Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6987

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
Wahv 200.264.829/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 12 Wahv. Hoor en wederhoor. De betrokkene was meegedeeld dat zijn beroep te laat was ingesteld en dat op de zitting geen inhoudelijke behandeling zou plaatsvinden. De kantonrechter heeft vervolgens geconstateerd dat het beroep wél op tijd is ingesteld en de zaak buiten aanwezigheid van de betrokkene behandeld. Daarmee is het recht van de betrokkene om zijn zaak mondeling toe te lichten, geschonden. Onnodig claxonneren. Het is niet toegestaan om signalen te geven om het inhalen te vergemakkelijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.264.829/01

CJIB-nummer

: 218779991

Uitspraak d.d.

: 7 september 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 mei 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. In hoger beroep wijst de betrokkene er - kort gezegd - op dat de inhoud van de brief van de rechtbank van 19 april 2019 voor hem aanleiding is geweest om zijn beroep niet mondeling ter zitting toe te lichten. Hij ervaart dit als een beperking in zijn rechtsgang.

2. Het hof stelt vast dat in voornoemd schrijven de betrokkene is uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter van 21 mei 2019. In deze brief is - voor zover hier relevant - het volgende opgenomen:

“Namens de kantonrechter deel ik u op voorhand mede dat u uw beroep bij de kantonrechter niet binnen de wettelijke beroepstermijn van zes weken heeft ingediend. De kantonrechter komt wegens deze termijnoverschrijding niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van uw zaak, tenzij u op de zitting omstandigheden aanvoert en aannemelijk maakt die deze termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Alleen in dat geval zal de kantonrechter uw zaak wél inhoudelijk kunnen behandelen. U kunt op de zitting verschijnen voor het geven van een nadere toelichting. U bent niet verplicht om te verschijnen. Verschijnen op de zitting heeft dan ook alleen zin in het geval u gegronde redenen heeft waarom u niet binnen de termijn van zes weken beroep heeft ingesteld.”

3. De betrokkene is niet ter zitting verschenen. Op de zitting heeft de kantonrechter geconcludeerd dat op grond van de stukken in het dossier niet kan worden vastgesteld dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te laat is ingesteld. Vervolgens heeft de kantonrechter de inhoudelijke bezwaren van de betrokkene beoordeeld en het beroep ongegrond verklaard.

4. Artikel 12, eerste lid, van de Wahv schrijft voor dat de kantonrechter, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid stelt om op een openbare zitting hun zienswijze toe te lichten. De partijen worden daartoe door de griffier opgeroepen.

5. De betrokkene heeft kennelijk besloten om niet op de zitting te verschijnen omdat door de rechtbank was aangekondigd dat op die zitting geen inhoudelijke behandeling van het beroep zou plaatsvinden, tenzij hij op de zitting omstandigheden zou aanvoeren die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Nu de kantonrechter echter, in tegenspraak met de in de oproepingsbrief gewekte verwachtingen, het beroep inhoudelijk heeft behandeld en afgedaan, is de betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om bij de kantonrechter zijn bezwaren tegen de beslissing van de officier van justitie toe te lichten. Aan de strekking van het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van de Wahv is naar het oordeel van het hof dan ook niet voldaan.

6. Het voorgaande leidt ertoe dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Nu de betrokkene heeft aangegeven geen gebruik te zullen maken van de gelegenheid gehoord te worden op een nader te bepalen zitting van het hof en heeft verzocht het hoger beroep af te doen op basis van de op de zaak betrekking hebbende stukken, zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

7. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd voor: “signalen geven in andere gevallen of op andere wijze dan is toegestaan”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 juli 2018 om 13:44 uur op de Boulevard Bankert te Vlissingen met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

8. De betrokkene voert aan dat op de Boulevard Banckert een fietser met zijn fiets haaks op de rijbaan stond en vanaf die plaats een gesprek voerde met een voetganger op het trottoir. Hierdoor werd de rijbaan deels geblokkeerd. Vanuit tegenovergestelde richting naderde een groep fietsers. Ter afwending van een gevaarlijke situatie die dreigde te ontstaan heeft de betrokkene één keer op de claxon gedrukt om de aandacht van zowel de stilstaande fietser op de rijbaan als de naderende fietsers te trekken. De betrokkene geeft aan dat de ambtenaar rugwaarts naar de situatie gekeerd stond. Hij draaide zich naar aanleiding van het geluidsignaal pas om en heeft de situatie op het moment van claxonneren niet waargenomen. Verder voert de betrokkene aan dat de ambtenaar zich minimaal had moeten vergewissen van de reden van claxonneren. De betrokkene is van mening dat als het niet mogelijk was hem staande te houden de ambtenaar hem alsnog in persoon, schriftelijk of telefonisch had kunnen horen over zijn gevaar perceptie. De ambtenaar was immers in staat om het kenteken te noteren en de tenaamstellinggegevens op te vragen.

