Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:6972

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
ISD P20/0159
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het hoger beroep is ingesteld na inwerkingtreding van de Wet USB op 1 januari 2020. Sindsdien is geen hoger beroep meer mogelijk bij de penitentiaire kamer tegen een beslissing tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel wegens overtreding van een bijzondere voorwaarde. De op 25 juli 2020 inwerking getreden Reparatiewet Wet USB maakt dat niet anders. Eerder al de uitspraak van het hof van 19 maart 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:2395).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ISD P20/0159

Beslissing d.d. 3 september 2020

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

wonende te [woonplaats] .

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2020, inhoudende tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Den Haag van

17 september 2019 voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD).

Het hof heeft gelet op dezelfde stukken als de rechtbank en daarnaast op:

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de veroordeelde van 13 maart 2020;

- de appelschriftuur van de raadsman van de veroordeelde van 13 maart 2020.

Het hof heeft ter zitting van 20 augustus 2020 gehoord de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.J. de Jongh, advocaat te Leiden, en de advocaat-generaal, mr. V. Smink.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman

Primair heeft de raadsman aangevoerd dat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in aanmerking dient te worden genomen dat het vonnis waarbij de maatregel voorwaardelijk is opgelegd, dateert van vóór 1 januari 2020. De bepalingen van de op

1 januari 2020 in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: Wet USB), waardoor na 1 januari 2020 geen rechtsmiddel meer openstaat tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde maatregel, zijn in strijd zijn met de fundamentele beginselen van het strafrecht, nu die evident ongunstiger zijn voor de veroordeelde.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de wetgever weliswaar ook vóór 1 januari 2020 het uitgangspunt had dat er geen beroep mogelijk was tegen beslissingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straffen en maatregelen, maar dat er op grond van artikel 509ff van het Wetboek van Strafvordering (Sv) (oud) een uitzondering voor de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke opgelegde plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders gold. Het laten vallen van deze uitzondering zou een onbedoeld (en ongewenst) effect zijn van de invoering van de Wet USB en verwacht wordt dat deze fout op korte termijn zal worden hersteld.

Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het wegvallen van de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen de bestreden beslissing in strijd is met de artikelen 5 en

6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Het is immers goed denkbaar dat een veroordeelde zich kan neerleggen bij de voorwaardelijk opgelegde maatregel, maar het niet eens is met het oordeel dat hij de voorwaarden heeft geschonden dan wel dat die schending de tenuitvoerlegging rechtvaardigt. Nu de maatregel in beginsel strekt tot vrijheidsontneming gedurende twee jaren is de tenuitvoerlegging daarvan dusdanig ingrijpend dat het onthouden van de mogelijkheid van beroep tegen het besluit tot tenuitvoerlegging in strijd is met Europees recht.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de veroordeelde ontvankelijk is in zijn hoger beroep, nu het beroep tijdig is ingesteld en de maatregel voorwaardelijk is opgelegd bij een vóór 1 januari 2020 gewezen vonnis. De grondslag van de tenuitvoerlegging is immers de beslissing van de rechtbank Den Haag van 17 september 2019. De wetswijziging van

1 januari 2020 mag niet in het nadeel van de veroordeelde worden uitgelegd.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft op 19 maart 2020 een beslissing gegeven in een zaak waarin beroep was ingesteld tegen een beslissing van de rechtbank tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wegens overtreding van een bijzondere voorwaarde (ECLI:NL:GHARL:2020:2395). Het hof heeft in die zaak onder meer het volgende overwogen:

“Met de inwerkingtreding van de Wet USB op 1 januari 2020 zijn artikel 38r van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 509ff van het Wetboek van Strafvordering (Sv) komen te vervallen. Ingevolge deze artikelen stond – in verbinding met artikel 67, eerste lid, van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (RO) – tegen een beslissing van de rechtbank ter zake van de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders hoger beroep open bij deze kamer van dit hof: de zogenoemde penitentiaire kamer. Dit gold zowel bij overtreding van de algemene voorwaarden, bedoeld artikel 38p, derde lid, Sr, als bij overtreding van de bijzondere voorwaarden, bedoeld in artikel 38p, vierde lid, Sr, Daarmee week deze regeling af van de regeling in artikel 14j, eerste lid, Sr, zoals die luidde tot 1 januari 2020, omdat in alle gevallen van tenuitvoerlegging hoger beroep mogelijk was en dit hoger beroep bovendien was geconcentreerd bij de penitentiaire kamer. In zoverre en omdat de behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging niet noodzakelijkerwijs gelijktijdig met een nieuwe strafzaak wordt behandeld, wijkt deze zaak af van de rechtsvraag die de Procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft besproken in zijn vordering tot cassatie in het belang der wet van

18 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:160, en waarop de Hoge Raad heeft beslist op

6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:389.

Sinds 1 januari 2020 zijn de volgende bepalingen in hoofdstuk 6 van boek 6 van het Wetboek van Strafvordering ter zake van rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerlegging van belang. Ingevolge artikel 6:6:21, eerste lid, onder a, Sv is de rechter bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden. Ingevolge artikel 6:6:7 Sv zijn rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerlegging niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen, voor zover in hoofdstuk 6 van boek 6 Sv niet anders is bepaald. Dit hoofdstuk, met name artikel 6:6:22, eerste lid, Sv, bevat geen bepaling die beroep mogelijk maakt tegen een rechterlijke beslissing ter zake de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel.

