 juli 2020 en 12 augustus 2020 van mr. De Rooij, de brief van 17 augustus 2020 van de bewindvoerder en de brief met bijlagen van 26 augustus 2020 van mr. De Rooij.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2020. [appellant] is verschenen, bijgestaan door mr. Van Rooij, die het woord heeft gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. Voorts is de bewindvoerder verschenen.

3
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellant] was tot medio december 2018 fulltime werkzaam in loondienst. Omstreeks april 2019 heeft hij zich bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als zelfstandige onder de naam [C] en is hij (daarnaast) als freelance kok gaan werken. Naar [appellant] ter zitting in hoger beroep heeft gesteld, werkt hij momenteel via een uitzendbureau op proef bij Het Schielandshuis in Rotterdam en voert hij gesprekken met Holland Casino over een deeltijdbaan en met Reade te Amsterdam over een fulltime baan.
Op 24 augustus 2020 heeft een GZ-psycholoog van Lievegoed een tot de gedingstukken in hoger beroep behorend verslag opgesteld van het door hem bij [appellant] via beeldbellen verrichte psychologisch onderzoek.

3.2

Op 23 maart 2017 is de zus van [appellant] overleden. [appellant] en zijn broer hebben ieder voor 1/3 deel in de erfenis gedeeld. De zus van [appellant] en zijn broer waren eigenaar van een winkelpand. Het winkelpand is verkocht en het deel van de nalatenschap dat [appellant] toekwam is door de notaris op de boedelrekening gestort. Verder moest de depotrekening waarop de huurinkomsten van het winkelpand waren gestort verdeeld worden tussen [appellant] en zijn broer. Hierbij had [appellant] recht op een bedrag van € 19.381.
3.3 De rechtbank heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellant] tussentijds beëindigd op grond van artikel 350 lid 3, aanhef en onder c en e van de Faillissementswet.
Aan deze beslissing heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat [appellant] :
- onvoldoende informatie heeft verstrekt aan de bewindvoerder;
- niet expliciet heeft gemeld dat hij als zelfstandige zaken is gaan doen en dat hij zich heeft
laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel;
- niet heeft aangetoond dat hij fulltime heeft gewerkt, noch sollicitatiebewijzen heeft
overgelegd;
- sinds juni 2019 geen inkomensgegevens meer aan de bewindvoerder heeft verstrekt,
waardoor de bewindvoerder sinds juni 2019 niet in staat gebleken de reguliere afdracht aan
de boedel te berekenen (tot juni 2019 is de achterstand berekend op € 3.089,56);
- het hem toekomende bedrag van de depotrekening niet aan de boedel heeft afgedragen,
terwijl hij wist dat hij dat had moeten doen.
De rechtbank rekent [appellant] het niet nakomen van de verplichtingen toe, omdat deze bij verschillende gelegenheden met hem zijn besproken, namelijk in een gesprek met een juridisch medewerker van de rechtbank op 20 september 2018, bij een verhoor bij de rechter-commissaris op 17 april 2019 en tijdens de behandeling van zijn toelatingsverzoek.