9. Artikel 31 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

''Signalen mogen niet worden gegeven (…) in andere gevallen of op andere wijze dan bij of krachtens de artikelen in deze paragraaf is bepaald.''

10. Artikel 28 van het RVV 1990, opgenomen in de in artikel 31 van het RVV 1990 bedoelde paragraaf, luidt:

''Bestuurders mogen slechts geluidssignalen en knippersignalen geven ter afwending van dreigend gevaar.''

11. De Nota van toelichting bij deze bepaling houdt onder meer in:

''Hiervoor werd reeds aangegeven dat de formulering het gebruik van signalen in andere gevallen dan ter afwending van dreigend gevaar, uitsluit. Daaruit volgt impliciet dat het geven van signalen niet langer mag geschieden dan voor dat doel noodzakelijk is.''

12. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens.

13. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“De betrokkene reed op een fietsstraat waar auto’s te gast zijn. Ik zag dat de betrokkene stevig door reed. Ik hoor de betrokkene op zijn claxon drukken zodat hij er vlug langs kon. De betrokkene reed door.”

14. Het dossier bevat, naast voornoemd zaakoverzicht, een aanvullend proces-verbaal van

7 november 2018. In dit proces-verbaal verklaart de ambtenaar, voor zover relevant, het volgende:

“Op zaterdag 21 juli 2018, omstreeks 13:44 uur bevond ik mij in uniform gekleed en als zodanig herkenbaar, met toezicht en controle belast op de openbare weg de Boulevard Bankert binnen de bebouwde kom van gemeente Vlissingen. Ik was te voet en had geen fiets bij mij. Ik zag dat er op de Boulevard Bankert een vierwielig motorvoertuig (personenauto) reed, van het merk Suzuki met kenteken [00-YYY-0] . Ik zag de betrokkene met stevige snelheid ons naderen. De Boulevard Bankert is een fietsstraat waar een auto te gast is. Ik zag dat er uit tegenovergestelde richting een fietser reed. Ik heb geen fietser gezien die op de rijbaan stil stond of deze gedeeltelijk blokkeerde. Ik lette op een rijdende fietser aangezien de betrokkene met stevige snelheid aan kwam rijden. Ik hoorde de claxon van de betrokkene om de fietser te passeren. Ik zag dat de fietser schrok. De betrokkene reed met stevige snelheid door waardoor er geen staande houding plaats kon vinden.”

15. Uit het dossier komt naar voren dat de betrokkene niet ontkent dat hij geclaxonneerd heeft. Het hof ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of de betrokkene heeft geclaxonneerd ter afwending van dreigend gevaar. Uit voornoemde verklaringen van de ambtenaar volgt dat de betrokkene niet ter afwending van dreigend gevaar claxonneerde. Als reden voor de gedraging voert de betrokkene aan dat een fietser deels de rijbaan blokkeerde en vanuit tegenovergestelde richting eveneens fietsers naderden. Nog daargelaten dat uit het dossier geen feiten en omstandigheden blijken die de verklaring van de betrokkene ondersteunen, is het gebruik van de claxon om een andere weggebruiker duidelijk te maken dat hij hem gaat, of wil, passeren geen gebruik ter afwending van onmiddellijk gevaar. Daar komt bij dat ter plaatse sprake was van een zogenaamde fietsstraat. Hoewel het hof zich er van bewust is dat er (nog) geen specifieke wettelijke status is voor fietsstraten, is het uitgangspunt dat het autoverkeer er te gast is en om die reden ondergeschikt is aan die van de fiets. Dit brengt mee dat van de betrokkene wordt verwacht dat hij zijn rijgedrag aan de fietsers aanpast en daardoor wellicht meer geduld moet betrachten. Gelet op het voorgaande is niet gebleken van een noodzaak om te claxonneren. Het hof stelt dan ook vast dat de gedraging is verricht.

16. Met betrekking tot de klacht van de betrokkene dat hij niet is staande gehouden, overweegt het hof het volgende. Artikel 5 van de Wahv moet aldus worden verstaan dat in het geval zich een reële mogelijkheid tot staande houding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat hij de bestuurder niet heeft staande gehouden, omdat hij te voet was en de bestuurder stevig doorreed. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat de ambtenaar een reële mogelijkheid heeft gehad de bestuurder staande te houden. Anders dan de betrokkene kennelijk meent hoeft van een ambtenaar niet te worden verwacht dat hij bij de woning van de kentekenhouder aanbelt of schriftelijk of telefonisch contact zoekt om vast te stellen wie ten tijde van de gedraging de bestuurder van het voertuig was en zijn verklaring op te nemen. Dit brengt mee dat de sanctie met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder kon worden opgelegd. Het verweer van de betrokkene wordt dan ook verworpen.

17. Gelet hierop treffen de bezwaren geen doel en zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van Swart als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.