In de Memorie van Toelichting bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Tweede Kamer 2014-2015, 34086, nr. 3, blz. 107) wordt weliswaar ingegaan op de redenen om niet langer hoger beroep open te stellen tegen beslissingen die worden genomen na overtreding van een bij een voorwaardelijke veroordeling gestelde bijzondere voorwaarde, maar er wordt niet afzonderlijke aandacht besteed aan de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel en daarmee niet aan de van artikel 14j, eerste lid, Sr afwijkende regeling in de artikelen 38r Sr en 509ff Sv. Desalniettemin is het hof op grond van de tekst en de strekking van de Wet USB van oordeel dat de mogelijkheid van hoger beroep bij de penitentiaire kamer tegen een beslissing ter zake van de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke ISD – wegens overtreding van een algemene en/of een bijzondere voorwaarde – met de invoering van die wet is komen te vervallen. De wet bevat geen overgangsregeling. In beginsel hebben strafvorderlijke bepalingen onmiddellijke werking.”

In de genoemde zaak is de veroordeelde niettemin ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, waarbij het hof – kort samengevat – heeft overwogen dat het in strijd is met de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid om de ontvankelijkheid van een op zichzelf tijdig ingesteld hoger beroep af te laten hangen van de omstandigheid of de behandeling van dat beroep voor dan wel na de inwerkingtreding van de Wet USB plaatsvindt.

De onderhavige zaak wijkt, voor zover hier relevant, van bovengenoemde zaak af omdat het hoger beroep is ingesteld tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging die is gewezen ná de invoering van de hiervoor besproken wetswijziging per 1 januari 2020. De strafvorderlijke bepalingen van de Wet USB gelden dus onverkort, met als gevolg dat geen beroep meer openstaat tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel wegens overtreding van een bijzondere voorwaarde. Dit is niet anders omdat, zoals door de raadsman en de advocaat-generaal is gesteld, die beslissing de tenuitvoerlegging betreft van een voorwaardelijk opgelegde maatregel die zijn grondslag vindt in een vonnis dat is gewezen vóór 1 januari 2020.

Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van de veroordeelde wijst het hof op de op 25 juli 2020 in werking getreden Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb, 2020, 225). In deze reparatiewet zijn enkele omissies en andere fouten in de Wet USB hersteld, zoals die na inwerkingtreding van die wet naar voren zijn gekomen en die mede aanleiding hebben gegeven tot de genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 6 maart 2020. De wetgever heeft daarbij onderkend dat de beroepsmogelijkheid tegen een beslissing over de tenuitvoerlegging is vervallen, maar dat niet geheel duidelijk uit de formulering van de Wet USB blijkt dat nog steeds beroep mogelijk is tegen beslissingen tenuitvoerlegging bij overtreding van een algemene voorwaarde, voor zover deze deel uitmaken van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit. Artikel 6:6:22, eerste lid, onder b, Sv is in die zin aangepast. Dit betekent dat op grond van deze bepaling nu beroep mogelijk is bij een gerechtshof (niet de penitentiaire kamer) tegen een beslissing van de rechtbank over de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegd ISD-maatregel wegens een overtreding van de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen nieuw strafbaar feit pleegt (artikel 38p, derde lid, onder a, Sr). Daarvan is in deze zaak echter geen sprake. Hier gaat het niet om samenloop met een nieuw strafbaar feit, maar om een afzonderlijke vordering van de officier van justitie en afzonderlijke beslissing van de rechtbank wegens overtreding van een aan de voorwaardelijke maatregel verbonden bijzondere voorwaarde. Er zijn in de genoemde reparatiewet geen andere wijzigingen in de bepalingen van de beroepsmogelijkheid tegen beslissingen tenuitvoerlegging aangebracht en – zo blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de reparatiewet (TK 2019-2020, 35436, nr. 3, pagina 7) – evenmin overwogen. De wetgever heeft dus kennelijk geen noodzaak gezien om de vervallen beroepsmogelijkheid van artikel 509ff Sv (oud) geheel te herstellen.

Wat betreft het meer subsidiaire standpunt van de veroordeelde heeft het hof in de aangehaalde beslissing van 19 maart 2020 overwogen dat de beoordeling van een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel moet worden aangemerkt als een procedure in de zin van artikel 5, vierde lid, van het EVRM. Deze bepaling is van toepassing als zich na een veroordeling nieuwe vragen over de rechtmatigheid van detentie voordoen (zie o.a. Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) 30 januari 2018, nr. 18233/16, Etute tegen Luxemburg, ro. 25). Deze bepaling verplicht echter niet tot een rechterlijke beoordeling in twee instanties (zie o.a. EHRM 17 juli 2007, nr. 48666/99, Kučera tegen Slovakije, ro. 107). De afschaffing van de appelmogelijkheid is dan ook niet in strijd met het EVRM, nog daargelaten welke consequentie aan een schending van dit verdrag had moeten worden verbonden.

Het hof is dan ook van oordeel dat de veroordeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep.

Beslissing:

Het hof:

Verklaart de veroordeelde [veroordeelde] niet-ontvankelijk in zijn tegen de beslissing van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2020 ingestelde hoger beroep.

Aldus gedaan door

mr. M.E. van Wees als voorzitter,

mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. E.A.K.G. Ruys, als raadsheren,

drs. E.M.M. Mol en drs. R.J.A. van Helvoirt als raden,

in tegenwoordigheid van mr. N.E. Versloot als griffier,

en op 3 september 2020 in het openbaar uitgesproken.

mr. Ficq en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.