3.4

Het hof is van oordeel dat [appellant] vanaf het moment waarop hij tot de schuldsanerings-regeling is toegelaten in gebreke is gebleven in de nakoming van zijn informatieplicht jegens de bewindvoerder. Zo heeft [appellant] nog steeds geen duidelijkheid verschaft over de stand van zaken met betrekking tot de depotgelden. Ter zitting bij het hof heeft hij hierover verklaard dat hij en zijn broer nog steeds tegenover elkaar staan en dat hij overweegt zijn broer in rechte te betrekken (een brief om hem te sommeren tot betaling van het bedrag waarop hij recht meent te hebben ligt in concept bij zijn advocaat). Anderzijds is in hoger beroep een email van 27 februari 2020 van de broer van [appellant] aan de bewindvoerder overgelegd waarin deze verklaart dat [appellant] het geld wel degelijk heeft gehad, maar dat [appellant] dit op zijn verzoek op een andere manier heeft gekregen. Hoe dit ook zij, het hof is van oordeel dat [appellant] in deze langlopende kwestie ondanks vele verzoeken van de bewindvoerder onvoldoende heeft verklaard waarom het hem toekomende bedrag dat op een depotrekening stond, niet naar de boedelrekening is overgemaakt. Ter zitting in hoger beroep heeft hij niets concreets heeft aangevoerd waardoor dat anders zou zijn.
Daar komt bij dat [appellant] de bewindvoerder niet heeft geïnformeerd over zijn activiteiten om inkomsten uit arbeid te genereren. Dit geldt zowel voor de inschrijvingen bij uitzendbureaus als voor de bij verschillende bedrijven verrichte opdrachten. Dit verzuim ziet ook op het niet melden van inkomsten die [appellant] van bedrijven en - naar ter zitting is gebleken - ook van zijn broer voor aan hem bewezen diensten ontvangt. [appellant] heeft daarnaast zonder voorafgaand overleg met de bewindvoerder en zonder de toestemming van de rechter-commissaris, een onderneming gestart en vervolgens de bewindvoerder tot op heden geen klip en klaar inzicht gegeven in de wisselende inkomsten die hij deels op zijn privérekening en deels op zijn zakelijke rekening ( [C] ) ontvangt. Mede met op het oog op het door de bewindvoerder te berekenen vrij te laten bedrag, was [appellant] hiertoe wel gehouden.
Ter zitting is bovendien nog gebleken dat [appellant] niet tot nauwelijks administratie bijhoudt van zijn eigen bedrijf en de bewindvoerder in elk geval niet van stukken voorziet. Hierdoor is onder andere onduidelijk of [appellant] heeft voldaan aan zijn verplichting om btw af te dragen. [appellant] heeft ter zitting weliswaar gesteld dat de belastingdienst de btw heeft ingehouden op een belastingteruggave, maar daarvoor ontbreekt elk bewijs. Dat [appellant] door deze gang van zaken één of meer nieuwe schulden tijdens de regeling heeft laten ontstaan, kan dan ook niet worden uitgesloten.
Het in structurele zin verzaken van de informatieplicht, één van de kernverplichtingen in het wettelijk schuldsaneringstraject, is al voldoende reden om de schuldsaneringsregeling van [appellant] tussentijds te beëindigen.

3.5

Verder is het hof van oordeel dat [appellant] de uit zijn regeling voortvloeiende verplichting tot boedelafdracht niet naar behoren is nagekomen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, ontbreekt het de bewindvoerder aan tal van gegevens om de juiste door [appellant] aan de boedel af te dragen bedragen te berekenen. Voor het inlopen van de door de bewindvoerder berekende - niet door [appellant] weersproken - boedelachterstand tot juni 2019 van € 3.089,56, nog los van de depotgelden, heeft [appellant] in hoger beroep geen concreet aflossingsplan gepresenteerd.
Ook op grond hiervan kan zijn regeling niet voortduren.

3.6

Dat [appellant] , onder verwijzing naar het verslag van een GZ-psycholoog (rov. 3.1), heeft gesteld dat hij niet met opzet of door onwil zijn verplichtingen in de schuldsaneringsregeling heeft verzaakt, maar dat dit moet worden gezien in het licht van de bij hem vastgestelde depressies en dat hij nu zijn hoop heeft gevestigd op nog door hem in te roepen hulp en begeleiding van iemand uit een sociaal team, leidt het hof niet tot een ander oordeel.
Hierbij neemt het hof, naast dat voormeld verslag onvoldoende onderbouwing geeft van de (ernst van de) door [appellant] ervaren klachten in relatie tot de nakoming van zijn verplichtingen in het kader van de schuldsaneringsregeling, in aanmerking dat het op de weg van [appellant] lag om zich gezien de wijze waarop zijn regeling verliep al in een veel eerder stadium te voorzien van adequate begeleiding bij de nakoming van zijn verplichtingen in de regeling. Dat hij in dit stadium van zijn regeling de noodzaak hiervan wel inziet, komt voor hem te laat.

3.7

Gelet op de wijze waarop [appellant] gedurende zijn schuldsaneringsregeling met zijn verplichtingen is omgegaan en de door hem niet benutte kansen die hem zijn geboden om zich te voegen naar de voor hem geldende regels, kan deze regeling niet voortduren en evenmin worden verlengd. Voor een verlenging (waar [appellant] overigens niet om heeft verzocht) zou er ten minste enig vertrouwen moeten zijn dat hij de boedelachterstand dan kan en zal inlopen en dat hij zijn verplichtingen dan wel naar behoren zal nakomen.
Dat vertrouwen is er niet.

3.8

Het hoger beroep faalt. Het vonnis van 30 juni 2020 zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 juni 2020.

Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, H.C. Frankena en A.E. de Vos, en is op
7 september 2020 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.